08-02-09

DE DRUÏDEN.

D E  D R U Ï D E N.

Als we terugdenken, komen wij bij de druïden terecht, de zeer vroege Kelten. Die vroege Kelten waren, al klinkt dat misschien een beetje fabelachtig, een slavenvolk van Atlantis. De gehele opbouw van de druïden herinnert aan zaken uit dat fabuleuze verleden. Hun wijze van werken echter was toch meer op de natuur gericht dan op de lichtgeesten, die vooral door de witte Atlantiërs werden, vereerd.

De oorspronkelijke orde, want 't is altijd een orde, een aparte kaste geweest, bestond uit magiërs, tovenaars. Een groot gedeelte van hun kunde en kennis hebben ze waarschijnlijk overgeleverd gekregen uit deze vroege Atlantische beschaving. Het is heel waarschijnlijk dat de wijze waarop zij later een natuurverering hebben opgebouwd mede te maken heeft gehad met al datgene wat zij in het verleden eens hadden geleerd.

Er was in het begin dus geen splitsing van functies. De priester, was tevens bard. Hij was leermeester, heelmeester en gaf ook orakels. Maar al heel gauw ontstond er in die orde een splitsing van functies. Er was toen nog geen sprake van een werkelijke rangorde. Er waren magiërs die bijzonder bekwaam en beroemd waren. Natuurlijk zullen de anderen die niet zo bekwaam waren rekening met hen hebben gehouden; maar zij waren geen meester, geen hogepriester of iets dergelijks. Eerst toen de grote magiërs begonnen uit te sterven en dus veel van de oude kennis teloor was gegaan, bouwde zich een hiërarchisch geheel op. We zouden dit ongeveer als volgt kunnen indelen:

Boven aan de top de magiërs die tevens hogepriester waren. onder hen rituele priesters, die een aantal soms bijna zwart‑magische rituelen voltrokken voornamelijk in heilige wouden. Daarnaast waren er nog een soort koor‑priesters die vooral optraden bij bijzondere gelegenheden als mid‑zomer en mid‑winterwouden wanneer er grote plechtigheden plaatsvonden inclusief invocaties, incantaties, evocaties t.a.v. zon en maan.

Dan zien we een lichte scheiding, want de koorleden waren vaak ook nog heelmeesters. Maar er waren ook heelmeesters die bard waren. Hier loopt de zaak dus iets door elkaar.

De barden waren dichters, zangers, maar eigenlijk voornamelijk historici. Hun belangrijkste taak was het opleiden van jonge druïden en niet zoals u misschien denkt het rondgaan en verkondigen. Dat kwam meestal later, wanneer ze hun taak redelijk hadden vervuld gedurende een aantal jaren. Dan gingen ze op trektocht zoals bepaalde monniken dat in de middeleeuwen deden en ook Lama's nog in de jaren dertig.

Hun repertoire had een aantal eigenaardigheden. Zij bezongen voornamelijk veldslagen. Verder ging het over moed, over trouw, over goden en over offeren. Zij kenden wel liefdesliederen, maar die waren altijd nog wel aan strijd en geweld gekoppeld.

Symbolen gebruikten ze ook. Hun symboliek herinnert hier en daar zij het in een heel verre verte ‑ aan datgene wat we nog in Mexico vinden. Licht vertekend vinden we nog enkele van die symbolen terug in Oud‑Egypte voor de koppeling van de twee rijken.

Wat is hun werkelijke betekenis? Zolang zij de werkelijke magie kenden, hadden ze een grote geestelijke kennis. Daarnaast hadden ze een mate van materiële wetenschap die zelfs in uw dagen hier en daar nog opzien zou kunnen baren. Zij waren in staat om inderdaad met geesten te communiceren. Zij spraken ook met degenen die naar hun zeggen reizen tussen de sterren. Deze uitdrukking is een zeer ‑vrije vertaling van een oud‑Keltische formule, maar wijst erop dat ze nok ergens met de ruimtevaart verbonden waren, ‑althans overleveringen van die aard koesterden.

Zij konden bepaalde dingen absoluut beheersen. Zij kenden een weer‑magie die voor een deel ongetwijfeld uit meteorologische kennis bestond, maar daarbij toch wel opzienbarende stormen, regenvlagen of zonnige dagen kon opwekken precies zoals ze nodig waren.

Het is duidelijk, dat ze ook een heel goed verbindingssysteem hebben opgebouwd. Oorspronkelijk waren het de magiërs die dit systeem hadden. Het berustte voornamelijk op telepathie tussen hen, hun leerlingen en hun soortgenoten. Later echter werd er een heel verbindingssysteem gevormd. Dit strekte zich zo ver uit dat zelfs aan de grens van de Schotse Hoog­landen na drie ‑ vier dagen reeds bekend kon zijn, wat er ergens in Bretagne was gebeurd. De invloed van de druïden strekte zich dus betrekkelijk ver uit, want tot zelfs in Baskenland waren er druïden, althans ingewijden van de druïdische Cultus.

Dat zij grote politieke invloed hadden is zonder meer duidelijk. Deze invloed zal nog voortduren tot in de tijd dat de Romeinen Engeland bezetten. Hun geestelijke mogelijkheden zijn wat twijfelachtig. Er zijn magische riten waarbij een haan word geslacht, dat moest dan bij cockcrowing (eerste hanegekraai bij zonsopgang), gebeuren. En dan is het nog heel belangrijk of het een witte of een zwarte haan was. Voor de verschillende plechtigheden moest dit een andere kleur vogel zijn. Verder worden er offers gebracht van fruit en groenten. In sommige gevallen werden er ook mensenoffers gebracht.

Bij deze mensenoffers was het opvallend dat in de oude riten het hart uit het nog levende lichaam werd gerukt door de offermeester; iets wat we ook in Mexico vinden.. De darmen werden voor orakel gebruikt. Ditzelfde kan ook gebeuren met dieren, dat loopt dan van een koe, een hert tot een vogel toe. Al deze pogingen om de toekomst te kennen wijzen erop dat de oorspronkelijke kennis van de tijd, die de magiërs bezaten, teloor is gegaan. Maar ze konden vaak toch zeer opzienbarende voorspellingen doen en daardoor vergaarden zij ook veel bezit.

Het is bekend, dat de druïden vele schatten hadden. Er wordt gesproken van een fabelachtige hoeveelheid parels, al zou ik niet weten waar ze die vandaan hadden. Daarnaast beschikten ze over koper en lood; metalen die heel belangrijk waren in de tijd waarin ze leefden. Dat ze ook over goud zouden beschikken, lijkt mij in oudheid wel juist, maar voor de latere tijd weet ik het eigenlijk niet.

Wat konden zij doen? Zij konden een volk onderrichten. Door hun uitermate snelle overbrenging van gegevens tussen ver uit elkaar gelegen plaatsen konden ze ook voorspellingen doen die later worden bevestigd, ofschoon de voorspelling berustte op feiten die al waren gebeurd. Ze hadden een grote invloed op het volk en worden langzaam maar zeker een volledig afgescheiden kaste.

Was er in de begin‑ en middenperiode van de druïden nog de mogelijkheid voor een gewoon mens om tot de orde toe te treden, later werd dit in steeds mindere mate aanvaard. Huwelijken, oorspronkelijk toegelaten tussen buitenstaanders (vrouwen) en leden van de orde der druïden, werden ook verboden. Op den duur kwam er een regel waardoor de druïde alleen met een afstammeling van druïden mocht huwen. Ik denk, dat ze juist daardoor zeer geheimzinnig waren. Vergeet niet dat ze kenners van de natuur waren. Helaas niet van de menselijke natuur, anders hadden ze een aantal van hun leden ongetwijfeld uitgestoten.

Wij vinden bij hen een aantal symbolen die later (tot zelfs in strip­ verhalen toe) nogal opzien baren, zoals b.v. de gouden sikkel. De sikkel is het instrument waarmee wordt gesneden. Dat die van koper was (dus niet van goud) is ook weer te verklaren uit het feit dat dit een zeldzaam metaal was, dat het dus kostbaar was en dat het aanzien verleende.

Men zei ook dat dit metaal, mits met de juiste kruiden behandeld en op de juiste wijze eerst magisch voorbereid, in staat was om de draden van het noodlot door te snijden of, omgekeerd gebruikt, te hechten. Wanneer iemand op reis ging, dan zou hij, als een druïde hem wilde zegenen, zich aan de volgende plechtigheid dienen te onderwerpen. Er word een soort litanie gezongen waarmee allerlei krachten werden aangeroepen. Daarnaast werd met een tak, meestal een maretak (mistletoe) een magische ring om hem heen getrokken. Dan kwam de hoofddruïde, nam zijn sikkel en onder een incantatie die het verdrijven van alle kwaad ten doel heeft, werd de tak heen en weer bewogen en wel steeds werd de tak meermalen boven, diens hoofd heen en weer in de richting van de snijkant. Hierdoor word dan, naar men zei elke verbinding met kwaad verbroken en kon geen enkele magische draad of de noodlotsdraad de persoon verder beïnvloeden. Hij zou dan veilig zijn voor vele gevaren.

Dit zijn de eenvoudigste plechtigheden. Dat ze de barden steeds belangrijker maken is ook te begrijpen,. Magie‑ maakt meer indruk, als ze berijmd is. Het is net zoiets als bij Orde het Schone Woord dat de mensen meestal nogal versteld doet staan, omdat het een cadans heeft en een soort rijm. Op dezelfde manier heeft men dus langzamerhand van de barden de mensen gemaakt die de incantaties omwerken tot ze werkelijk bijna liederen worden.

In hun eigen omgeving zijn de druïden niet zo erg op dergelijk lange plechtigheden gesteld. Je zou zeggen, dat ze soms te lui zijn daarvoor. En omdat ze enkele nederzettingen hebben waaronder vroegere vestingen, enkel van die heuvels kun je nog aantreffen in Wales, zijn ze in staat om onderling een heel aparte leefwijze op te bouwen.

Hun betekenis voor het nageslacht ‑ die is er ongetwijfeld ‑ is te danken aan de manier waarop ze elkaar opvoeden. Er is een buitengewoon sterke discipline. Als u zich realiseert dat deze bij de stammen van die tijd niet bestond en dat zelfs bekenden moesten bidden, smeken en omkopen om de krijgers werkelijk mee te krijgen, zelfs de eigen onderdanen, dan kunt u begrijpen dat juist de echte organisatie en samenhang langzamerhand kon worden overgebracht naar delen van het volk.

Als we later met de Arthur ságen en legenden werden geconfronteerd, dan gaat het over een vorst die wel heeft geleefd, alleen heette hij geen Arthur en zijn burcht was heel anders dan men die zich tegenwoordig voorstelt. De Ronde Tafel waarover zoveel te doen is geweest was er ook niet. Datgene wat u tegenwoordig daarvan getoond wordt is, meen ik, in ongeveer 1490 gemaakt en later nog een keer gerestaureerd toen een koning voor politieke doeleinden die tafel nodig had. U ziet, de politiek doet ook veel. Maar de Arthurlegende toont ons Merlijn, de grote tovenaar. Merlijn was zeer waarschijnlijk een overleveringsfiguur geënt op een van de grote magiërs van de druïdén. Zo sterk speelde dus al datgene wat bij de druïde‑orde bestond en de kennis en middelen die ze bezat een rol in het volksdenken. Want de Arthur legende, al is ze natuurlijk neergeschreven door de meer geletterden, leefde eigenlijk voor een groot gedeelte reeds in allerlei volksoverleveringen en sagen. Mag ik daaruit de conclusie trekken dat de invloed op het gehele Engelse volk betrekkelijk groot is. Dat hun gewoonte om bij de opvoeding de berkenroede te hanteren ongetwijfeld nog invloed heeft in deze dagen. Zoals ook op vele scholen het z.g. 'caning' voorkomt waarmee de schuldige niet met strafregels maar met enkele slagen op het achterwerk pleegt te worden terecht gewezen.

De technische kennis van de druïden is grotendeels teloor gegaan. Toch kunnen we nu nog in restanten van oude loodmijnen en ook in andere mijnen iets vinden van een techniek die weliswaar primitief is, maar die toch ver boven het kennen en kunnen van die tijd uitgaat en zeker als we rekening houden met schachtdiepten van 200 m. die voorkomen. Zij zullen dus middelen hebben verschaft bij o.m. tin‑ en looddelving waardoor het volk eigenlijk een belangrijke rol kon gaan spelen o.m. in de ruilhandel.

Ik denk verder dat de wijze waarop zij een soort bondgenootschap, een discipline, ontwierpen die de arbeiders van een mijn t.a.v. elkaar verbond en vaak ook de bewoners van kustdorpen, nu nog doorwerkt in de volksaard. Als je Engelse organisaties ziet, dan zijn ze namelijk veel meer aan elkaar gebonden en veel sterker op elkaar ingesteld als leden dan u in Nederland doorgaans zult zien. Misschien is dat ook een van de redenen dat Maçonnieke Loges in Engeland voor het eerst een discipline vertonen die pas veel later wordt overgenomen door o.m. Parijs, later ook Brussel. Invloed hebben ze dus gehad op de historie.

Wat is hun betekenis in de historie? Dat kunnen we alleen filosofisch beantwoorden. Er bestaat in de mensheid altijd een soort overlevering. Deze overlevering wordt dan door enkele figuren gedragen. Als dragers van overlevering zijn de druïden ongetwijfeld van betekenis. Ze zin ook heel machtig; Het feit, dat zij hun eigen recepturen kennen; speelt natuurlijk een rol. Maar veel meer, meen ik, is het van belang dat zij, door de macht die zij vertegenwoordigen ook een aantal geestelijke elementen overbrengen aan het volk.

Als wij ons realiseren hoezeer Engeland in bijna alle kringen een soort bijgeloof of spiritisme kent (Je wil beide niet op gelijke trap zetten) en hoe men openstaat voor paranormale verschijnselen ook interesse heeft daarvoor, dan denk ik toch wel dat ook dit is terug te vinden in de riten van de druïden waarmee men soms geesten opriep en die dan ook inderdaad verschenen. Waarbij men ook werkte met vormen van mediumschap, maar ook met offergaven die waren bestemd op datgene wat men wilde oproepen; b.v. de zon bracht je een bloedoffer, de maan meestal een fruitoffer. Alleen wanneer zon en maan beide gelijktijdig worden geëerd en dan moeten ze beide nog te gelijk aan de hemel staan, dan gebruikte men het dubbele bloedoffer. Er waren dan twee plengaltaren in plaats van een. U kunt dat nog terugzien in Stonehenge en in verschillende andere tempelcirkels die zijn overgebleven.

Dat de druïden zich buitengewoon goed konden oriënteren is ook waar. Als we rekening houden, zelfs nu nog, met de wijze waarop in Stonehenge de stenen zijn gezet, maar ook de menhirrijen zijn opgericht in delen van Bretagne en de bijlringen met de bijlopening zijn georiënteerd, dan komen wij toch tot de conclusie dat deze mensen een zeer duidelijk begrip moeten hebben gehad van windstreken en van oriëntatie.

Ik denk, dat dit heeft bijgedragen tot zeker de vroegere zeevaart en tot legenden als die van Brendaan. Ze zouden wel eens te maken kunnen hebben niet met een heilige St. Brendaan maar met zeevaarders die juist door datgene wat de druïden aan zekerheden en aanwijzingen gaven in staat waren om verre reizen te ondernemen zonder daarbij de kust de volgen. Iets wat in die tijd uitzonderlijk moet zijn geweest.

Vraag je je af, of ze geestelijk erg belangrijk zijn geweest, dan sta ik eigenlijk in dubio. Enerzijds niet. Veel van hetgeen zij hebben gedaan is in heel Europa in die tijd ook gangbaar geweest. Het aanroepen van natuurgoden. Het werken met en in heilige wouden. Genezende bomen, ofschoon het een pijnlijke remedie lijkt, als je ziek bent om door een gespleten wilgenboom gesleurd te worden. Verder verering van stenen. Het maken van cirkels. Dat komt tot in Rusland voor. Zelfs in de buurt van Odessa zijn nog enkele van die ruïnes overgebleven welke niet zijn aangetast, door de kameraadschappelijke socialistische samenwerking.

Hadden die ruïnes een bijzondere betekenis? Ik denk, dat we hier weer moeten terugvallen op hun oorsprong; het feit dat daarin ook een zeer belangrijk deel van de witte magie werd bewaard. Daarnaast moeten we ook terugvallen op het feit dat ze voor Engeland een eigen vorm vonden die oorspronkelijk alleen in het zuiden domineerde ‑ maar langzamerhand tot zelfs in delen van ‑ de Hooglanden word geaccepteerd.

De druïden hebben in ieder geval een aantal riten gebracht waardoor geestelijke inwijding mogelijk was. In enkele gevallen dringt zich een parallel op met b.v. de Mithras‑inwijdingen al zijn de symbolen wat anders en ook de benamingen van de graden. Maar ook hier confrontatie met de elementen. Ook hier de strijd met en ten slotte de onderwerping aan de zon.

Het is heel belangrijk, dat men zich realiseert dat de druïden dus wel een uitzonderlijke groepering zijn. Maar hetgeen zij in hun verder bestaan voor een groot gedeelte leren eigenlijk een weerkaatsing is van het denken dat ook elders bestaat en dat daarbij disciplines worden gebruikt die eveneens elders aanwezig zijn.

Als wij spréken over b.v. de cirkel (een door de druïden nogal veel gehanteerd object), dan moeten we toch constateren dat die overal is te vinden. Ook in de Oeral, ook in de Kaukasus, ook in grote delen van Noord‑Afrika. Daarvoor behoef je heus niet alleen naar Engeland of Tagne te gaan. Dus buiten liet Keltische gebied zijn ze ook aanwezig. In hoeverre daar een invloed bij is van de z.g. eerste en tweede Atlantische trek, blijft een raadsel. Het is zeker mogelijk, dat een deel van die leer door een trek, die zich langs de Noord Afrikaanse kust en vervolgens deels weer terug, o.m. door een deel van Turkije, Griekenland zich aftakkend naar het noorden en verder weer terugkerend naar de kust (Bretagne) en waarschijnlijk ook naar Engeland, die verspreiding heeft veroorzaakt.

Een ding is zeker, in de tijd waarin de druïden een bekende grote organisatie zijn, is die trek allang afgelopen. Datgene wat zij hanteren is een geestelijk machtsmiddel waarbij ze hypnose en suggestie gebruiken, maar wel degelijk ook reëel contact opnemen met andere werelden dan de uwe. Zij hebben daardoor de mensen wel geestelijk voorbereid op een manier, die elders misschien wel door de opkomende kerstening voor een groot gedeelte teloor is gegaan. Ik ben mij ervan bewust, dat dit een algemeen beeld is. Laat ons volstaan met de stelling: De druïden waren een afgesloten priestergemeenschap, verdeeld in vele rangen en functies met grote politieke macht, met magische kennis en daarnaast rijkdommen die voor die tijd bijna onmetelijk waren.

 

 

 


 

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

19-08-08

DIERSYMBOLEN in de MAGIE.

DIERSYMBOLEN IN DE MAGIE.

Als wij kijken naar de meest primitieve vormen van magie, dan valt ons reeds op dat het dier daarin een heel grote rol speelt. Gaan we kijken in de verschillende caves (grotten), dan vinden wij daar tekeningen, die vaak een ritueel doel hebben gehad. Men heeft daar met een enkele lijn, zo mooi dat een cartoonist in deze tijd met alle middelen die hem ter beschikking staan het niet zou kunnen verbeteren de dieren gekarakteriseerd die men jaagde. En dat is te danken aan het feit, dan men ook in die tijd al dacht dat de tekening identiek was met hetgeen was getekend. Dus ik teken een stier (oeros was het dan in die tijd) en ik trek daardoor a.h.w. een eeros aan. Wat ik zeg tegen de tekening, dat zeg ik eigenlijk tegen het dier.

Het is geloof ik vooral deze mentaliteit, die uit de vroege periode van de mensheid stamt ‑ althans uit een laten we zeggen wat verwilderde periode van de mensheid ‑ die de dier‑magie en ook de dier‑symboliek in de magie haar gezicht heeft gegeven.

De goden droegen dan ook vaak dierenmaskers. Ook dat behoeft ons niet te verwonderen. Als we naar Egypte gaan en we zien Anubis rondlopen met het masker van een jakhals, dan denken we aan de god van de dood. Maar we denken ook aan het geheimzinnige gebied van de woestijn, waarin je zo gemakkelijk sterft, waaruit je niet terugkomt. De enige die terug komt is steeds weer de jakhals. Is het dan niet logisch dat we het dier als attribuut gebruiken voor een god? Als we denken aan de rivier de Nijl, aan de ene kant gevaarlijk en verrader­lijk en aan de andere kant toch ook weer levenbrengend en vruchtbaarheid gevend, waarom zouden we dan ook niet een van de dieren in die Nijl, de kro­kodil (Sebek) niet alleen tot Nijl‑god benoemen, maar hem ook tot een vruchtbaarheidssymbool maken; wat dan ook in feite is gebeurd. Zo zien we overal weer dat de karakteristiek van het dier en de karakte­ristiek van de god a.h.w. worden vereenzelvigd. Dan komt men al vanzelf tot voorstellingen, die niets meer met de werkelijkheid te maken hebben.

Een mooi voorbeeld daarvan vinden we b.v. in de Chinese Draak.

De draak is eigenlijk een fabeldier. (Er zijn er trouwens meer. Denkt u aan de griffioen.) Maar het belangrijke van de draak is weer de eigenschappen, die hij bezit. Hij spuwt vuur, hij vliegt, hij kan de aarde betreden en rivieren versperren. Kortom, hij gedraagt zich als een heerser van de vier elementen.

De oorspronkelijke Chinese magie (heel wat sterker dan de religie ooit is geweest) gaat juist uit van elementen, van elementale krachten. Dit komt zover dat de draak zelfs de figuur wordt van een machtige geest, die ergens in een berggrot woont en die uitgaat om zo hier en daar het een en ander te doen. Het zal u duidelijk, dat een symbool dat op die manier tot stand komt op den duur associatieve betekenissen krijgt. In de magie is niet zozeer het symbool op zich belangrijk als wel hetgeen wij er achter zoeken.

Laten wij eens kijken ‑ we hebben het nu over China gehad ‑ naar de Chinese magiër. Hij kan zich richten tot de Witte of de Hemeldraak. Hij vraagt de krachten van de natuur om hem te helpen. Dan moet hij zich met geestenzwaard, geestendolk en bovendien een bepaald soort fluitje (kennelijk heeft hij ook dressuurneigingen) met geheel zijn wezen richten tot deze Draak. Hij brengt brandoffers en bezweert de Draak hem te verschijnen; wat dan ook prompt gebeurt. De Draak kan dan de wensen horen van de magiër en zal deze vervullen, tenzij de magiër hem vreest. Een belangrijk punt weer in de magie! Zijn we bang voor iets, dan gaat de zaak niet door en worden we zelf het slachtoffer: ook als we te maken hebben met de beste en hoogste goden, zoals de Witte Draak.

Gaat de magiër nu het kwaad bestrijden, heeft hij dus geen positieve wensen maar wil hij kwade dingen doen of een kwaad, dat is geschied, herstellen, dan moet hij zich richten tot de Rode Draak. Daartoe brengt hij zichzelf in een trance. De Witte Draak kan naar je toekomen, de Rode Draak niet. De Rode Draak daar moet je naartoe gaan, want zou je die oproepen, dan roep je een kracht op die de aarde kan verbranden. Er staat letterlijk, dat je afdaalt in een grot en staat tegenover de Rode Draak, omspoeld door vuur enz. enz. en dat je hem dan met de ban van een paar namen, een gewijd zwaard en een gewijde dolk voortdurend in bedwang moet houden. Maar als je tegenover die Draak kunt staar. en niet voor hem terugdeinst (een heel belangrijk punt), dan zal hij zich jouw gevangene voelen en zal je een wens toestaan. Een element', dat we ook in sprookjes heel vaak vinden. Trouwens, ik zeg nu sprookjes. Wist u dat we daarin ook elementen vinden, die kennelijk be maken hebben met die oude dier‑magie?

 

De prins trekt uit. Hij is goed voor een vogel en deze komt hem helpen. Wat is het voor een vogel? Het is meestal een soort mees. Waarom? Omdat de mees in een bepaalde magie ook wordt gezien als de beheerser van de vogels. Vreemd genoeg dus niet de adelaar. Die is wel een vorst, maar het is de mees die invloed heeft. En dan is het ook duidelijk dat de magiër, die in die richting wil werken juist zoekt naar een mees met een bepaalde tekening en deze als offer brengt. U kunt natuurlijk zeggen: Ach, wat jammer van het lieve beestje, maar dat is nu eenmaal zo.

Als je een boodschapper nodig hebt, dan is daar de kraai. En vooral ook vinden we ‑ vreemd genoeg ‑ bij de Druïden de kraai als de boodschapper van kwaad, maar daarnaast ook de boodschapper van Wodan. De kraai is het, die de verbinding tot stand brengt tussen de wereld van de mensen en de wereld van de goden. Ik moet dus een kraai offeren, indien ik zeker wil zijn dat mijn boodschap de goden bereikt.

De magiër maakt gebruik van de kraai als boodschapper, maar daardoor gaat hij denken dat de kraai bijzondere eigenschappen heeft. Zo lezen we veel later in een recept uit ongeveer 1500, waarin wordt gezegd dat voor een bepaalde bezwering, waarmee een grote luchtgeest moet worden bezworen, het nodig is om in het reukwerk, te branden in het ‑voornaamste ‑wierookbekken (een houtskoolbekken). o.a. de hersens en een slagpen van een zwarte kraai. De cirkel dient met het bloed van die kraai te worden besprenkeld.Weer iets eigenaardigs.

Dan zien we heel vaak dat dieren een symbolische betekenis krijgen, omdat ze een rol spelen in een geloof. Het offer van een zwarte haan vinden we pas, nadat het Christendom vaste voet heeft gekregen in Europa. Waarom? Dat is heel begrijpelijk. Toen Petrus zijn meester verraadde, deed hij dat, voordat de haan kraaide. De haan is de bevestiger van het kwaad. Als het dus een satanistische ritus betreft (dat gebeurt zelfs in deze dagen nog wel hier,en daar), dan is het noodzakelijk dat voor elk verbond, voor elke belofte bloed eraan te pas komt. Het beste bloed voor een bevestiging is dat van een zwarte haan. Het mag geen kip zijn, het moet een haan zijn.

U ziet, dat dieren hun betekenis in de magie hebben door hetgeen ze betekenen en, door wat de mens erbij denkt. Als je ziet hoe enorm geconstrueerd die denkbeelden vaak op de achtergrond zijn, dan vraag je je wel eens af: Zijn die mensen nu wel bij zinnen geweest? Daarom moeten we ook naar een ander aspect kijken dat even belangrijk is.

Het dier heeft levenskracht, dat weet u allemaal. Maar een dier, dat minder zelfstandigheid van denken en van gedrag bezit dan de mens, zal dus altijd behoren bij een hogere entiteit,een overheersende natuurgeest. Die natuurgeest zal in karakter ‑ zo redeneert de magiër – overeenstemmen met het karakter van het dier. Als ik b.v. een hond offer, dan moet ik re­kening houden met dezelfde gevaren die ik krijg, indien ik een wolf offer. De geest die ik oproep is woest, maar hij bezit een enorme kracht om te achtervolgen.

Het offer van een kat komt niet zoveel voor. Dat is waarschijnlijk te danken aan het feit, dat katten in verschillende culturen (o.a. de Egyptische cultuur) heilig zijn geweest. De kat is ook het symbool van een wezen, dat wandelt tussen twee werelden. Het offer van de kat wordt dus alleen onder zeer bijzondere omstandigheden gebracht en ontsluit dan wat men noemt het rijk der doden. Hier wordt aangenomen, dat de kat ziet wat de mens niet ziet, weet wat de mens niet en a.h.w. wandelt in de wereld waarin ook de doden zijn. Voor bepaalde dodenbezweringen werden dus inderdaad katten geofferd.

Het is opvallend dat primaten, zoals b.v. de aap zelden worden geofferd. Uitzonderingen daarop zijn wel te vinden. Er zijn een paar stammen, die ook een aap als offer brengen, maar voor hen is de aap een gebruikelijk voedingsmiddel; het is dus gewoon een voedseloffer. In alle andere gevallen ziet men ervan af.

De aap lijkt op de mens. Hij is een geheimzinnig wezen. Als we denken aan Hanoeman met zijn apenleger, dan wordt wel gauw duidelijk dat het verschijnen en verdwijnen van die apen, het schijnbaar georganiseerde gedrag van die horden grote indruk moet hebben gemaakt. Men heeft gedacht: het zijn andere wezens dan wij,maar het zijn eigenlijk ook mensen of net als mensen, misschien zelfs demonen. Zo vinden wij het masker van de aap heel vaak als het mom van een krijger. Als er grote machten nodig zijn, dan roept de heidense magiër automatisch naar de aap.

De christen, die heeft geleerd dat dat niet kan, roept de een of andere goede vechter uit zijn eigen pantheon. Hij roept dus St. Michaël aan, de Aartsengel. Wat dat betreft is dit misschien een aardige grap.

Een magiër vergiste zich eens in de naam en in plaats van Michaël riep hij Gabriël. En in plaats van een bezieling voor zijn soldaten te krijgen, werden zij door een danswoede getroffen. (Het staat er letterlijk!) Het was vreemd genoeg een aanroeping, die door een magiër werd gedaan in ongeveer 700 na Chr. toen men de een of andere ketterse sekte te lijf wilde gaan. Dat die mannen door een danswoede werden getroffen, verklaarde de magiër met: "Ik heb me in de naam vergist. Gabriel blaast op een bazuin. En omdat het het Laatste Oordeel nog niet was, kon hij alleen maar een danswijsje spelen."

Ik hoop, dat u daarmee een idee krijgt van alles wat er eigenlijk aan de hand is. Want wat we ook zeggen over diersymbolen in de magie,we moeten een ding goed begrijpen:

De diersymbolen ontlenen hun bestaan niet aan het dier. Ze ontlenen hun bestaan aan de visies van de mens. Soms zien we zelfs dat bepaalde denkbeelden een hele evolutie doormaken. Bekend is in de middeleeuwen (het is het sterkst ongeveer tussen begin 1300 tot 1500) de verering van de Bok van Mendes. Nu zult u zeggen: De duivel is een bok, dus dat is een duivelverering. Dat had u gedacht. De natuurgoden werden vaak afgebeeld als halve

bokken. Denkt u eens aan Pan, denk eens aan de Saters. De geit werd het symbool van deze natuurgeesten.

De Grote Pan is niet, zoals de christenen hebben gezegd, de grote tegenspeler van de Christus, maar hij is ‑ en dat hebben bepaalde sekten lange tijd bewaard ‑ eigenlijk de aanvulling, het complement. De Grote Pan i s de natuur. De Christus is de bovennatuur, Er zijn zelfs mensen verbrand, omdat ze dat hebben verkondigd. Bepaalde kerkvaders zijn in die vroege periode (ong. 300) gewoon uit de kerk gestoten, omdat ze iets dergelijks verkondigden.

Nu is er een overdracht geweest van de natuur god, de Grote Pan, naar de geit. Maar een geit is vrouwelijk en de man was het suprème deel van de schepping, dus moest het suprème dier wel de bok zijn. U zou het niet zeggen, als u hem ruikt, maar zo dacht men dat. Er ontstond dus een verering van de bok. Heel vaak waren er ook afbeeldingen van een bok bij betrokken. Het symbool daarvan was over het algemeen een gelijk‑armig kruis waarboven twee bokshorens waren aangebracht. Hierdoor werd aangegeven, dat men de natuurkrachten stelde boven de miraculeuze krachten, die de kerk pretendeerde te bezitten. Het beroep op deze bok was het beroep op de natuurkracht. Door je op hem te beroepen kon je b.v. regen laten vallen of droogte veroorzaken. Je kon vee ziek maken of gezond maken. Je kon bronnen doen opdrogen en doen ontspringen. Zelfs de bliksem en de storm zou men door een beroep te doen op deze bok kunnen hanteren.

Op den duur werd dat een soort satanisme. De mensen, die daarbij betrokken zijn geraakt, vinden we vooral in de latere satanistische Loges. Denk b.v. aan de satanistische Loges in Parijs in 1600 tot 1800. Daar vinden we dan diezelfde Bok van Mendes, maar nu als de Satan.

In de heksenverhalen vinden we weer de Grote Bok. Denk maar eens aan de bekende verhalen over de Brocken. Op de Brocken verscheen de Grote Bok aan de heksen voor de grote heksensabbat. Daarbij is het symbool natuurlijk vertekend.

Maar wat betekent dit nu in de magie?

Nu zien we dat in de magie soms de oude en soms de latere betekenis wordt gebruikt. Zo bestaat er een aanroeping die zelfs nog gebruikt is in 1800 (het werd nl. ook door bepaalde alchemisten toegepast), waarbij letterlijk het symbool van de Bok wordt getekend. Daarboven en niet daaronder het symbool van het kruis (nu het verlengde kruis) en dan luidt de aanroeping:

"In de naam van de kracht, gesymboliseerd in het kruis, in de naam van de kracht, gesymboliseerd in de horens, roep ik U, o Grote Bok, Gij meester der natuur om mij bij te staan in mijn werkzaamheden." Dat werd dan meestal in het latijn gezegd. En als je ziet wat voor latijn het was, dan was het vaak potjes‑latijn; maar dat was dan voor de geheimzinnigheid.

Hier is kennelijk de bok het oude natuursymbool. Maar nu vinden wij ook in 1600 a 1700 satanisten die spreken. "Gij, Grote Bok, Gij verslinder van het licht." Met andere woorden: hier gaat het om het duister, om de demon.

U zult zich misschien afvragen: Kun je wat met dier‑symboliek doen in de magie? Nou, om eerlijk te zijn niet veel. Want de symboliek op zichzelf is niet zo erg belangrijk. Het belangrijke is juist, dat wij een voorstelling hebben en dat deze dan gestalte krijgt. En dan is het ook heel logisch, dat je b.v. net vossen‑magie in Nederland niets kunt doen, maar wel in Japan.

In Japan leeft op het platteland zelfs nu nog de overlevering van de vossen, die soms menselijke gestalten aannemen, die mensen kunnen beroven, die ze soms ook gastvrij kunnen ontvangen. De vreemde spookgeesten, die door de wouden dwalen en die in de bergen wonen. Deze vossen worden uitgebeeld als natuurgoden. Maar als je een beroep doet op de vossen, dan doe je dus een beroep op deze zwervende geesten van de natuur. Je kunt ze gebruiken als bode. Je kunt ze ook gebruiken om iemand te schaden of om iemand een lijfwacht mee te geven. Daarvoor is de vos als symbool volledig bruikbaar. En dan zal iemand, die in de magie de tekening van een vos of van een aantal vossen gebruikt en daarbij ook de juiste incantatie toepast, daarmee inderdaad iets tot stand kunnen brengen. Als je dat in Nederland zou proberen te doen, dan denk ik niet dat je veel resultaat krijgt. Hoogstens zou je een paar politie‑agenten aan de deur krijgen.

In Engeland bestaat de vos ook als magisch symbool, maar weer heel anders. De vos ‑ in Engeland ontzettend veel gejaagd ‑ staat bekend als een geweldig sportief, sluw en vlug dier. Als je dus snelheid en sluwheid nodig hebt, dan is het logisch dat je de vos als symbool daarvoor neemt. Zo staat in de bezweringen die o.a. nog in het museum van het eiland Man worden bewaard, het recept van een zalfje, dat je kunt vervaardigen , als je je een beetje sterker en handiger wilt maken. Dat zalfje bestaat dan behalve uit enkele kruiden (bijenwas zit er ook nog in) ook uit het bloed, en een deel van de hersens van een vos. Het geheel wordt goed fijngewreven en geroerd. Het zal wel geen aangenaam ruikend middel zijn, maar het schijnt de mensen een enorm zelfvertrouwen te geven. Volgens mij gebeurt dat hoofdzakelijk door de plantaardige bestanddelen ervan, dat wil ik er wel bij vermelden. Maar het idee, dat er iets van een vos in zit, dat je net zo geruisloos, net zo sluw, net zo snel kunt zijn als de vos, dat je net zo'n uithoudingsvermogen hebt als een vos, dat schijnt van groot belang te zijn.

Het is overigens een vorm van magie, die ook in Schotland nog een tijd is gebruikt. En dan komen we toch al heel dicht bij 1800, voordat dat een beetje verdwijnt. Zelfs heel vrome mensen gebruikten het daar.

Als je nu in Nederland over dier‑magie moet spreken, dan is het de vraag welk dier zou Nederland moeten hebben? Een leeuw? Neem me niet kwalijk, de Nederlandse Leeuw is een pop, die alleen brult, als een buikspreker hem bedient. Ik geloof dus niet dat dat redelijk zou zijn. Den Haag een ooievaar? Het bevolkingsaantal loopt terug. Dus daarmee moeten we even voorzichtig zijn. Ik geloof niet, dat je in Nederland met dier‑magie veel zou kunnen doen. Toch kent men ook hier bepaalde symbolen.

Een hond b.v. staat voor trouw. Nu bestaat er (het is uit de Achterhoek) een receptje waarmee "minnaressen zich de trouw hunner minnaars kunnen verzekeren." Gedateerd en het laatst gepubliceerd omstreeks 1870 Daar hak je een paar hondenharen in. Ik weet wel niet hoe je die hondenharen bij een minnaar naar binnen krijgt......Hier is dus kennelijk de hond als symbool van trouw aanwezig. Ik geloof, dat dat voor de Nederlandse magie wel zo ongeveer het enige is.

Er bestond nog wat vogel‑magie in het noorden, hoofdzakelijk op de eilanden. Het meest kwam het voor op Vlieland. Daar had men het symbool van de meeuw, speciaal de kopmeeuw. Daarvan werd gezegd, dat je een ziel kon laten wegvliegen als een meeuw. Dat was eigenlijk een middel om te zien. zo werd het beeld van een meeuw (vaak ook een opgezette meeuw) gebruikt bij bepaalde wichelarijen, vooral als het erom ging om te zien, of schepen waren vergaan of niet. Dat is weer begrijpelijk. Die mensen zaten in omstandigheden waar dat een rol speelde. Typerend is ook, dat van heksen wordt beweerd dat zij met breipennen in eierschalen roeien, wanneer zij de storm oproepen op zee. Hier is ook weer het vogelelement ergens mede aansprakelijk. Een vogel betekent: kunnen vliegen, begrenzingen overschrijden. Het betekent a.h.w. het vermogen tot registreren van iets wat elders niet zichtbaar is.

Laten we nu eens kijken hoe in Egypte de schrijver der goden werd uitgebeeld. Vreemd genoeg als een Ibis , een vogel.

Laten we dan nog een eind verder gaan. Er wordt in China een soort rijstvogel beschouwd als de spion van goden en demonen.

Als we gaan kijken in Zuid‑Amerika, dan vinden we daar ook bepaalde diersoorten, die worden beschouwd als godensymbolen. De gier b.v. werkt hier en daar nog als symbool van strijd. Je zou het niet zeggen. Je zou denken: prooi verslinder, dood aas eter. Maar in bepaalde streken is hij nog het symbool van strijdbaarheid. En dat is zeer waarschijnlijk, omdat men ‑ gezien de vreemde hals van het dier ‑ op hem de symboliek van de gevleugelde slang heeft overgedragen. Elders is de adelaar bekend of de condor. Deze worden beschouwd als grote jagers, ontzettend scherp ziend, geheim­zinnig, je weet nooit precies waar ze naartoe gaan en als vertegenwoor­digers van goden, geesten, of van voorouders. Dat is trouwens ook in Noord‑Amerika het geval geweest.

Er is b.v. bij de Sioux-indianen een onderstam geweest, die speciaal als totem de adelaar had. Als je dood ging, werd je een adelaar, indien je een groot strijder was geweest. Men nam zelfs aan, dat indien de stam in gevaar zou verkeren, er adelaars zouden komen om de stam te helpen, Dat is ook alweer dier‑symboliek.

Nu zult u begrijpen, dat als iemand in de Andes b.v. een bezwering wil doen, hij een condor laat meespelen. Die geheimzinnige macht daarbo­ven, die waarneming, die schaduw welke voorbij gaat die dood kan dragen, die je kunt aanroepen voor bescherming en je kunt hem misschien ook vra­gen je tegenstander te doden. Het is ook heel duidelijk, dat de Sioux in al hun bezweringen de adelaar een rol lieten spelen; dat ze bij hun dansen de adelaarsdans hadden. Zo kennen we trouwens heel veel vogeldansen.

Als je gaat kijken in Afrika, dan vind je daar ook een groot aantal ‑vogel‑en dierdansen. Sommige daarvan worden na de jacht uitgevoerd. Dan zijn ze niet veel meer dan een mogelijkheid voor de dansers om te laten zien hoe goed ze gejaagd hebben en hoe ze hun prooi te pakken hebben gekregen. Maar er bestaan ook bepaalde dierdansen, die een andere betekenis hebben. Zo heeft een bepaalde stam de dans der patrijzen. Hier wordt een vogelsoort uitgebeeld. Het blijkt een paringsdans te zijn, die heel wat verder gaat dan u zou denken. Het is een inwijdingsceremonie waarbij de jongemeisjes voor het eerst te maken krijgen met het andere geslacht. Van dat moment af zijn ze vrouwen en hebben ze een veel grotere vrijheid.

Gaan we kijken naar de Luipaardmannen, de Alligatormannen en de Leeuwmannen in Afrika, dan worden we weer geconfronteerd met mensen, die zich hullen in een symbolisch gewaad en daardoor voor hun eigen gevoel worden tot luipaard ,alligator, leeuw. Kortom, ze gaan beschikken over machten en gelijktijdig, omdat zij vertegenwoordigers zijn van de goden, een zekere zeggenschap krijgen over de natuurlijke dieren van dezelfde vorm. Hier is dus het aannemen van het uiterlijk van een dier het symbool van een macht, die ergens bij een god berust, maar die men door zijn gestalte a.h.w na te bootsen, ook op aarde verkrijgt.

Het is opvallend dat in de dier‑magie het dier eigenlijk altijd weer iets anders vertegenwoordigt. U denkt waarschijnlijk. Ach, symbolen! Symbolen, inderdaad.

Als ik een heraldiek dier beschouw, dan zie ik vaak een beest dat niet bestaat. Een éenhoorn b.v. Ik kan u vertellen hoe men aan die eenhoorn is gekomen. Het komt voort uit een misverstand van een beschrijving van bepaalde gazellensoorten en een neushoorn. Daaruit is de eenhoorn ontstaan. De éénhoorn is het begrip van een mate van kuisheid, van schuw­heid. Hij kon alleen door een maagd gevangen en bereden worden. Wat erg vervelend was als je zo'n rijdier had, want je kon nooit trouwen, dan was je meteen je rijdier kwijt. Hier moest de mens een symbool maken voor de denkbeelden die hij had. Laten we dat niet vergeten, want we spreken zo gemakkelijk over de symboliek als: nu ja, dat is allemaal ontstaan uit wat we in de natuur hebben gezien. Maar vaak is het ook omgekeerd.

Wij zien iets in onszelf en proberen daaraan vorm en gestalte te ge­ven. En dan wordt ons diersymbool niets anders dan een soort parabel. Als we nu kijken naar de eenhoorn‑bezwering die in Ierland heeft bestaan, dan komen we met grote verbazing tot de ontdekking dat de eenhoorn in die oude tijd eigenlijk diende als een middel om in vrede te kunnen reizen. Dat is heel eigenaardig. Het beeld van de eenhoorn werd dan getekend meestal met houtskool op steen, daaromheen werd ook nog een aantal lampen gezet, er werd reukwerk verbrand en dan zei men: "Zoals de eenhoorn onaantastbaar is, zo onaantastbaar maak ik u." Dus het was het overdragen van de eigenschappen van iets wat alleen maar een legende was.

Met dit alles weten we voorlopig toch wel waar we aan toe zijn. Ik kan nog kort een paar opmerkingen maken en daarmee besluiten.

Laten we dan heel eenvoudig beginnen met de Dierenriem. Waarom Dierenriem? Omdat we dieren gebruiken. Waarom gebruiken we dieren voor het grootste gedeelte daarvan? Omdat ze voor ons typen van mensen lijken weer te geven. De Stier, de Leeuw, de Vissen, de Schorpioen enz. Menen wij nu dat de mensen die eigenschappen hebben? Waarom hebben wij die beelden aan de hemel getekend? Omdat ze voor ons betekenis hebben.

Als ik een beroep doe op de leeuw en ik zou dat in de moderne magie doen, dan doe ik daarmede niet alleen een beroep op natuurlijke eigenschappen (voor Nederland is dat zelfs ondenkbaar, ik heb het al gezegd), maar ik zou een beroep doen op de eigenschappen, die door een deel van de kosmos worden vertegenwoordigd, ook als ik dat zelf niet helemaal besef. Als u zich associeert met een leeuw, dan zult u in 9 van de 10 gevallen eerder aan het sterrenbeeld denken. indien u met magie bezig bent dan aan een natuurlijke leeuw, die voor u alleen maar een tamelijk gevaarlijk showstuk is in de dierentuin.

Als u spreekt over een schorpioen, dan denkt u heus niet aan dat wonderlijke wezen, dat insect, dat zo levensgevaarlijk kan zijn en dat u overal in het Verre Oosten wel kunt aantreffen. Dan denkt u eerder aan een bepaalde karakteristiek. U beroept zich op een harmonie met die karakteristiek. Wij kunnen dieren dus ‑ onbewust misschien ‑ gebruiken als symbolen voor eigenschappen, maar ook voor een bepaalde afstemming. En in dit verband is het opvallend, dat kosmische denkbeelden en kosmische symbolen ook al door Paracelsus werden gebruikt in de vorm van diersymbolen. Bij Paracelsus is het diersymbool een tekening van een wolfskop, een verslinder van de ziekte, maar in wezen betekent het een harmonisatieproces. Met andere woorden: dit tekeningetje tezamen met een paar vreemde namen waaronder ook die van de heer Ligion (?) wordt genoemd, vertegenwoordigt niets anders dan harmonie, het herstellen van evenwicht.

In andere gevallen zien wij dat een slang wordt gebruikt om de wijsheid aan te duiden. Hoe men daaraan komt? Mogelijk heeft het bijbelverhaal daarin mede een rol gespeeld. Waarschijnlijk is het een overdracht van bepaalde vormen van slangenverering, die zoals u weet in het Oosten bestaat. Hoe het ook zij, de slang wordt getekend. Haar begrip is wijsheid. Als ik dus dit symbool in een bepaalde formule invoeg, die overigens uit allerlei symbooltekens bestaat, dan eis ik wijsheid of ik maak wijsheid tot regent over het geheel. Het ligt aan de plaats waarop het staat. De diertekening is dus in feite de weergave van een eigenschap.

In de huidige magie wordt overigens het dier weinig of niet meer gebruikt. Iets anders is het, indien wij te maken krijgen met de Grimoires die wat ouder zijn. Daarin vinden wij dieren genoemd, maar vooral als bestanddelen van o.m. bepaalde reukwerken en zalven. Hier zal degene die de werkelijke bestanddelen gebruikt zich grondig vergissen. Zo bestaat er een recept waarin men moet brengen:eén poot van een duif, het oog van een koe, de hersens van een ekster, een paar druppels bloed van een leeuw en dan hoort er nog een stukje haar van een gehangene bij. Iemand, die dat klaarmaakt, heeft wel een walgelijk mengsel, maar hij bereikt niet wat hij werkelijk wil hebben. Ekster: diefachtig wezen; grote bewegingsvrijheid; datgene wat mij iets kan toevoeren. Bloed van een leeuw: de moed die ik nodig heb. Ik geef u maar een paar voorbeelden. Op deze manier maak je een aantal eigenschappen duidelijk.

Die eigenschappen betekenen de instelling van de magiër. Voor het reukwerk of voor de zalf worden dan bestanddelen gebruikt, die de eigenschap ervan symboliseren; dus niet de werkelijke bestanddelen. Hier is het dier dus geworden tot geheimtaal. En wat dat betreft, wat moeten wij denken van een der Grimoires waarin letterlijk wordt gezegd dat "de magiër zich opstellen als een ram tegenover de zon. Daarna sist als een slang, waarop hij blaffend als een hond aankondigt dat de nacht verdreven zal worden."

Als je dat hoort, dan zeg je: Die man moet zich als een idioot aanstellen. Maar wat is de eigenschap van de ram? Als hij een tegenstander ziet, dan valt hij frontaal aan. Met andere woorden: de magiër moet zich niet met bijkomstigheden bezighouden. Hij moet zich precies voorstellen wat hij eigenlijk wil gaan doen en zich daarop richten.

Dan moet hij sissen als een slang; m.a.w. hij moet waarschuwen met de kracht die hij bezit. Dat kan b.v. "In de naam van het Zegel en van de geheime Naam die ik ken." dat is gewoon een formule; dat is hol sissen van de slang.

Dan moet hij blaffen als een hond. Wat doet een hond? Een hond is waaks. Een hond heeft vaak de neiging, wanneer het buiten donker wordt (een waakhond dus) om even wakker te schrikken en te blaffen om duidelijk te maken: er is iets aan het veranderen. Als de magiër moet blaffen als een hond, dan moet hij bijzonder waakzaam zijn, wanneer de verandering komt die zijn bezwering heeft opgeroepen. En dat impliceert dan weer dat hij de juiste incantatie moet klaar hebben, dat zijn wapens op de juiste manier moeten zijn ingesteld, dat hij het juiste Zegel moet bezitten. Het is dus niet zo dwaas als u zoudt denken.

Hier is het symbool weer een geheimtaal geworden waardoor het gedrag van de magiër wordt aangeduid. Ik zou zo verder kunnen gaan, want wat de mens met het dier al niet heeft gedaan en ook heeft aangedaan, is onbegrensd. Als, jij horen, dat iemand b.v. een persoon een "zoon van een teef" noemt, dan acht ik dit een belediging voor dit dierlijk ras, want het is in zijn eigenschappen eerlijker en wat mij betreft ook betrouwbaarder dan menig mens .

Voor mij is de diersymboliek in de magie een poging van de mens om vanuit de hem bekende wereld en de hem bekende voorstellingen iets te abstraheren wat goddelijke, althans niet zichtbare of bovennatuurlijke waarden weergeeft. Het dier is de voorstelling geworden van het onbenaderbare en daardoor niet alleen benaderbaar geworden, maar zelfs binnen het machtsbereik van de magiër gebracht. Want de mens is meester over het dier; althans kan er meester over zijn. Als hij de godheid terugbrengt tot de gestalte van een dier, dan maakt hij hem daarmee tot een wezen, dat ook aan hem zal gehoorzamen.

Als ik van Horus de gekroonde Valk maak, dan maak ik van Horus een kracht, die mede zal moeten reageren op mijn bezweringen en mijn weten. Zo is het altijd geweest en zo zal het wel blijven. Want het belangrijkste voor de mens is in het begin van zijn bestaan (hij was een jager) het dier geweest.

Zo heeft hij het dier langzaam maar zeker doen infiltreren in elke denkwijze, in elke filosofie. Zijn primitieve magie was gebaseerd op het dier.

Maar ook later heeft hij het dier gezien als de belangrijkste mogelijkheid om, in zijn magie datgene weer te geven wat hij wilde bereiken, om krachten te personifiëren op een wijze, waardoor ze voor hem beheersbaar werden.

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

19-02-08

REALITEIT, MYSTIEKE EN MAGISCHE ACHTERGRONDEN.

 

 

Wenst  u  zelf  een voordracht  van "Gene Zijde "  bij te wonen ?  Dat kan op donderdag 21 februari 2008 om 20 uur.            Voor inschrijving  tel  03 252 74 70


Realiteit, mystieke en magische achtergronden.

 

De wereld is werkelijk, maar in hoeverre de wereld werkelijk is kun je nooit zeggen. Elke mens leeft in zekere zin geïsoleerd; hij is afgezonderd van de anderen en hij ziet uiterlijke verschijnselen. Deze verschijnselen zijn zijn eigen interpretatie van die wereld. Het zal u duidelijk zijn dat een mens, die in zijn denken verandert, daarmee ook zijn wereld verandert. Nu hebben wij een zekere werkelijkheidszin, een relatie die van jongs af aan is opgebouwd met de omgeving en deze beperkt ons vermogen natuurlijk wel om veranderingen aan te brengen. Toch weten wij dat een mens, die onder sterke suggestie staat, heel andere dingen ziet dan de anderen. Hypnose, een vorm van suggestie, is één van de verschijnselen waarbij wij deze vlucht a.h.w. naar een nieuwe werkelijkheid goed kunnen constateren.Nu zijn er mensen die denken: Ach dat is dan gesneden koek, daar kan ik dus alle kanten mee uit, maar er bestaan een aantal belemmeringen. In de eerste plaats kun je niet iemand ertoe brengen iets te zien of te beleven dat niet behoort tot zijn eigen persoonlijkheid. Hij kan wel een andere wereldrelatie scheppen voor zichzelf, maar hij kan dat alleen doen aan de hand van zijn persoonlijkheidsinhoud. Je kunt dus iemand die eerlijk is er niet toe brengen om te stelen; je kunt hem wel suggereren dat iets het eigendom is van een ander en dat hij dat terug moet brengen. Het resultaat is wel hetzelfde, maar u zult zien dat dus de wereldbenadering, bij de sujetten dus, elke keer anders is. Dit brengt mij als vanzelf tot de vraag of deze schijnwerelden, of hoe u het noemen wilt, suggestiewerelden, werkelijkheidwaarden bezitten. En dan worden wij geconfronteerd, ondermeer, met het ontstaan van lichamelijke traumata, verwondingen dus, kwetsuren, die door niet stoffelijke oorzaken of psychische oorzaken ontstaan. Hier wordt werkelijk een beleving doorgemaakt die in het lichaam mee tot uiting komt. Er moet dus, althans voor de persoon zelf, werkelijkheid aanwezig zijn want anders kan hij zo niet reageren. Ik dacht dat je hier dus een scheiding van wegen vindt. Aan de ene kant hebben wij een normale wereld, waarin dit een afwijking is; maar aan de andere kant hebben wij deze persoonlijke wereld, waarin dus een andere werkelijkheid het "ik" volledig kan domineren. Dit nu is de basis van een groot gedeelte van het denken en van het geloof van de mensen. Wanneer wij nu kijken bv. naar Egypte, dan zien wij dat de mensen beginnen met natuurgoden: Isis en Osiris, maar dan komt er een man die een zedenleer brengt. En zodra die zedenleer ontstaat, ontstaat het denkbeeld van "beoordeeld worden". Wij krijgen dan te maken met het hof van de rechters. Op het ogenblik dat dit beeld van hogere rechtvaardigheid gaat domineren, zien wij de mens weer grijpen naar het magische middel ondermeer de scarabee "indien mijn hart wordt gevraagd zo antwoordt gij" en dat soort dingen. Er is sprake van een zekere magie, want de mens stelt zich voor dat het anders kan zijn; hij gelooft niet in de onveranderlijke wereld van Goden, maar hij gelooft wel in de onvermijdelijke wereld van Goden. Ik geloof dat dit verschil weer te herleiden is eigenlijk tot wat ik daarnet heb gezegd, namelijk: Er is een algemene weg, dat is de onvermijdelijkheid van de Goden, maar er is ook een persoonlijke weg: de veranderlijkheid van de Goden; je kunt de Goden beïnvloeden. Het is dit denken, waaruit in wezen, zowel mystiek als magie groeien. Er ontstaat zelf een vorm van eerste filosofische logica, die bij de Grieken goed gestalte krijgt die dan verdergaat en ondermeer via Cineas en Spinoza vorm geeft aan wat men tegenwoordig humanisme noemt. In dit denken nu, ga je uit van de mens van een persoonlijke waarde, maar je gaat ook uit van de wereld als een onveranderlijke waarde. Zodra ik daarnaast grijp naar een geloof, met uitzondering in zekere zin van het zuivere Boeddhisme, dan zie ik altijd weer die oude intrige tegen de Goden, het beïnvloeden, het veranderen van God tegenover je, een grote rol spelen. En dit is geloof ik wel, ook de basis geworden van magie. Want wij kunnen nu wel teruggrijpen naar de primitieve sjamanen, de eerste wonderdoeners, en zeggen dat wat zij deden, deels bedrog, deels wijsheid was. Maar het is zeker dat die mensen daarin vaak zelf geloofden en het is maar de vraag of zij, krachtens dit geloof, niet méér konden presteren; zij hadden echter géén vaste achtergrond: er was een geloof nodig waarbij beïnvloedbare Goden of een beïnvloedbare relatie God - mens werd geponeerd, voordat wij konden komen tot de magie die a.h.w. ritueel met eigen logica functioneert. En dat blijft, tot op deze dagen dacht ik,,ergens gehandhaafd. Wij hanteren een logica, en die is gebaseerd op een wereld waarvan wij veronderstellen dat zij waar is. Nu kunnen wij natuurlijk zeggen: Ja, maar ik weet dat het zo is; dat kan persoonlijk waar zijn, het is een persoonlijke wereld. Maar het is zeker niet zo dat het gestelde altijd en overal en voor iedereen gelijkelijk waar is. Daar zit nu het haakje: wanneer ik een vertekening van mijn wereld projecteer, door een verandering van mijn denken, dan wordt mijn persoonlijke relatie met die wereld daardoor verder bepaald. Maar dit is niet gelijk aan de relatie die een ander, ten aanzien van zijn wereld heeft. Het houdt zelfs in dat er vele verschillende soorten van logica ontstaan zijn. Er is een logica bv. waarbij wij uitgaan van onbewezen feiten. Er is een filosofie waarbij wij uitgaan van bewezen feiten en deze dan bedelven onder veronderstellingen.Wanneer wij zelf leven en zo denken, dan vinden wij in de wereld het bewijs voor datgene wat wij geloven, datgene wat wijzelf zijn, of prediken, wordt bewezen voor ons, door onze relatie met de wereld. Wij kunnen meestal niet begrijpen dat het voor een ander niet zo is. In de magie heeft men toen geprobeerd en, dat is ongeveer een drieduizend jaar oud, om een systeem te vinden waarin dus de verschillende wereld-mensrelaties allen een gelijksoortige formule konden gebruiken want, zo zei men, wanneer mijn verhouding met de wereld (toen zei men de Goden en demonen, maar 't komt op 't zelfde neer) - Ja uw wereld is er een van Goden en Demonen, alleen zijn ze er allen in menselijke gedaante, dat moeten wij nooit vergeten. Dus die relatie die werd erkend en men zei: Wanneer ik een spreuk hanteer, dan zal voor mij die betekenis van die spreuk in overeenstemming zijn met mijn eigen visie op de wereld; de inhoud, de geestelijke betekenis van een spreuk zal zich dus ook wijzigen, naarmate de denker anders is. Zo komen wij aan een paar vreemde dingen: Die magie die heeft dus een aantal grondwetten gesteld en het wonderlijke is dat die grondwetten, in zichzelf, weer een logica bezitten. Er is allereerst de stelling die het meest bekend is geworden: de smaragden tafel: Zo boven, zo beneden. Dat wil zeggen dat de kosmos a.h.w. de wereld spiegelt en dat de spiegeling van de wereld het wezen van de kosmos weergeeft. Hier is een onvermijdelijke relatie geschapen en daardoor wordt het ook logisch dat ik zeg: Wanneer ik hier iets verander, verander ik daar iets. Maar wanneer ik daar iets verander, zal het ook hiermee veranderen. Die mensen die hadden het denkbeeld: wanneer ik geestelijk bv. een relatie wijzig, dan zal zich dat op aarde weerkaatsen. En vergeet niet: Dit is logisch, wanneer men daar volledig in gelooft, dan suggereert men zichzelf die andere verhouding en daarmee de waarheid van de wijziging. Dat klinkt krankzinnig, maar die magie gaat nog verder. Zij zegt: Alle dingen hebben een kerneigenschap; alles is opgebouwd uit één en dezelfde kracht: de Goden, de mensen, aarde, bloemen, struiken, het gesteente, het is allemaal één en dezelfde kracht. Daardoor kunnen alle dingen op elkaar responderen en zullen eigenschappen die strijdig zijn elkaar aantrekken. Dat is een principe die in de magie heel vaak wordt gebruikt en wij vinden het ook in latere meer mystieke leringen terug. Bv. het denkbeeld: Wanneer je ziek bent dan zal je medicijn in de buurt groeien. Dat was vroeger misschien redelijk waar, tegenwoordig lijkt het mij zéér onredelijk, want hoe kunnen planten zich handhaven in de asfaltwoestijnen, die u ter verfraaiing van het menselijk zijn hebt gecreëerd. Maar goed, dat denken is er dus en dan moet ik verdergaan. Wanneer een bepaalde plant bv. eigenschappen heeft, dan zijn dat niet alleen de eigenschappen van de plant, maar ook van andere krachten. Zo dacht men bv. dat Ridderspoor in zich stoffen droeg welke de mens in contact konden brengen met bepaalde demonen. Vingerhoedskruid en dergelijke ook natuurlijk. Wij weten dat daar een stimulerende, maar giftige, stof inzit. Wij weten dat tegenwoordig en daarom geloven wij niet meer aan de demon. Maar voor die mens ontstond een toestand, waarin hij een demon beleefde. Bij het gebruik van dit kruid creëerde hij gevolgen, die hij aan een demon toeschreef. Het is geloof ik erg belangrijk dat ge dit in de gaten houdt. De mens geloofde in die relatie en het geloof daarin maakt: het waar. Misschien moet ik dan maar weer teruggrijpen naar meer evangelische voorbeelden.Wij horen vertellen dat Jezus velen geneest; wij horen nooit dat Hij allen geneest. Kennelijk zijn er voorwaarden verbonden aan die genezing en, gezien de uitspraak die wij horen, o.a. bij de Romeinse hoofdman Nossuat, dat is toch wel in hoofdzaak "geloof". Met andere woorden: Jezus kracht en werkelijkheid functioneert door diegene die die kracht en werkelijkheid aanvaardt. Het klinkt misschien Godslasterlijk als je het zo zegt, maar het is niet als zodanig bedoeld. Het is een poging om te zien wat de relatie is en dan blijkt hier dat het volledige geloof in Jezus het volledige wonder tot stand brengt. Dus de gebeurtenis die tegen alle verwachtingen en denkbeelden van de mens ingaan, die alleen in een geloofswereld denkbaar zijn; het gaat tegen de logica in, de normale logica. Nu stel ik: Daar de magie voor zich bepaalde voertuigen heeft willen scheppen om een andere logica te hanteren, naast de bestaande, zal zij voor diegenen die in haar geloven werkzaam kunnen zijn. Maar haar middelen en logica zijn niet noodzakelijk voor het bereiken van de resultaten. Dat is, voor menig magiër, misschien erg bitter. Wanneer je de mensen bv. bezig ziet met de goena goena, die wij in het zuiden van Azië veel aantreffen, dan va1t op dat de magiër vaak gelooft dat hij zijn eigen geest of een deel ervan of van zijn eigen mannas geeft. Zijn bezwering is gebaseerd op de uitwaseming a.h.w. die hijzelve heeft en de uitwaseming van anderen, waarvan hij delen verzamelt: haar, huidschilfers enz.. Voor hem werkt dat over het algemeen nog wel, maar hij gaat uit van vaste regels. Nu blijkt dat er magiërs zijn die aan Goena goena doen en die nooit de werkelijke recepten hebben geleerd; zij fantaseren maar wat, maar zij halen precies dezelfde resultaten. Hoe kan dat? Volgens de volkslegende worden deze mensen onderwezen door demonen of door geesten. In werkelijkheid zou je moeten zeggen: Die mensen hebben gewoon voor zich eveneens een werkelijkheid geschapen, waarin dat waar kan zijn; zij hebben een persoonlijk overwicht en daardoor kunnen zij dit beeld van waarheid aan anderen overdragen. Dat is een wereldconcept, onder bepaalde omstandigheden, overdraagbaar en dan zullen de gevolgen daarvan eveneens overdraagbaar zijn. Gaan wij nu kijken bij de Voodoo bv., in feite een variante op de groene magie van Afrika zoals u weet, die dus in het gehele Caribische gebied sterk vertegenwoordigd is en tegenwoordig ook in de meeste landen van Zuid-Amerika. Bij de Voodoo zien wij een soort schertsend gebruik van symbolen. De Heer van de Dood is bv. ergens het beeld van een doodbidder, maar ook van een vogelverschrikker gebouwd om een kruis. In de zuidelijke delen van Amerika vinden wij zelfs nog veel dichtere benaderingen van het christendom, of moeten wij zeggen: een parafrazering van het christendom? Hier blijkt dat men werkt met ondermeer natuurkrachten, maar daar naast zie je veel met middelen en ook stoffen dus, sappen, poeders ontleend aan de natuur. Belangrijk is hier ook: het bloed. Dat is overigens overal nogal belangrijk; wij worden hier overigens weer geconfronteerd met het oude bijgeloof: men wist niet waarvoor bloed diende, maar zonder bloed leefde je niet dus moest dat al de bijzondere krachten van een geest of van iets anders, of van een leven, in zich dragen. In de Voodoo blijkt weer dat de tovenaar of tovenares een bijzonder overwicht nodig heeft en in de tweede plaats hebben zij een symbool nodig. Dat symbool is belangrijk omdat dat de aanvaarding betekent door de gelovigen. Eenieder die maar enigszins hieraan gelooft, kan door suggestie overtuigd worden dat de werkelijkheid van de Voodoo volledig waar is. Betekent dat dat er demonen zijn, ook in deze tijd? Ik geloof niet direct, maar de mens schept natuurlijk wel demonen, je zoudt kunnen zeggen: astrale figuren of schijnfiguren, die toch een eigen leven gaan leiden door de energie, de gedachtekracht die erin geprojecteerd is. Maar van werkelijke demonen hoor je werkelijk heel weinig. Opvallend is verder dat de mens sterk gedomineerd wordt door een bepaalde levensbeschouwelijke visie. Dat impliceert eigenlijk dat hij dus erg vaatbaar is voor leefregels. De oude magiërs hadden vaste leefregels en de moderne heksen, die je in Engeland nog terugvindt, blijken eveneens zeer stringente regels te hanteren die eveneens leefregels, dus een soort moraal, omvatten. Is de vatbaarheid van de mens voor deze moraal dan zo groot? Oppervlakkig lijkt dat dwaas, maar "moraal" betekent: oordelen over goed en kwaad. Het is a.h.w. een hernieuwing van een zondeval. De zondeval is ook het besef van goed en kwaad, vergeet dat niet. En daarmede schept de mens dus een andere relatie tussen zichzelf en de wereld. Op het ogenblik dat ik een bepaalde zedelijke code aanvaard als juist, aanvaard ik een relatie met mijn wereld, een beoordeling van mijzelve door die wereld die niet reëel behoeft te zijn maar die voor mij volledig werkelijk is en waardoor al mijn reacties dus verder beheerst zullen oorden.Nu kunt u zeggen: Ja, goed, maar is dat nu magie? Ja, dat is magie en gelijktijdig een vorm van mystiek trouwens. Kijk eens, in de mystiek vinden wij de mens die zich losmaakt van zijn eigen wereld en een totaal andere werkelijkheid betreedt. Hij vindt in die andere werkelijkheid verklaringen die op zijn eigen wereld niet gelden; hij ondergaat krachten die niets meer te maken hebben met de krachten van zijn wereld en vreemd genoeg blijkt hij daarop soms lichamelijk te kunnen reageren. Ik denk hier aan de verschijnselen van levitatie die hier en daar geregistreerd zijn. Dat zijn reacties op mystieke toestanden, waarbij dezwaartekracht niet bestaat en waarbij dus het lichaam ook niet meer door de zwaartekracht schijnt beïnvloed te worden. Er is een tegenkracht ontstaan. Dan zou ik, van mij uit, u het volgende eens willen voorleggen: U hebt een bepaalde wijze van denken, dat is uw basis: de wijze van leven en denken. Deze is voor u volledig geldig. Ga, daarvan uit. Wanneer deze visie op de wereld gewijzigd wordt, dan wijzigt zich daarmee uw hele wereldbeeld en uw wereldaanvaarding en daarmee uw eigen toestand te midden van de wereld. Is dit aanvaardbaar? Dan moet u eens naar deze tijd kijken. De doorsnee mens van vandaag leeft veel beter dan zelfs zijn zéér nabije voorouders van, laat ons zeggen: zestig à zeventig jaar geleden. Toch werd er in die tijd méér gelachen, was er meer tevredenheid dan in deze dagen. Hoe komt dat? Omdat de mens anders is geworden, of omdat zijn visie op de wereld anders is geworden? In de nabije oude tijd was de visie van de mens op de wereld er een van een zekere onderworpenheid; er zat een zeker fatalisme in. Maar juist door de aanvaarding van het lot, was het mogelijk om met de verschijnselen in dit lot, prettig te leven; je kon jezelf vreugde scheppen uit heel weinig. Tegenwoordig gaat men uit van het standpunt dat men steeds meer moet eisen, maar dat betekent een vertekening van je wereldbeeld. Inplaats van de nadruk te leggen op hetgeen je méér krijgt dan je toestand in wezen suggereert, kijk je nu naar datgene dat je tekort komt, ten aanzien van datgene wat je wezen als juist suggereert. Maar dan is het ook logisch dat je die wereld anders gaat beleven. Er is, ondanks die welvaart, in de moderne tijd, juist in de rijkere landen véél meer zorg, ellende en innerlijk conflict en veel meer onzekerheid dan in arme landen, die nog niet zover zijn gekomen dat zij ontevredenheid beschouwen als een rechtmatige instelling ten aanzien van het leven. Dan wordt dus het wereldbeeld van vandaag, voor een groot gedeelte althans, bepaald door de instelling van de mensen. Indien de mensen hun instellingen veranderen, verandert de wereld, maar het beeld van die wereld van die mensen heeft niets te maken met werkelijkheid zonder meer. Er is een deel werkelijkheid in, maar het merendeel ervan is illusie. Dat klinkt natuurlijk een beetje onplezierig. De mensen in deze dagen denken vaak dat zij nou toch wel het grootste gedeelte van de natuur ontleed hebben, dat zij toch erg veel weten, daar hebben zij, vanuit hun eigen standpunt, redenen voor omdat zij, bewust of onbewust, hun wereld hebben gebaseerd op hun eigen erkennings mogelijkheid en daarmede dus ook de wereld benauwder, enger hebben gemaakt en daarmede voor henzelf misschien gemakkelijker hanteerbaar. Worden diezelfde mensen met onzekerheid geconfronteerd, dan zien wij dat zij aanpassingsmoeilijkheid hebben. Dan is er die neiging om de gezagspositie van zekerheid over te dragen in een wereld die men niet beheerst. Dan ligt één van de grote gevaren van deze tijd, eigenlijk in deze verandering van wereldbeeld, verandering van denken dus, waarbij men zich blijft baseren op de bereikingen die men meent te bezitten. Hier ligt dus het grote gevaar: je denkt dat je onaantastbaar bent, maar vergeet dat je op het ogenblik, dat je eigen visie, je eigen wijze van leven of je eigen wijze van denken verandert, de wereld anders gaat reageren. Daardoor zullen mensen er vaak toe komen om experimenten te doen die niet helemaal verantwoord zijn Daardoor zullen er mensen vaak toe komen zekerheden te verkondigen die in wezen niet zo bestaan, en voor anderen zeker niet zo kunnen bestaan. Wat moeten wij dan doen?De magie heeft er enkele regels voor, die overigens uit de Arabische periode stammen: Wanneer wij een vermoeden hebben zullen wij deze door het experiment moeten bewijzen. Een experiment is slechts dan geldig als bewijs, wanneer het meerdere malen herhaald kan worden onder gelijke omstandigheden en tot gelijksoortje resultaten leidt. Daar zien wij dus dat de wetenschap het toch anders zegt; die zegt: dan moeten er ook gelijke resultaten zijn en dan zegt de magie: gelijksoortige, want de geestelijke verschuivingen kan ik niet registreren maar er moet een zekere parallelliteit tussen de verschijnselen die ik veroorzaak. En dan zegt zij prompt daarop: Het experiment is altijd gevaarlijk, punt één. Punt twee: Het zal daarom moeten dienen om een inzicht te verkrijgen, dat wij in onszelf als zekerheid gevoelen. Zodra,wij een zekerheid in onszelf gevonden hebben en deze, middels symbolen,tot uitdrukking weten te brengen, is het experiment gevaarloos geworden. Dat klinkt nu krankzinnig en als dat over atoombommen of zo wordt gezegd, dan lach je erom, maar hier is dus weer dat denkbeeld van die wereld ergens in het middelpunt getrokken.Wanneer ik zeker ben en ik heb tekenen in mijn eigen wereld, waardoor die zekerheid in mijn wereld althans voor mij volledig bestaat, dan zullen alle gevolgen die ontstaan, voor mij (dus voor uzelf, niet voor een ander) in overeenstemming moeten zijn met uw wereldbeeld, met uw eigen vertrouwen. Dat is één van de redenen waarom, in deze moderne maatschappij, magie zo moeilijk bruikbaar is en waarom zij ook altijd conflicten zal oproepen. U leeft in een zogenaamde dynemaatschappij dat wil zeggen: dat men zoveel mogelijk alles standaardiseert,onder een bepaalde noemer brengt en dan als volledig gelijksoortig hanteert. En dat is een gewoonte die ook bij u bestaat, in uw benadering van op wereld. Er zijn mensen die zeggen: een stoel is een stoel. Dat is niet helemaal waar, probeert u maar eens een elektrische stoel. Wanneer wij dus zeggen: alles is gelijk dan maken wij een fout. U kunt zeggen: een tafel is een tafel, ja, inderdaad maar er kunnen grote verschillen zijn in de eigenschappen, in de doeleinden, zelfs in de constructie, in de mogelijkheden. Wanneer wij blind worden voor de diversiteit door onze neiging tot normen, dan komen wij als vanzelf in een wereld waarin magie niet hanteerbaar is. Alle dingen hebben een eigen structuur. Wanneer ik zeg deze tafel, dan is dit een tafel maar zij is niet identiek aan enige andere tafel, ook wanneer zij uiterlijk volledig gelijk schijnen te zijn, zijn er bepaalde afwijkingen in hun structuur, in evenwicht, in vezelvorming, in eventueel moleculaire structuur. Het is zelfs mogelijk dat in één tafel verschillende tempo van moleculaire rotatie zich kunnen manifesteren. En dat bepaald wat die tafel kan zijn of kan doen. Stem ik mij af op deze tafel, dan kan ik met deze tafel dingen doen, die ik later met een andere wil herhalen maar dan gaat het niet, want ik heb mij niet gerealiseerd dat ik mij eerst helemaal opnieuw moet instellen op die andere tafel. En dat is met mensen natuurlijk nog veel erger. De mens heeft, door zijn modebesef, zijn na-apingsdrang, ongetwijfeld uiterlijk een zekere gelijkvormigheid met anderen en het is dan ook gemakkelijk om iemand bv. in astrologische types in te delen. Men zegt: Dat is een leeuw, die brult. Dat is een tweeling die twijfelt altijd tussen uitbundigheid en teruggetrokkenheid. Dat is een weegschaal; brutaliteit en melancholie wisselen elkaar af! En zo ga je door, maar dat kan nooit waar zijn, want ook elke mens is anders. Als elke mens anders is, dan zal de mogelijkheid om een wereld te beleven, voor elke mens anders zijn. Dan zal God, zoals Hij beleefbaar is, voor elke mens toch weer anders zijn. Er is geen eenheid vanuit ons niveau te stellen.

Daarmee heb ik het eerste deel wel afgesloten, waarin mijn hoofdstelling was: Dat een absolute gelijkvormigheid praktisch niet voorkomt, dat "denken" de "ik - wereldrelatie" bepaalt en dat daarom geen volledige identiciteit van verschijnselen, innerlijk of uiterlijk, te verwachten is zodra wij doordringen tot de essentiële waarden ervan. Geen commentaar? Ga uw gang?

  

v      Broeder, in verband met dat experiment zegt u: Van zodra u een absolute zekerheid hebt, is het experiment niet meer gevaarlijk, is het experiment dan ook nuttig ?

Dan wordt het experiment tot een traditie en de traditie tot een werkwijze en de werkwijze tot een methode om bepaalde resultaten te bereiken. Het verandert dus van experiment, langzaam maar zeker. Wij nemen een eenvoudig voorbeeld: U wilt iemand van pijn bevrijden. Je kunt hiervoor bepaalde hypnotische effecten gebruiken. Wanneer ik nu niet zeker ben van mijzelf, dan is het de vraag of ik de begeerde ongevoeligheid inderdaad tot stand kan brengen. Ben ik eenmaal zover gekomen dat ik weet hoe ik dit denkbeeld, deze suggestie van ongevoeligheid moet overdragen dan heb ik een zeker zelfvertrouwen, maar dan blijkt dat mijn procedure, mijn experiment dus, vele onnodige elementen bevat. Het betekent dat ik vaak te veel tijd en teveel energie gebruik en dan ga, ik dus zoeken naar de rationele wijze. Maar dan heb ik daarmee een middel gevonden dat, in vele gevallen althans, narcose kan vervangen en dan zou het dus logisch zijn dat ik deze methode als een vorm van eenvoudige narcose ga hanteren. Dan heb ik dus een bruikbaar element gevonden. Maar omdat elke mens anders is, kan niemand precies de gelijke procedure gebruiken, dat is de moeilijkheid. Iedereen zal dus bepaalde grondwaarden, die alle mensen wel gemeen hebben, kunnen leren, maar vanaf dat ogenblik zal hij verder moeten denken en waar het bij de éne zo is om iemand goed te hypnotiseren, zal het bij de ander misschien een woord zijn, een bede, een knippen met de vingers enz. Er zijn bepaalde tradities ontstaan, maar die zijn ook niet altijd even sterk. Vb.: Er is een Italiaan, een lector of professor, die in zijn vrije tijd hypnose vertoont, als verschijnsel. Nu leerde deze goede man dat aan enkele van zijn leerlingen. Bij hem was het dus zo: Je begint met het bevel: "Wanneer ik met mijn vingers knip bent u wakker, u voelt zich welgemoed en energiek en u vergeet alles wat eraan vooraf is gegaan. Nu was er toevallig één van die studenten die kon niet knippen en die stond daar maar te proberen en het kwam niet! Begrijpt u wat ik bedoel? Als dat als experiment was gebeurd, dan had hij dat moeten ontdekken en had hij daarvoor iets anders moeten substitueren. Bv. tweemaal tikken of zo en dan was dat wel gegaan. U ziet het experiment is voor ieder noodzakelijk. Ik heb nu wel de meest primitieve afwijkingen genomen. Niet iedereen is in staat om dezelfde suggestie over te brengen, niet iedereen hoeft hetzelfde doordringingvermogen ten aanzien van andere mensen. Niet iedereen is in staat alle mensen te hypnotiseren. Dat moet je weten vóór dat je er gebruik kunt van maken. Maar vanaf dat ogenblik is dus de vaardigheid werktuig geworden. Daarvoor is het experiment nodig, ook na dat je het zelfvertrouwen hebt gewonnen, want dan is het gevaar daarvan wel weg maar dan moet je nog leren: Hoe kan ik dat juist en eenvoudig doen?

De kernwaarde van alle magie is in wezen: eenvoud. Juist door een grootst mogelijke eenvoud te vinden in nl. wat je, doet, alle manieren van werken met invloeden, kom je tot het grootste resultaat. Hoe meer je nodig hebt aan uiterlijkheden, hoe sterker je van die uiterlijkheden afhankelijk bent en daarbij dus in het experiment waarden gaat invoeren die je niet volledig kunt controleren.

   

v      Broeder, wanneer iemand een ander mens geneest door magnetisme, beschouwt u dat dan ais een genezing onder hypnose?

Wanneer iemand een ander geneest door het verkeerdelijk wel magnetisme genoemde procédé, dan is het noodzakelijk dat hij overwicht heeft. Met andere woorden: Magnetiseren, het genezen van een ander, is zonder bepaalde suggestieve werkingen maar zelden volledig, dan kun je geen volledig resultaat behalen, alleen tijdelijke resultaten. Ik zou het géén hypnose willen noemen, ofschoon ook hypnose voor genezing gebruikt kan worden, omdat wij veel kwalen hebben die in wezen psychosomatisch zijn, waarbij dus de psychische factoren door de hypnose kunnen worden gewijzigd of uitgeschakeld en daarmede de genezing van het lichaam kan worden bevorderd. Dus je kunt er wel mee genezen. Wat u bedoelt is waarschijnlijk het gewone magnetiseren. Waar krijg je die gave van? Die krijg je niet, die hebt ge. Het is zo dat elke mens, in principe kan magnetiseren. En wanneer u zich even realiseert wat ik in die inleiding heb gezegd: Alles heeft in wezen dezelfde energie. Het is dus mogelijk tijdelijk een deel van die energie over te dragen op een ander. Die overdracht noem je magnetiseren, maar in wezen is zij niet veel anders dan een overvloed van energie overdragen aan een ander die er tekort heeft. Een proces dat zich ook normalerwijze voltrekt, zonder dat er magnetiseren bij is. De mensen die dat wel eens meemaken zeggen: Dat is iemand die je leegzuigt, als je daar hebt mee zitten praten, a1 is het over niets, dan voel je je zo slap als een vaatdoek. Dat is meesta1 iemand met een negatief potentiaal en wanneer iemand zo voldoende in je buurt is heeft hij dus de neiging om alle energie die je teveel hebt over te nemen; hij probeert te egaliseren: de wet van communicerende vaten a.h.w. Daardoor heb je minder energie dan normaal en voel je jezelf dus vermoeid; dat is een heel gewoon verschijnsel. U hebt dus die energie in principe wel. Bij de magnetiseur is het zo, dat hij een middel moet vinden om ze te gebruiken. Daarvan blijken dan heel veel verschillende methoden te zijn. Een van de meest eenvoudige is de concentratie, waarbij men zich dus een beeld bouwt, een gedachtebeeld, dat voor het ik zodanig suggestief is dat er een wereldverandering optreedt en betrekt men, en dat is dus ook weer suggestie, de patiënt in dit suggestieve wereldbeeld, dan ontstaat niet, zoals men wel eens aanneemt onmiddellijk een genezing, maar worden remmingen voor die genezing weggenomen. En dat is heel iets anders; het lichaam geneest zichzelf, dat doet u niet met uw energie, doet de geestelijke kracht niet, dat doet het lichaam. U kunt wel zorgen dat het lichaam wat meer energie krijgt om op zijn eigen wijze te werken, maar dan moet u toch eerst zorgen dat die remmingen weg zijn. Daarvoor heb je een zelfvertrouwen nodig, een bepaalde wijze van optreden.

Daaruit zou je dus de conclusie kunnen trekken dat magnetiseren iets is dat iedereen wel bezit, maar dat vele mensen moeten leren, omdat zij zonder een bepaalde procedure niet in zichzelf de overtuiging hebben dat zij iets kunnen en daardoor dat beeld zeker ook niet aan een ander kunnen overdragen.

   

v      Broeder u heeft gesproken over het mirakel van Jezus. Is dat op dit ogenblik ook nog mogelijk dat iemand er zo sterk zou in geloven dat er werkelijk een mirakel gebeurt en zou dat willen koppelen aan iets dat in het nieuws kwam: Een meisje dat blind was en plots terug kan zien.

Dat is mogelijk, maar wij moeten hier heel erg voorzichtig zijn. Wij kunnen daar een uitleg aan geven en zeggen: God doet dit, God, door middel van wie of wat dan ook! Dat is waar volgens mij, als wij aannemen dat er een God is, dat is de bron waar de kracht uitkomt. Maar wij kunnen dat dan nader gaan ontleden en dan blijkt dat een dergelijke blindheid over het algemeen mede te maken heeft met een toestand van het zenuwstelsel, een blokkering bv. of iets dergelijks en dat deze door een schok kan worden opgeheven. Nu blijkt dat die schok soms door een genezer gebracht kan worden, maar dat die ook door een ongeval of een ramp tot stand kan komen. Dat geldt ook voor verlammingen.Wanneer wij die wonderen van Jezus gaan bekijken, dan is het dus de vraag wat er zich afspeelt. U herinnert zich misschien dat verhaal van Jezus die vermoeid is, dan klimmen er vier mannen op het dak, die laten een zieke door het luik naar beneden. Wat zegt Jezus? Hij zegt niet: Nu ben je genezen, Hij zegt: Uw zonden zijn u vergeven, neem uw bed op en wandel. Dan neemt die man zijn bed op en wandelt. De formulering van het verhaal doet veronderstellen dat wij hier te maken hebben met een verlamming die in wezen psychisch is, een gevoel van machteloosheid. Datzelfde zou kunnen gelden voor de genezing van de man in Bethsjeha; ook hier: een toestand van hopeloosheid van ik haal het toch niet, en dan iemand die zegt: Nu wil je dat werkelijk dan is het zo. En de schok dus waarmee je zegt: Het kan zo zijn ik probeer het en dan gaat het. Het is eigenlijk moeilijk om over Jezus wonderen en mirakelen redelijk te spreken, maar misschien mag ik één ding aanhalen dat niet ze onzinnig en onredelijk is, als men wel eens denkt: Jezus wandelt over de wateren naar een schip toe.

Simon-Petrus probeert datzelfde te doen, het lukt hem tot het ogenblik dat hij beseft: Wat ik doe is onmogelijk en dan zinkt hij. Nu kun je zeggen: dat was een wonder van Jezus, natuurlijk. Maar je zou ook kunnen zeggen: Hier is sprake van het leven in een andere wereld, zodra je echter de waarde van je normale wereld weer gaat erkennen, is die nieuwe wereldrelatie weg en ben je weer onderdanig aan de oude wetten. Ik dacht dat je dat voor heel veel van die wonderen zou kunnen zeggen. Wij kunnen ze allemaal ergens wegverklaren, wij kunnen er andere verklaringen voor vinden. Alleen voor één ding kunnen wij geen verklaring vinden: Dat is voor de persoonlijkheid van Jezus, die hier toch als middelpunt fungeert en die kennelijk ongelooflijke dingen tot stand brengt voor zijn tijd. Hij is één van de vele wonderdoeners die rondtrekken. De anderen doen ook wonderen, maar kennelijk is Jezus in het doen van die wonderen veel overtuigender. Hij bereikt dingen die ondenkbaar lijken. Wanneer wij horen bv. van de mensen die melaats zijn, dan kunnen wij ons wel afvragen: is dat nu melaatsheid, kan dat geen schurftvorm zijn geweest? En heeft Jezus misschien van een natuurkundige kennis gebruik gemaakt om die mensen naar een bad te verwijzen, waardoor dat werd opgelost. Dat is allemaal denkbaar, maar het is en het blijft deze figuur die het doet en die het wonderlijker en beter doet dan een ander, hoe dan ook. Dan moeten wij even verdergaan en denken aan de apostelen, want Jezus heeft tegen ze gezegd: Ga uit, verkondig de boodschap en drijf de duivel uit, genees de zieken in mijn naam en de naam des Vaders. Nu ja, na een tijdje komen zij nijdig terug: Heer er zijn anderen (niet-leerlingen dus die genezen in de naam des Vaders. Ik dacht dat dit relevant is, dat ontsluiert iets. Het is dus niet het apostel zijn, het is niet een persoonlijke overdracht van kracht van Jezus, het is de toestand. En die toestand kan kennelijk ook door anderen bereikt worden en die kunnen er ook resultaat mee hebben. Daarmee hebben wij Jezus niet wegverklaard en de wonderen van Jezus niet wegverklaard. Wij hebben alleen gezegd dat véél daarvan ongetwijfeld verklaard kan worden door een innerlijke toestand, waardoor bij de zieken en de patiënten reacties mogelijk werden gemaakt, die zijzelf, tot op dat ogenblik, voor onmogelijk hielden. Is dit voldoende?

   

v      Broeder, er werd gezegd: Alles bestaat uit één kracht en het tegengestelde trekt elkaar aan. Wat bedoelt u daarmee?

Daarmee bedoelen wij heel eenvoudig dat, wanneer wij het magnetisme bezien, wij noordpool en zuidpool kennen. Verschillende polen trekken elkaar aan, toch is de energie, in beide polen aanwezig, dezelfde, alleen haar gerichtheid een andere. Draag dat over op alle tegenstellingen; de energie treedt in vele verschillende vormen op, zelfs in de vormen van een mens, een wereld, een ster. Maar, zij is niet altijd gelijk gericht ten aanzien van die andere delen van die energie en daardoor ontstaan er, van ons standpunt uit, tegenstellingen die wij in wezen eerder de evenwichtswerkingen zouden kunnen noemen binnen deze energie, waardoor zij zichzelf als het ware voortdurend continueert en in stand houdt.

   

v      Dat doet de dualiteit veronderstellen dan?

De dualiteit ligt in ons, niet in de schepping. Ik geloof dat je daar weer een punt aansnijdt dat de dualiteit voor ons noodzakelijk is, omdat alle erkenning voor ons afhankelijk is van het stellen van een tegenstelling. Anders kunnen wij geen graderingen vinden. Wanneer er alleen zwart en wit is, kunnen wij geen kleur zien. Pas wanneer wij wit ontleden in zijn componenten, zien wij vele kleuren die liggen tussen het helder wit en het duister. Ik dacht dat dit eigenlijk de verklaring is voor de dualiteit die wij overal zien. Voor ons is er licht en duister, maar zijn licht en duister niet de verschijnselen van hetzelfde? Een straling die voor ons positief, dus zichtbaar is, en een straling die voor ons negatief, dus onzichtbaar is, zou zo goed de omdraaiing van polariteit van dezelfde straling kunnen zijn, bij wijze van spreken. Ik zeg niet dat het zo is hoor, anders komen wij natuurkundig in de knoop met het gewone licht.Wanneer wij zeggen: goed en kwaad, dan hanteren wij geen absolute waarde; wij pretenderen het wel, maar wij doen het niet. In wezen is kwaad het onaanvaardbare, om welke reden dan ook, en goed het aanvaardbare. Aanvaardbaarheid en onaanvaardbaarheid worden niet alleen bepaald door een Goddelijke of kosmische wet, zij worden wel degelijk mede bepaald door de wereld waarin wij leven en de maatschappij waarvan wij deel uitmaken. Deze hebben ons oordeel goed en kwaad gevormd en daardoor wordt onze beving van goed en kwaad ook mede vastgelegd. Ik geloof dus dat je moet zeggen: Het dualisme, de dualiteit dat is iets dat uit ons eigen wezen, uit onze noodzaak tot registratie, tot erkenning, tot differentiatie voortkomt. En dan moet je daarnaast zeggen: Ofschoon dit voor ons zo is, wordt hierdoor de totale eenheid van alle dingen zeker niet uitgesloten. Daar kunnen wij dan een aardig argument voor vinden wanneer wij zeggen: dat God de eerste kracht en de enige schepper is, dan is alles uit Hem voortgekomen, ook de duivel. Hij houdt alles in stand, dan houdt Hij ook de duivel in stand, niet alleen zichzelf en zijn engelen. Dan is alles wat wij aan de duivel toeschrijven mede een actie, een wil, een uiting van God en is het alleen onze relatie met deze uiting, waardoor de één voor ons duivel en de ander voor ons engel wordt.Wat ik u hier heb geprobeerd duidelijk te maken dat is dus a.h.w. de betrekkelijkheid van wat wij werkelijkheid noemen. Werkelijkhéid is in wezen variabel, vanuit onszelf en voor onszelf. En als ik van die basis verder ga denken, dan moet ik dus komen tot een reeks conclusies komen die praktisch zijn en dan geef ik er u hier een paar van:Mijn gedrag kan bepalend zijn voor mijn vermogen, want mijn beoordeling van mijn gedrag bepaalt de vermogens die ik, voor mijzelf, aanvaardbaar acht.Uitingen en manifestaties worden niet alleen bepaald door de krachten, die zich uiten of zich manifesteren, maar ook door de ontvankelijkheid voor die krachten die elders bestaan. Wanneer daartussen een hiaat ligt, is de uiting niet meer mogelijk of zal zij gebrekkig zijn. Wanneer wij in de wereld iets willen bereiken moeten wij nooit uitgaan van wat volgens ons juist is; dat is de praktijk van ons eigen leven, niet datgene wat wij anderen moeten bijbrengen. Wij moeten anderen proberen te brengen tot een leven dat voor henzelf aanvaardbaar en goed is. Wij moeten een ander helpen om zijn werkelijkheid waar te maken. En wanneer wij dat gaan doen, dan geloof ik dat het erg belangrijk is dat wij positief denken. Ja, wat is positief denken? Wel dat is zeggen. Ik weet dat ik moet sterven maar toch vind ik het goed dat ik geleefd heb. Dat is positief. Ik kan zeggen: Ik heb zoveel beleefd, de dood is een nieuwe belevenis. Dus een benadering waarin je probeert in alles het vreugdevolle, het prettige terug te vinden, waarbij je jezelf niet aan die wereld oplegt, zonder meer, maar waarbij je toch uit die wel voor jezelf al datgene zoekt dat een positieve band vormt, tussen de wereld en jezelf. Wanneer je een ander de mogelijkheid geeft om zijn eigen wegen te vinden, dan help je hem daarmee om een eigen waarheid te vinden en de kern van alles zal wel dezelfde zijn, voor iedereen. Wij groeien wel naar elkaar toe. Maar wanneer hij vrede vindt in zichzelf en ik heb vrede in mijzelf, dan is er tussen ons "vrede". Er zijn wel eens mensen die denken dat een vrederijk, of eeuwig vrederijk, neerkomt op een permanente gelijkschakeling. Ik geloof dat het eerder een algemene differentiatie is, dus het ontstaan van een maximum aan verschillen, waarbij elk verschil alle andere verschillen aanvaardt als deel van zijn bestaan. Dat is een vorm van éénwording. Doen wij dat op een positieve manier, dan vinden wij vreugde, waar wij vreugde vinden hebben wij vertrouwen. Als je vertrouwen hebt in het leven, dan kun je ook meer vertrouwen hebben in jezelf, dan kun je meer vertrouwen hebben in God, of datgene waarin je gelooft. En door dit vertrouwen ben je in staat om in je wereld méér tot stand te brengen. Je kunt dus ja eigen krachten in die wereld veel sterker weerkaatst zien en dan is het zelfs denkbaar dat oen mens, die op deze wijze harmonie vindt met de wereld, in staat is de leeuw bij het lam te doen neerleggen, zonder dat beiden beseffen elkaars vijand te zijn. Er wordt van kluizenaars wel verteld dat zij dat kunnen doen. 't Is geen sprookje; het is mogelijk, naar dan moet de mens in zich een wereldbeeld hebben waarin dit bestaat. Onthoud verder één ding: Je moet nooit proberen de sterkere te zijn, ten aanzien van anderen, je kunt wel proberen zo bewust te zijn dat je geen kracht van node hebt. Meester zijn over anderen is jezelf beperken. Meesterschap van een ander aanvaarden, kan zijn een uitbreiden van je innerlijke kennis, maar in de meeste gevallen is het: een limiteren van je eigen mogelijkheid tot ontwikkeling. Je moet gewoon jezelf blijven en jezelf zijn.Wanneer u in deze wereld moeilijkheden hebt, dan moet u zich realiseren: elke spanning in mij, die uit wantrouwen ontstaan is, kan ik door mijn bewuste denken ombuigen. Ik kan ze, voor mijzelf, door een soort autosuggestie veranderen. Neem een examen, wanneer je jezelf aanpraat dat het moeilijk is, is de kans erg groot dat je dingen die je heel goed weet, niet of verkeerd tot uiting brengt. Op het ogenblik dat je het eigenlijk niet zogoed weet, maar vertrouwen hebt in jezelf, zul je vaak veel juister responderen en je zult daardoor eigenlijk betere resultaten kunnen behalen. Wanneer je in het leven een taak aanpakt, dan moet je niet zeggen: Ik kan het niet. Dan moet je je wel afvragen: hoe doe ik het het beste, maar begin altijd: Ik kan. U zult ontdekken dat je daarmee heel veel problemen gemakkelijker oplost. Probeer altijd geduld te hebben met de wereld, heb het niet met jezelf op het ogenblik dat je tot zelfbeklag overgaat. Wanneer je denkt dat je het moeilijk hebt, dan moet je jezelf vertellen dat er anderen zijn die het nog veel moeilijker hebben. Dan moet je jezelf een beetje afstraffen. Op het ogenblik dat je zegt: Ik heb het goed, dan moet je zeggen: Wanneer ik het goed heb, dan moet ik dit goede overdragen aan anderen. Je moet dus voortdurend een wereldrelatie zoeken die aanvaardbaar blijft en die goed blijft. Wanneer u iets wilt scheppen of creëren, dan moet u goed onthouden: wanneer u het met uw normale bewustzijn wilt construeren is het altijd beperkt en meestal onbeholpen; het kost veel werk en de resultaten zijn meestal niet zo goed. Begin uw arbeid altijd inspiratief. Of u nu een boek wilt schrijven, of wanneer u een proces wilt berekenen, begin inspiratief. Zet inspiratief de grote lijnen op, dan kunt u die daarna, volgens de normen van de wereld, zoals u die ziet, gaan invullen en aan uw eigen normen van redelijkheid en logica doen beantwoorden. U zult zien dat veel problemen dan gemakkelijker oplosbaar zijn.Begrijp heel goed dat elke zedelijke norm, die u op welke wijze ook aanvaardt, u daaraan bindt. Deze aanvaarding behoeft niet een bewuste te zijn; zij kan evenzeer onbewust in je verankerd zijn. Houdt u aan wat voor u goed en kwaad is, omdat je alleen op deze wijze, voor jezelf, aanvaardbaar blijft en je de verzekerdheid kunt krijgen waardoor je, in de wereld, jezelf ook juist kunt blijven manifesteren, juist kunt uiten, juist kunt produceren als het nodig is.Dan nog een laatste en misschien heel eenvoudige raadgeving: Vraag je eens af wat je werkelijk gelooft. Gooi alles waaraan je niet met zekerheid gelooft over boord. Het zal blijken dat je heel weinig overhoudt maar dat weinige, daarvan zegt je hele wezen: Dit moet waar zijn, dat kan niet anders. Beroep je daarop. Wanneer je bidden wil, bid in overeenstemming daarmee, want hier heb je je eigen harmonie, je eigen band met de kosmos en je eigen relatie met de wereld in essentie vastgelegden elk beroep in deze kracht, op deze kracht, zal als vanzelf in je wereld zijn weerspiegeling vinden.Dat was het dan, wat mij betreft. Denk eens na over wat u gehoord hebt en trek een eigen conclusie.

Goede avond.

         

Uitgesproken te Antwerpen 19 juni 1973.

    

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

  

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

      

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

26-01-08

HET DENKEN.

HET DENKEN.

Dan wil ik graag uitgaan van het standpunt dat de doorsnee mens wel graag bijleert, maar niet graag afleert. U heeft dat waarschijnlijk zelf ook wel ervaren. U kunt iets nieuws gemakkelijk accepteren, u aanvaardt dat graag en wanneer het past in het kader van hetgeen u reeds kent bent u er reuze blij mee. Wanneer het daarin niet past dan bent u gewent om het opzij te zetten. Dat opzij zetten van bepaalde feiten, bewijzen enz. och dat is op zichzelf niet zo ernstig. Wat ernstiger wordt is dit. Wanneer een mens omtrent zichzelf bepaalde vaste gedachten heeft, dan zal hij weigeren omtrent zichzelf iets anders te aanvaarden.

Wanneer ik een mens zeg dat hij volkomen in staat is om elke levende en kosmische kracht zelf aan te voelen, dan zegt men, dat is voor een ander waar maar niet voor mij, en dus kan ik er niets mee doen. Wanneer ik tegen die mensen zeg, je kunt een groot gedeelte van je ziekte zelf genezen zeggen ze: “ja dat kan nou wel waar zijn maar voor mijn ziekte niet.”

 Kortom de mens wil bepaalde dingen theoretisch nog wel aanvaarden maar wil ze voor zichzelf niet toepassen. Hij kan er eenvoudig niet toe komen dit te geloven, om de doodeenvoudige reden dat hij dan bepaalde voor hem vaststaande punten moet opzij schuiven.

Nu staat u dus in een periode waarin voor u vele vreemde en wonderlijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Het is zo’n beetje de tijd van het onverwachte, de periode dat vele verhoudingen opnieuw moeten worden vastgelegd. Of u dat nu merkt in de UNO of bij u thuis, och, het zegt eigenlijk zo weinig.

Maar wanneer ik weet dat die invloed bestaat en ik neem aan dat ik haar uit kan werken, dan ben ik aan die invloeden gebonden. Dat is een heel voornaam punt. Ik heb dat zo vaak al verteld eigenlijk. Wanneer u nu eens zelf nadenkt, hoe veel dingen in uw leven zijn er waarvan u aanneemt dat ze niet anders kunnen. Dingen waarvan u eenvoudig zegt, nu ja het is zo en daar moeten we nu maar mee leven. O een ander die zou daar misschien wat aan kunnen doen, maar ik, in mijn geval ik kan daar toch niet tegenop. Is het eigenlijk niet omdat u weigert de feiten onder ogen te zien. Wanneer u midden op een snelweg staat, en er komt een grote auto aan met een daverende vaart, en u neemt aan dat u hem niet ontwijken kunt, dan is het bijna zeker dat u die auto raakt. Wanneer u aanneemt dat u opzij kunt, wanneer u aanneemt dat u snel reageert, kunt u snel reageren. De doorsnee mens kan veel sneller reageren als normaal doet, omdat hij meent dit niet sneller te kunnen doen. De doorsnee mens kan veel meer presteren dan hij in feite presteert omdat hij niet aanneemt dat hij dit prestatievermogen bezit.

En hier heb ik dan een punt van uitgang. Per slot van rekening u weet het allemaal, wij zijn nu eenmaal gewoonte dieren, zeker wanneer we in de stof nog zijn. Maar een gewoonte dier in de stof, dat is een wezen dat niet in staat is zijn eigen jachtterrein te verlaten. Gaat u maar eens kijken bv. bij een valk, die heeft een bepaald jachtterrein. Dat beest heeft de hele vrije lucht voor zich het kan overal naar toe. Maar er moeten al heel dringende omstandigheden komen wil hij van die gewoonte afwijken, om in een betrekkelijk klein terrein te jagen. Hetzelfde kunnen wij zeggen voor een leeuw, een tijger die steeds weer zich een vast jachtterrein kiezen. En alleen wanneer ze daaruit verdreven worden door omstandigheden, elders weer een precies even groot jachtterrein voor zich beginnen af te bakenen.

Een mens doet hetzelfde, alleen doet hij dat mentaal. Wanneer u in staat bent om de grenzen te doorbreken die u normalerwijze aan uzelf stelt, wanneer u in staat bent van uzelf aan te nemen dat een grotere bekwaamheid bezit, wanneer u geneigd bent voor uzelf inderdaad aan te nemen dat u meer u meer kunt, dat u sneller reageert dan zult u niet alles bereiken wat u in gedachten hebt aangenomen, dat is onmogelijk, maar u komt tot een veel grotere prestatie dan anders denkbaar is. Nu kunnen we dat natuurlijk toepassen op het normale dagelijkse leven, en het is heel erg prettig wanneer u aanneemt dat u precies zult weten wanneer uw melk kookt, dan is de kans veel minder groot dat die melk overkookt. Wanneer u aanneemt dat u bepaalde dingen kunt aanvoelen, zult u ze vaak aanvoelen, maar daar blijft het bij.

Maar we hebben dat niet geëxploreerde terrein, waar een vorige keer ook al eens wat over is gezegd, de menselijke psyche, de menselijke geest vooral die wordt door de mens heel vaak in hokjes ingedeeld. Het is een poging dus van die mens om zeker te zijn. Een mens is graag zeker. En wanneer hij nu precies in zichzelf heeft ingedeeld dat daar de hemel is en daar de hel, en daar de 999 treden naar bewustwording, dan voelt hij zich zeker, hij heeft het geregistreerd en dus is het zo. Maar als hij op het onbekende staat durft hij niet aan te nemen dat er een voortdurende factor van veranderlijkheid is. Toch vindt u het heel normaal dat in uw wereld alles eigenlijk fluïde is. Het is vloeibaar, voortdurend veranderlijk, de samenstelling. Gaat u ergens steen en kijkt u eens goed naar de mensen die voorbij komen. U ziet dat, van minuut tot minuut de samenstelling van die menigte wijzigt.

Dat die samenstelling zich wijzigt is het bewijs dat er nooit een vaste situatie te tekenen is. Er is alleen een gemiddelde te trekken. Dat gemiddelde is nooit precies juist. Het is altijd een benadering. Handel ik aan de hand van dit gemiddelde dan zal er dus altijd een element van fouten optreden. Ga ik echter reageren op de toestand zoals die op elk ogenblik afzonderlijk is, dan kan ik, op elk ogenblik redelijk juist reageren, mits ik vlug genoeg reageer.

Wanneer ik in de geest kom en ik heb daar die grosse indelingen, ik heb daar precies alles uitgemaakt, ik heb alle dingen bij de hand die noodzakelijk zijn bv. openbaring, lering, theologie enz. dan heb ik wel een gemiddelde, ik heb dus iets waarmee ik kan werken in de werkelijkheid. Ik werk eigenlijk in een waanwereld, en het werkelijke dat ontgaat me steeds. U werkt als het ware als een verzekeraar, die een zeer grote menigte van gegevens moet bezitten, om uit die menigte een gemiddelde te trekken dat hanteerbaar is. Maar daarmee staat hij buiten het feitelijk gebeuren. Hij staat er niet meer in.

Die kwestie van dat je instellen op het moment, betekend geestelijk dat we elk ogenblik bereid zijn om de krachten dus te ontvangen die op het ogenblik rond ons zijn. Te reageren op gedachtestromingen die nu ons kunnen beroeren. Het betekend dat wij niet experimenteren volgens een vaste regel, maar dat het experiment zelf gepaard gaat met een nuchtere en onmiddellijke poging om nu volgens eigen instelling + wat men aanvoelt in eigen omgeving, het experiment te volbrengen.

Experimenten zijn er te noemen, denk eens aan kruis en bord, een methode soms tot gemakkelijk zelfbedrog, maar in sommige gevallen toch ook wel een ontstellende openbaring van iets anders, iets, zeg geest, zeg onderbewustzijn van de mens, geef het een naam. Er is iets, en dat iets kan zo sterk zijn dat het absoluut onmogelijk is om dat kruis ook maar tegen te houden. Maar dat iets is maar zelden aanwezig. Wanneer ik regelmatig op vaste tijden experimenteer, dan kan ik misschien de beschikking krijgen over een geleide geest en al wat erbij hoort, en dan kan het misschien regelmatig goed gaan. Maar de ogenblikken waarop het werkelijk goed moet zijn, dat zijn de ogenblikken waarop alles plotseling zegt, nu komt de impuls, nu moet dit gebeuren.

De kwestie van het menselijk innerlijk en de wijze waarop de mens zich een uiting geeft kan dan ook als volgt worden gesteld:

Op het ogenblik dat wij in volle overtuiging voor onszelf handelen, en in deze handelwijze ten volle aan onszelf onze overtuiging uitdrukking geven, bereiken wij een optimum toestand, voor verwerkelijking van hetgeen in ons leeft. Wij zijn daarbij aan geen enkele wet gebonden buiten die van onze eigen persoonlijkheid. Het is onmogelijk om te stellen, dat de mens afhankelijk is van menselijke, goddelijke of andere wetten tenzij deze in de mens zijn neergelegd. Aanvaardbaar?

Toch is het waar. Wij leven van binnenuit. Al uw hulpmiddelen die u hanteert, zijn niets anders dan een hulpmiddel voor de zintuigen. Alles wat die camera opneemt en vastlegt kunt u constateren, mits het ligt binnen een visuele grens. Wanneer er een ogenblik komt dat die camera iets vastlegt wat door een ander groot middel zichtbaar kan worden gemaakt (bv. vergroting enz.) dan is het nog steeds via het oog. Zo kunnen we dus zeggen die camera is een verlengstuk van het oog geworden. Voor de tastzin hebben we precies hetzelfde. We kunnen hetzelfde vinden zelfs voor het gevoel van de mens. Hij kan niet verstandelijk reageren, tenzij hij leeft via zijn zintuigen. Al het andere is gevoelswereld.

Het geloof is een gevoelskwestie, het paranormale een gevoelskwestie. Uw idee van moraal, van zeden enz. een gevoelskwestie. Uw idee van liefde is een gevoelskwestie. Deze dingen zijn niet redelijk vast te leggen, niet zintuiglijk uit te drukken. En er bestaat geen enkele directe weergave voor. Dan moeten we dus wel stellen: dat niets geldend is buiten datgene wat de mens in zich werkelijk gevoelt, dele controle daarop (dat geef ik toe) is via de zintuigen mogelijk, door hetgeen in de wereld gebeurt.

In u leeft een geest, ( u hoeft het niet te geloven maar op den zuur zult u het zelf wel ervaren denk ik zo) die kan dus zeer veel dingen doen die u niet kunt. Zij is minder beperkt door het stoffelijke. Haar zintuiglijkheid is niet meer beperkt tot enkel punten, maar breidt zich bv. over het gehele oppervlak uit. Een geest kan bv. zien aan alle kanten tegelijk. Het is heel vreemd als je het de 1ste keer meemaakt. Ik kan u vertellen wanneer je het de 1ste keer in een ronde ziet dan vraag je je af waar jezelf bent gebleven. Maar op den duur went dat. Je voelt,

Maar je voelt ook werkelijk helemaal en alles. Wat visueel wordt waargenomen wordt gelijktijdig omgezet in een gevoel. Dus tastzin en zien en horen lopen a.h.w. in elkaar over. Daardoor is de reeks van waarnemingen die u doet vollediger. Ze is beter – ze is juister. En zelfs die geest blijft zichzelf aan banden leggen. We mogen niet zeggen dat de mens dus al die banden kan verstoren. En daarom volgt het 2de deel van onze tekst.

Op het ogenblik dat een mens door innerlijke gevoelens, komt tot een limiet van zijn eigen kwaliteiten ofwel aan de wereld, zal dit limiet voor hem blijven bestaan ongeacht wat er gaande is. Elk limiet dat hij voor zichzelf stelt zal hij niet allen beschouwen als geldend voor zichzelf maar voor het totaal van zijn wereld, omvattende alle medeschepselen waarvan hij kennis draagt. Hij zal verder het totaal daarvan ook nog eens projecteren op enkele willekeurige of fantasiewereld die in hem leeft. Hij kan daardoor geen werklelijkheid tot stand brengen. Want de grens die hij zichzelf heeft gesteld kan hij niet overschrijden, zonder het gevoel te hebben zichzelf te verloochenen, zichzelf daarmee te verlaten.

Op het ogenblik dat ik voor mijzelf bepaalde begrenzingen niet meer erken of wijzig, wijzigt zich voor mij mijn wereld. In deze wereld zullen de zichtbare en kenbare waarden precies dezelfde blijven ofschoon natuurlijk hun invloed op mij een andere wordt. Maar mijn eigen vermogen binnen deze werkelijkheid wijzigt zich evenals mijn eigen concept daarvan. Zodat mijn eigen verwerken van de omstandigheden, ingrijpen, het gebruik van krachten en wat er verder bij te pas komt, juister en vollediger is dan in het oude concept. Zodra mijn nieuw concept maar verruiming van begrenzing inhoudt. We moeten uiteindelijk uitbreiden, ofschoon er mensen zijn die angstvallig hun grenzen verkleinen en hun wereld kleiner maken, allen om vast te kunnen houden aan iets wat hen bijzonder dierbaar is.

Wij gaan uit van het feit dat de mens redelijk moet zijn. Redelijk denken. Rede kan alleen worden toegepast op die waarden die zintuiglijk volledig vaststelbaar zijn en via de zintuigen kunnen worden gecontroleerd, vastgelegd en gemanipuleerd volgens tevoren vaststelbare wette. Op een andere manier gaat het niet. Alles wat buiten dit bereik valt, is niet redelijk. Ook wanneer het redelijk wordt genoemd.

Nu is het de bedoeling dat u toch uiteindelijk leert die delen van uzelf te ontwikkelen die bij de doorsnee mens sluimeren. En dat kunt u natuurlijk doen via het experiment. Een experiment echter dat uit u zelf moet voortkomen, en niet van buitenaf kan worden opgenomen. Eigen gevoelswereld is bepalend. Niet de opvattingen of leringen van buitenaf. Het experiment geeft ervaring. Ervaring die niet past in het wereldbeeld dat wij bezitten, vergt een aanpassing van dit wereldbeeld.

Bv. Wanneer ik tot de ontdekking kom dat de zwaartekracht, geen zwaartekracht is, maar dat die zwaartekracht iets is wat je eenvoudig af kan schermen met een plaatje plastiek (denk erom dit is niet waar), dan valt het hele concept van wereld en wereldopbouw en een groot gedeelte van de stellen van Newton weg. En daarmee sta je volkomen in terra incognita.

Je kunt niet meer weten wat er precies gaande is. Je voelt je onzeker, je moet alles opnieuw gaan leren. ’t Is logisch dat een hele hoop mensen zeggen, neen dan wil ik dat fenomeen liever niet zien, die plastiek bestaat niet en als er eentje gezweefd heeft daarboven is het kolder. Houding die vaak wordt aangenomen. Doe ik het echter wel, wat gebeurt er dan?

Dan kan ik dus die zwaartekracht opheffen. Ik kan er niets mee doen, tenzij ik ontdek aan welke wetten dit gehoorzaamt. Het werken in jezelf en het zoeken naar geestelijke krachten is niet het zoeken naar het supra naturale, het bovennatuurlijke of zelfs het tegennatuurlijke. Het is het zoeken naar een uitbreiding van het natuurlijk concept dat wij hebben volgens dezelfde regels en wetten die we reeds kenden, maar met een uitbreiding en nieuwe mogelijkheid.

Uw experimenten mogen daarom nooit gericht zijn op het tot stand brengen van iets, wat tegen elke regel en rede voor u ingaat. Op het ogenblik dat u dat doet valt u uzelf aan en zult u zelf de mislukking van het experiment veroorzaken. Want u wilt het eigenlijk niet. U wilt uw eigen wereld niet in puin zien vallen. Ook al probeert u het. Er zijn veel mensen die experimenteren alleen, overigens heel eerlijk, maar eigenlijk om hun experimenten te zien mislukken, want volgens hen kan het zo niet en mag het experiment niet goed zijn.

1ste Experimenteer steeds met dat ene wat je gevoel je zegt dat juist is.

2de Laat je gevoel bepalend zijn voor alle waarden en alle wetten die je tijdens het experiment gebruikt. Voor je eigen wereld en de maatschappij die daarin leeft heb je je natuurlijk te houden aan de daarin geldende regels. Maar dat wil nog niet zeggen dat je dat ook moet doen tijdens het experiment vergroot de mogelijkheid, mits ik het daar dus innerlijk mee eens ben dat het experiment mij nieuwe data geeft.

Een experiment dat precies zo uitkomt als ik had verwacht is geen experiment meer. Dat moet u goed begrijpen. Wanneer u hier gaat zitten met kruis en bord, en u verwacht dat het kruis gaat tikken, en het tikt aan dan is het geen experiment meer. Wanneer u echter verwacht dat het kruis zal gaan tikken en er gebeurt iets anders (laten we zeggen een bloem verdwijnt uit de ene vaas en komt terecht in een andere) en dat is vaststelbaar dan is er actie. Want dan weet ik dus dat een bepaalde instelling door mij gebruikt de gevoelsbenadering tijdens dit schijnbaar seanceren met kruis en bord, voorwaarden hebben geschapen voor een ander fenomeen.

v      Wanneer u automatisch schrift beoefend en u krijgt inspiratie dat u meent, of onderbewustzijn tekst voor die dan door uw hand gevolgd wordt, is dit dan een experiment?

Dat is een experiment wanneer u het noch nooit hebt gedaan en daar dus geen verdere controle op hebt kunnen uitoefenden. Komt het regelmatig voor dan is het alleen een experiment wanneer in dat schrift waarden worden uitgedrukt die voor u controleerbaar zijn. Anders is er geen sprake van experiment, in de werkelijke zin van het woord.

Wanneer iemand dus normalerwijze automatisch schrijft, dan kan dit een zeer goede band zijn tussen stof en geest, het kan ook een methode zijn om het onderbewustzijn aan het woord te laten komen. Maar wanneer daarbij nu iets ontstaat wat wij tot nog niet hebben gehad, dan wordt het een experiment.

Vb. Iemand heeft tot nog toe altijd in lopend schrift automatisch geschreven, en nu op een gegeven ogenblik wendt hij zich aan om daar zo weinig mogelijk controle op uit te oefenen, zit met een ander te praten, drinkt een kopje thee en schrijft maar door. Nu wordt daar plotseling een reeks van krulletjes en punten neergeschreven waar niemand iets uit kan maken. Dan gaat hij naar een taaldeskundige, en het blijkt Hindoestanie te zijn of Arabisch.

Wat uzelf niet kunt schrijven, en waarin in een oude taal of moderne taal, een antwoord wordt gegeven op bepaalde vragen bv. dan hebben we hier het bewijs gekregen dat andere invloeden dan het directe bewustzijn werkzaam zijn. Wij hebben tevens ontdekt dat onder een bepaalde instelling dus een kracht, die klaarblijkelijk tot een andere kennis of gebied behoort in ons actief wordt.

Wanneer we die toestand dus herscheppen, dan moet hetzelfde ongeveer mogelijk worden. We gaan nu steeds die omstandigheden een beetje wijzigen. En nu komen we tot de conclusie dat bij de ene conditie we bv. gewoon Latijns schrift hebben, volgend ogenblik komen wij bij Gotisch enz. Wij krijgen dus naargelang de instelling gewijzigd wordt ook een wijziging van schrifttype en eventueel van inhoud. Dan is daardoor bewezen dat tussen onze eigen instelling en hetgeen geproduceerd wordt een overeenstemming is. Zijn we verder zeker dat we deze schriftsoorten niet allen beheersen, terwijl het schrift met dezelfde snelheid als normaal wordt geschreven, hebben we verder het bewijs dat iets anders dan ons eigen direct bewustzijn werkzaam is.

Gaan we dat verder uitbreiden dan zeggen we;nu schrijf ik eens een keer niet, maar we gaan dezelfde instelling produceren en we wachten heel rustig af of er nu iets gaat gebeuren. Dan kan dat zijn dat u last krijgt van kolder, het kan zijn dat u te maken krijgt met alleen maar het idee da            t u iets ziet. Het kan ook zijn dat er helemaal niet gebeurt. Daar gaat het niet om. U blijft wijzigen en u blijft proberen. U hebt eenmaal een aantal regels gevonden die zijn toepasselijk voor het schrift. U gaat die toepassen op alle andere punten en experimenten waar u gevoelsmatig mee voelt te kunnen werken. Wanneer meerdere van deze manifestaties van dezelfde wijze van instelling, opstelling van aanwezigen e.d. beantwoorden is een regel of een wet gevonden. Die dan door nadere bestudering bruikbaar is.

Aan de hand van deze wetten kunnen wij weer verder voortgaan. Wij hebben dan niet alleen een stoffelijk controleerbaar bewijs , maar we hebben meteen een soort sleutel gevonden waarmee wij voor de doorsnee mens niet kenbare invloeden of omstandigheden al dan niet binnen de mens, plotseling ertoe kunnen brengen zich kenbaar te maken. Onze wereld is a.h.w. verrijkt met een nieuwe dimensie.

U ziet aan het bv. hoe belangrijk het is dat te begrijpen dat het wetten zijn. Magie en al wat erbij hoort waar de mensen zo onnoemelijk bang voor zijn en mee weglopen is nimmer tegennatuurlijk. Het is altijd natuurlijk en moet aan natuurlijke wetten gehoorzamen, en het moet, mits wij natuurlijk niet van tevoren beginselen voorop stellen, te ontleden en aan te passen zijn in het voor ons bestaande wereldbeeld.

Het kader van onze wereld kan vergroot worden. Dit betekent dat ons denken vrijer kan worden. Het experiment is daarom zo belangrijk. Want wij kunnen dus ons innerlijk wezen, ons denken, onze geest vrijer maken. Naarmate die innerlijke wereld vrijer wordt van voorbehoud, een spontane en natuurlijker reactie krijgt op elke invloed die er rond is zal die geest:

  1. Gemakkelijker aan de stof doorgeven.
  2. Juister reageren, zij zal niet meer afwijzen de grens wordt minder en minder. ’t Is geen Berlijnse muur meer, waar aan de ene kant Brandt zit en aan de andere kant Ulbricht, het wordt echt een kwestie, die afzetting wordt steeds lager, er komen meer doorlaatposten. De grens tussen psychische en fysieke wereld wordt lager. De mens groeit tot een eenheid.

Wanneer ik stel dat alle magie dus in feite berust op natuurlijke wetten die echter niet allen passen in het nu erkende wereldbeeld, dan kan ik verder stellen dat alle verschijnselen die in godsdiensten bovennatuurlijk worden genoemd, die voorkomen bij spiritisten enz. eveneens natuurlijke verschijnselen zijn. Zij gaan niet tegen de natuur in, maar zijn een deel ervan. Zij gehoorzamen aan wetten. Wanneer ik een wet kan vinden die mijn eigen wereld + de wereld van de geest verklaart + een groot aantal in de godsdienst voortkomende fenomenen, dan heb ik een wet gevonden. Door die wet kan ik al datgene wat in de godsdienst, in het spiritisme en in mijn eigen wereld voorkomt over een kam gaan scheren. Ik kom tot een oorzaak en gevolg regeling en rekening die voor mij hanteerbaarder is, grotere juistheid geeft en vele zogenaamde toevals of onvoorziene factoren uitsluit.

En er is in de wereld geen werkelijk toeval. Er is geen werkelijk noodlot, en er is geen werkelijk karma. Er is alleen een reeks van wel erkende werkingen en wetten, de wereld waarin je denkt te leven, en een reeks van niet erkende maar evengoed op u inwerkende wetten die door u dan als toeval, karma e.d. worden verklaart. Kennis van de wet is magische bereiking, is inwijding en bewustwording tegelijkertijd.

v      Zijn die wetten algemeen geldend?

Een wet is nimmer algemeen geldend, voor wij aan de hand van onze eigen ervaringen kunnen bewijzen dat zij algemeen geldend is voor ons, omdat ze op elk voor ons kenbaar gebied gelijktijdig optreedt. Algemeenheid van wetten kan nimmer worden aangenomen. U zult zeggen, ze hebben toch kosmische wetten. Ja maar. Als ik stap in iets wat een hond heeft laten liggen, ik slip, ik val en word vuil en bezeer mezelf, dan is dit oorzaak en gevolg.

Wanneer ik een soortgelijk iets geestelijk ontmoet, glijd ik geestelijk uit, ik krijg wat men noemt een shock. Die shock kan mij echter in staat stellen (zolang ze met het verstand mede betreft) om tijdelijk bepaalde voor mij onaangename waarden te ontwijken. Ik kan bij juist gebruik een verder gekwetst worden voorkomen, en ik kan hetgeen dat vuil lijkt in feite maken tot iets nuttigs.

 Dan komen we tot het 3de punt. Ik glijd uit, dus oorzaak en gevolg zijn steeds hetzelfde, ik val en laat ons zeggen er schokt iets in de hersenen er is iets niet in orde, ik was blind en ik zie door de schok. Dit is al voorgekomen. Of wat evenzeer voorkomt, ik val en plotseling dank zij deze val ontwikkelen zich in mij bepaalde gevoeligheden, gaven die tot op dat ogenblik niet bestonden. Dan is oorzaak en gevolg dus in alle 3 die verschillende kwesties wel gelijk, maar met een heel ander resultaat.

Dat resultaat kan niet uit oorzaak en gevolg worden afgeleid, het is direct afhankelijk van de persoon. Dus de persoonlijkheid bepaalt wat oorzaak en gevolg eigenlijk tot stand brengen. Het is niet zo dat oorzaak en gevolg zullen bepalen wat de persoonlijkheid ondergaat. Wijziging van betekenis ligt aan mij, ook al is een wet kosmisch. Dat houdt ook in dat in elke wereld diezelfde wet dus zo totaal andere resultaten kan vertonen dat ze voor mij een andere wet lijkt, ook al is ze het niet. Pas wanneer ik de eenheid van oorzaak en gevolg heb vastgesteld dus verschillende werelden en aan de hand daarvan geconstateerd heb dat de schijnbaar verschillende gevolgen op dezelfde waarden berusten, kan ik zeggen dat in die verschillende werelden oorzaak en gevolg voor mij gelijktijdig bestaan, als precies dezelfde wetten. En daarom mag ik nooit aannemen dat een wet overal geldt. Zij kan slechts daar gelden waar ze voor mij bewijsbaar is en waar ik de middelen tot directe waarnemingen en controle bezit, hetzij door het experiment, hetzij anderszins.

v      U zegde daarstraks dat ge in bepaalde omstandigheden wereldlijke, natuurlijke en bovennatuurlijke zaken over dezelfde kam kon scheren. Hoe plaatst ge in dat kader de Heilig makende genade?

Die plaats ik in dit kader, HMG is een woord dat voorkomt uit de gevoelswereld. HMG is iets wat redelijk niet bewijsbaar is. U ziet de HMG als iets wat onafhankelijk is van u en wat u van buitenaf wordt gegeven. Dan is er nog steeds de vraag wat is deze genade in feite? De genade is klaarblijkelijk een instelling, een wijze van instelling, en nu noemt u dit HMG. Goed. Dat kan dus betekenen in de geest een je bewust worden van het Goddelijke, je hebt het misschien verdient, maar je krijgt dus een kans om daartoe te treden. Dan gaan we een stapje naar beneden. Ik leef in een sfeer. In die sfeer word ik mij plotseling bewust van het feit dat er meer is dan ik waarneem, dan ik erken. Ik kom daardoor tot een zoeken naar het nieuwe. In het zoeken verkrijg ik een vernieuwing, het is nog niet de waarheid, maar het is een uitbreiding daarvan. Dank zij deze uitbreiding kan ik ontkomen aan bepaalde voor mij pijnlijke toestanden. Ik leef in de wereld, ik stel mij open voor de krachten, precies dezelfde manier, ik kom door het gevoel, let wel, dus nooit weten, ik voel dat er in mij krachten werken, ik was lam en ik wandel. Waar is het verschil? De uitdrukking ligt in elke sfeer en elke wereld op zijn eigen manier. Maar het feit wat gebeurt en elke wereld op zijn eigen manier. Maar het feit wat gebeurt is hetzelfde. Door de openstelling + aanvaarding van iets,wat u HMG noemt, worden in mij bestaande gebreken opgeheven, althans aanmerkelijk vermindert, en daardoor ben ik in staat meer te zijn, te doen, of te beseffen dan voordien. Dan zou u dus die HMG van u kunnen proberen onder te brengen in een wet of in een soort gelijking. En als u nu nagaat dat de mensen die het meest intens geloven lang niet altijd die genade krijgen, maar dat het juist de mensen zijn soms waarvan je zegt, ja het is een maar een ogenblik van geloven en nu hebben ze het ineens beet. Gebeurt bij genezingen, maar ook bij bekeringen bv. Neem nu de kwestie van Paulus, het was eigenlijk een soort koppensneller. Hij zat achter de Christen aan, en die mens krijgt ineens die genade. Waarom? Dan ga je proberen vast te stellen, klaarblijkelijk is een, zij op het een ogenblik bestaande, volledig eerlijke overgave, aan hetgeen je erkent als goed noodzakelijk.

  1. De gevoelswereld in het ik moet harmonisch blijven met de idealen die in het ik bestaan.
  2. Men moet daarbij gedragen worden door een vrijheid van denkenen willen aanvaarden van condities die op ’t ogenblik niet als werkelijk bestaan.
  3. Men moet daarbij nog aannemen dat mijn eigen wezen de plaats waarop ik mij bevind of de instelling die ik heb, beslissend zijn voor het al of niet werkzaam worden van die genade voor mij.

Nu kunt u stellen ja maar zij komt toch dank zij eigen openstelling en streven overigens, van God, dat is heel goed mogelijk. Maar of het nu van God komt of niet. God gehoorzaamt hierin zeer duidelijk aan bepaalde regels . Wanneer ik die regels ken, zou ik dus mits mijn gevoelswereld het mij mogelijk maakt deze genade gemakkelijker kunnen verwerven en ontvangen dan zonder de kennis van die regels.

v      De laatste 3 regels die u aanhaalde hoe moeten we die dan toepassen op Paulus, alles schijnt hiermede in tegenspraak?

Paulus geloofde eerlijk dat hij zijn God diende door de Christenen te vervolgen. Zijn ideaal was een wereld waarin God de machtige was. Verder. Paulus was bereid om zijn eigen waarde te laten vervallen, dus een verandering van inzicht te aanvaarden die volledig strijdig was met zijn denkbeelden tot op dat ogenblik. En ten laatste hij bevond zich op een plaats, bewoog zich in een richting en had de juiste instelling, die juist op dat ogenblik hem a.h.w. in bereik bracht van die genade en dat is natuurlijk vanuit menig standpunt Godlasterlijk, maar toch stel ik dat, wanneer Paulus niet naar Damascus was gegaan en op die tijd daar was geweest, met juist die instelling, en beweging, niet die smak had gemaakt dan had hij niet deze innerlijke verandering gekend. U kunt zeggen het was Gods wil, dat dit gebeurde, en dan zeg ik weer het is ongetwijfeld mogelijk. Maar een mens die gelooft dat Gods Wil alles beslist, kan de handen in de schoot leggen en gaan zitten. Wanneer we aannemen dat de mens zelfstandig moet streven en werken, moeten we aannemen dat hij dus ook moet zoeken naar de weg om Gods Wil a.h.w. te kennen. De Goddelijke Wil a.h.w. op zich te richten en te ondergaan.

Het is vaak heel erg moeilijk om aan te nemen dat ergens een bepaalde wet bestaat. Vooral omdat men uitgaat van God dit en de engelen dat enz. maar mogen wij dit wel als vaststaand aannemen. Het is maar een vraag. Vooral wanneer wij nagaan hoe de mens aan zijn voorstellingen komt. God de vader, het vaderlijke type dus van Godheid, vinden we heus niet alleen in onze huidige voorstellingen, want wij vinden bijna gelijke afbeeldingen van de oppergod zelf van Griekenland, Zeus. Wanneer u gaat kijken bij de Noren dan vindt u ook daar diezelfde type weer. Dan vindt u de lustige Thor die ons doet denken aan een aartsengel

Michaël, en die in veel gevallen verdacht veel lijkt op sommige heiligen. Maar als u goed kijkt, vroeger vindt u Pan de natuurgod en de natuurgod die lijkt wel zo sprekend op de duivel dat hij alleen die toostvork heeft te danken aan de artiest waarschijnlijk, maar verder eigenlijk de natuurgod is gebleven.

Alles wat de mens tegenwoordig gelooft als zijnde kosmisch en alomvattend is klaarblijkelijk uit zijn eigen overleveringen tot hem gekomen, zijn voorstellingen komen daaruit voort. Die voorstellingen heeft hij langzaam geassocieerd met geheel andere waarden. Het is niet redelijk aan te nemen dat iets wat 5 eeuwen geleden God was nu ineens niet God maar demon is of omgekeerd. De kracht zal dus hetzelfde blijven en dan kom je tot eigenaardige conclusies. De kracht die u duivel noemt is krachtens de veel daarvoor gebruikte voorstelling voor een zeer groot gedeelte de natuur. En dat is logisch want het is de materie. De beperking, de vaste vorm en de terugkeer tot de chaos. En zo kunnen we al die dingen nagaan.

Wanneer wij ons binden aan de vaste voorstellingen die ons op ’t ogenblik worden voorgehouden en de vaste begrippen die ons worden gepredikt, maar ons niet realiseren waar ze vandaan komen, dan zullen wij nimmer daardoor iets kunnen bereiken, integendeel wij binden ons aan concepten die met de werkelijkheid niets te doen hebben. Een mens moet niet zijn God loochenen wanneer hij aanvoelt dat die God bestaat, dan moet hij nooit zeggen redelijk kan ik dat niet verklaren, dus is hij er niet. Hij moet afgaan op zijn gevoel, maar hij mag niet beginnen met symbolen ervoor te plaatsen en vooral woorden. Een kennis van mij zegde eens. De waarheid wordt door de mens steeds achter een masker van woorden verborgen. En dat is juist, want neem nou uzelf. Hoe vaak verbergt u uw ware opinie niet achter woorden. Wat dat betreft kun je natuurlijk geen bepaalde personen noemen, maar hoeveel staatslieden verbergen hun eigen onmacht achter een stortvloed van woorden, moet u maar eens opletten wanneer een door dictatoriaal geregeerde staat een staatsman langzamerhand door de gebeurtenissen wordt meegesleept dan begint hij plotseling 24 uur te babbelen. Wij moeten terug van dit iets binden aan een bepaald woord, bepaald begrip. Per slot van rekening, het zou toch wel erg dwaas zijn als een mens God zou kunnen omschrijven.

Als u nu eens voor uzelf probeert na te gaan wat bij u ongebruikelijk is. In elk leven komen van die voortdurende toevalsfactoren voor. Soms werk je daar onbewust zelf aan mee. Goed maar als je ze vaststelt, dan kun je in ieder geval ontdekken welke weerkerende toevalligheden in je eigen leven een rol spelen, en nu stel ik. Elke steeds wederkerende toevalligheid onverschillig van welk karakter optredend in je eigen leven is een uiting van iets dat in jezelf bestaat. Wanneer dit niet volgens redelijke normen te verklaren valt moet het dus iets zijn wat buiten deze redelijke normen valt, en mag worden gesteld dat de regels die je omtrent jezelf hebt geschapen, de opvatting die je van jezelf hebt, ten dele onjuist is.

Wanneer dit punt aanvaard wordt, volgt hieruit dat ik alleen door het observeren van mijzelf, van mijn eigen leven, door het steeds weer zien wat mij in feite overkomt zeer veel kan leren omtrent de invloeden die in mij of van buiten af op mij werkzaam zijn. Zodra een enigszins vaste regel zich daarin vertoont, kan ik proberen om deze regel in toepassing te brengen. Zij zal dan redelijkerwijze een zelfde soort toevalligheid moeten doen ontstaan.

Wanneer ik toevalligheden dus om kan zetten in door mij te veroorzaken zekerheden, wordt ik meester over mijn leven. Ik kan steeds meer toeval uitschakelen. Wanneer ik steeds meer toeval uitschakel dan zal ik mij dus bewust moeten worden van veel waarden die normaal niet erkend worden. Ik treed vanzelf binnen in het rijk wat men occult of bovennatuurlijk noemt. Het gebruik maken van de door mij erkende wetten is dan de zogenaamde magie.

Wanneer ik erken dat een bepaalde wet niet allen voor mijzelf optreedt maar ook in het leven van een ander naar voren komt; kan ik aan de hand van erkende gelijkheid voor de ander op dezelfde wijze toevalligheden veroorzaken als voor mijzelf. Waar gelijke waarden zijn moet worden aangenomen dat gelijke wetten gelden althans ongeveer gelden.

v      Is dit een basis voor een volledige harmonie Broeder?

Dit kan ook een basis zijn voor een volledige harmonie. Laten we zeggen dat we onder volledige harmonie hier willen verstaan een absolute gevoelsovereenstemming, ongeacht de uiterlijke verschillen en zelf tegenstellingen, waardoor een volledige samenwerking, ongeacht deze uiterlijke verschillen te verwaarlozen zijn. Wanneer in mijn leven en dat van een ander gelijke wetten werkzaam zijn betekent dit bijna zeker dat wij ergens een punt van overeenstemming hebben. Uitgaande van ditzelfde punt kan ik in die ander veel bereiken en kan de ander indien hij deze gelijkheid erkent ook in mij veel bereiken. Hij kan dit o.m. doen door voor mij toevalligheden te doen ontstaan die ik heb genoemd.

Perfecte harmonie is natuurlijk iets waar men onnoemelijk graag mee schermt, maar waar we erg voorzichtig mee moeten zijn.

Wanneer wij in deze zin, zoals ik nu het onderwerp tracht te belichten, te maken hebben met deze harmonie die wij niet zelf veroorzaken of menen te veroorzaken, die de ander niet zelf veroorzaakt of meent te veroorzaken maar die desalniettemin in beider leven voorkomen waarbij beiden bovendien klaarblijkelijk aan eenzelfde regel gehoorzamen.

v      Maar dan moet oorzaak en gevolg in dit geval dan toch bij de diverse personen vastgesteld zijn, want daareven heeft u toch gezegd dat er geen algemeen geldende regels zijn, als u bv. een oorzaak neemt die voor diverse personen verschillend kunnen zijn?

Maar wanneer ik ontdek dat er een gelijkheid is in verschijnsel en gelijke wetmatigheid optreedt ten opzichte van de invloed die de verschijnselen veroorzaakt, dan mag ik aannemen dat er voldoende overeenkomst is om door een van uit zijn nu te scheppen invloed bv. het scheppen van een juiste instelling, ook gevolgen met een redelijke overeenstemming zullen komen. Dus u kunt nooit bepalen bv. U gaat gaarne vissen. U hebt altijd baars gevangen met dat deeg, dat een ander dat nu ook kan doen als hij maar precies denkt als u, dat is niet zeker, het kan wel zijn dat hij snoek vangt. Maar dat neemt niet weg dat in beide gevallen iets gevangen wordt. En daar ligt dan het punt van overeenkomst. We kunnen dus niet details bepalen maar wel algemeen, daarop berust een hele hoop van die magie. Bv. een negerdokter maakt gebruik van de zogenaamde doodsmagie. Nu is het typisch dat deze doodsmagie alleen werkt, wanneer zowel degene die de magie volbrengt, als degene die er desnoods onwetend het offer van is eraan gelooft. Een zekere gelijkheid in levensgewoonten hebben. En ten derde op het ogenblik van de concentratie met elkaar als het ware in contact zijn al is het maar door een voorstelling of een beeld.

Ik heb u hoop ik duidelijk gemaakt hoe het zit met die magie. Er moet een zekere harmonie zijn inderdaad, er moet een zekere gelijkheid van instelling, afstamming en lotsverbondenheid zijn. De wetten die voor mij gelden, zijn niet de wetten die voor iedereen gelden, maar ze gelden wel voor ieder die een voldoende gelijkheid met mij vertoont. Proefondervindelijk kan ik aan het leven van iemand vastgestellen of hij aan dezelfde wetten gehoorzaamt, is dit het geval dan ka ik die mens krachtens die wetten beïnvloeden en natuurlijk is ook wederkerig datzelfde het geval.

Daaruit volgt dat er dus klaarblijkelijk zeer veel verschillende wetten zijn zo moegelijk. Stellen wij dat er een wet is die het totaal van de mensheid omvat, en waarvan elke individuele wet a.h.w. maar een regel een alinea vormt en niet meer. Uitgaande hiervan moet ik beginnen met het eigen experiment op den duur leren welke werkingen ontstaan voor anderen bij invloeden die dus voor mij in een vaste lijn liggen, maar die bij een ander een heel ander resultaat produceren. Wanneer ik de overeenkomst kan vinden tussen de geaardheid of type, de instelling vooral de gevoelsinstelling van de persoon en het resultaat is het voor mij mogelijk een vergelijking op te stellen waarin ik het type va de mens opneem, de door mij gehanteerde invloed + de erkende gevolgen hier de erkende gevolgen daar, ik kan hieruit concluderen welke kracht werkzaam is.

Daarbij geldt bovendien iets en dat zal voor u wel niet zo attractief zijn, maar voor iemand die aan mathematica doet wel, dat ik wanneer 2 factoren werkzaam zijn in een medium dat ik ken aan de aard van hun gevolgen binnen dit medium, ik beide niet gekende factoren ten opzichte van elkaar kan vergelijken en redelijk definiëren. Wanneer voldoende verschillen en fenomenen in het gekende medium veroorzaakt worden, zullen beiden anderen geheel gekend en omschreven kunnen zijn.

Nu kunnen wij dit niet mathematisch doen, maar wij kunnen werken met ons gevoel. De gevoelswereld is uitermate belangrijk want met ons aanvoelen van bepaalde werkingen en krachten kunnen wij ze leren kennen, ook al hebben wij er geen formule voor. Door ze regelmatig voor onszelf te hanteren leren wij de wet kennen, ook al drukken we ze niet in een formule uit, en kunnen ze dan ook ten opzichte van anderen toepassen. Er ontstaat een soort instinkt, een instinctief reageren of weten, dat eerst veel later tot een redelijk niveau kan worden gebracht maar dan ook de bewuste en redelijke beheersing mogelijk maakt.

U moet dit onthouden. Het is praktisch onmogelijk een andere dan de stoffelijke werkelijkheid in stoffelijke termen volledig juist uit te drukken. Ik kan zelfs mijn eigen innerlijke wereld nimmer volledig in redelijke termen weergeven. Waar dit het geval is zal ik steeds uit moeten gaan van mijn gevoelswereld. Ik kan echter redelijk mijn gevoelswereld beïnvloeden. Naarmate ik in mijzelf een vollediger overtuiging en een vaster geloof weet op te bouwen zonder daaraan condities te verbinden zal ik in staat zijn dit geloof en deze overtuiging voor mijzelf werkzaam te maken. Juist door het zoeken naar hetgeen waarop de in mij bestaande toestand, gevoelstoestand, reageert zal het mij mogelijk zijn niet alleen bepaalde resultaten te bereiken (iets wat leuk is maar lang niet het belangrijkste) maar voor mijzelf de grootst mogelijke beheersing van en kennis omtrent mijn eigen wezen.

Wanneer een wezen denkt zoals ik aanneem dat de doorsnee van de aanwezigen hier doet, dan zijn er voor hem enkele punten wel zeer interessant en zeer belangrijk.

Het 1ste is God. Het geeft niet hoe u zich God voorstelt. Elke voorstelling is krachtens het feit dat ze mogelijk is een deel van God. Maar die voorstelling moeten we dan volledig ondergaan.

In de tweede plaats. De eigenschappen die u door uw gevoel, dus in uw god legt moet u als volledig werkzaam in uw eigen leven beschouwen, zonder enige uitzondering.

In de derde plaats. Wanneer u die God als schepper van Leven ziet, is Hij levenskracht en levende kracht tegelijk. Hij is mijn levenskracht en de levende kracht rond mij. Wanneer ik in die God geloof, dan ben ik in directe verbinding met deze levende kracht, het is mijn eigen levenskracht, niet meer gelimiteerd of beperkt.

Hoe minder beperkingen ik in dit opzicht aan mijn denken opleg hoe vollediger ik mij één gevoel met die Godheid, hoe groter het vermogen ook waarover ik beschik. Ik kan altijd deze levenskracht gebruiken, wekken en overdragen voor eenieder met wie ik harmonisch ben, met wie ik dus een voldoende eenheid bezit.

Verder, het is mij onmogelijk om redelijk te omschrijven wat ik innerlijk onderga, en geloof, daarom is het gevaarlijk om mijn eigen innerlijke roerselen en belevenissen als feiten vast te leggen voor anderen. Ik zal echter moeten zorgen dat ik voor mijzelf een zo compact mogelijk gevoelsbeeld krijg, zowel voor mijzelf, mijn God als mijn wereld. Door dit tot stand te brengen zal elke eigenschap die ik daarin in mijzelf erken als mogelijkheid, werkelijk kunnen worden. Mijn ontplooiing zal op den duur voeren naar een deel van het ik dat redelijk, dus in een menselijke wereld of norm uitdrukbaar is. Wanneer ik in een sfeer leef geldt ditzelfde voor een niveau van de sfeer. Dus de wereld waarin ik leef.

Uitgaande van mijn innerlijke kracht, mijn innerlijk weten, het tot uiting brengen van mijn innerlijke gevoelswereld, ook wanneer dit redelijk niet aanvaardbaar lijkt, is voor mij het belangrijkste middel. Om zowel tot een juiste relatie met mijn God, als een juiste relatie met mijn omgeving te komen. Alles wat ik daaruit kan bereiken voert tot de ontwikkeling van datgene wat men magisch, paranormaal, occult enz. noemt, en schept een volkomen natuurlijke door wetten geregeerde wereld waarin het gehele wezen zover het bewustzijn mogelijk is, zich geheel kan ontplooien, met het geheel van dit wezen dus ook kan ervaren en zo zijn bewustwordingsproces aanmerkelijk kan versnellen, terwijl gelijktijdig grotere en veelzijdiger taken of lasten kunnen worden volbracht.

  

Uitgesproken te Antwerpen 19 december 1961.

  Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's:

  

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/