15-07-17

Over JEZUS.

Over JEZUS.

 

jezus

 

Ik zou vandaag eens willen vertellen over een eigen versie van een bepaalde Grootmeester en zijn werk op aarde. Ach, ik kan de naam er wel bij noemen: over Jezus.

Het is nl. zo dat je op aarde het idee krijgt dat Jezus een heel eigenaardig mens moet zijn geweest. Ze hebben zijn leven beschreven; en ergens spreekt telkens - als je het goed vertaalt - een zekere hoogmoed mee. Want Jezus treedt daar op en doet wonderen om te laten zien hoe machtig en hoe groot hij is; en dan weer is hij buitengewoon nederig, maar elke keer laat hij toch zien dat hij de baas is. Zelfs voor zijn kruisiging doet hij nog even een wondertje.

Die mens wordt voorgesteld als iemand die God is en met een zekere hoogmoed, nederig door het wereldje van de mensen heen wandelt. Hij wordt ook gezien als iemand die allerhande mooie leringen en gelijkenissen geeft, maar die aan de andere kant buiten de mensen staat. Ze zeggen wel met nadruk: Hij is mens geworden, maar ze bedoelen eigenlijk: maar hij was God.

U zult begrijpen dat een Meester zelf daarop ook reageert. En nu kunnen we van zo'n lichtende Meester niet verwachten dat hij even uitbarst in verwijt tegen de wereld. Als het mij zou overkomen (ja, ik ben zo ver nog niet), dan had ik gezegd: Ach, al dat ge­klets, al dat bedrog, die mensen zijn gek. Dat is mijn leer niet!

Jezus zegt het een beetje anders. Maar hij brengt toch een aantal argumenten naar voren, die ik de moeite waard vind en die ik u vandaag eens wil voorleggen. Het is dus het eenvoudigst dat ik doe, alsof Jezus spreekt, omdat ik op die manier het gemakkelijkst vertaal wat wij dus van hem opgevangen hebben, wat we van hem weten. Ik hoop dat u daartegen geen bezwaar hebt.

Ik zeg dus uitdrukke­lijk: Ik ben Jezus niet, helemaal niet. Maar wanneer hij ons helpt om te begrijpen wat de fouten zijn van de wereld, dan moet hij ons ook een beeld geven van wat er van zijn leer is geworden. En daarbij komen dan een aantal elementen naar voren, waaruit ik selecteer; ik haal er dus gedeelten uit, die passen in mijn betoog. Ik vervorm niet, ook niet door nalatigheid, of door het uitlichten van een zinsnede op een manier die niet hoort. Het is werkelijk Jezus' mening die ik weergeef. Ik geef het echter zoveel mogelijk weer zoals wij dat hebben opgevangen, omdat ik meen dat we zo de waarheid het dichtst benaderen.

En dan willen we allereerst de reactie geven van Jezus op zijn leer.

Je zou kunnen zeggen dat wij eigenlijk hebben gedacht: Ja, maar het Christendom is toch uit uw leer voortgekomen, Heer? Hoe komt het dan, dat dat allemaal zo verkeerd is gelopen?

Dat is vaak onze houding. We denken: Jezus heeft geleefd op aarde. Hij heeft daar allerhande dingen geleerd en wat ervan is overgeleverd, is zijn leer. En daarop gaf Jezus ons dit antwoord:

Wat men van mijn leven heeft overgeleverd, vastgelegd en geschreven, is niet waarlijk mijn leven, want veel van wat ik heb gezegd, heeft men verzwegen; en soms heeft men met nadruk dingen vermeld, die op zichzelf onbelangrijk waren en die zeker ook in mijn dagen op aarde niet de belangrijkheid bezaten die op het ogenblik de geschied­schrijver daaraan schijnt toe te kennen.

Want mijn leer was er een, waarmee de mens geen weg wist.

Ik heb hem geleerd om nederig te zijn en gelijk­tijdig sterk.

Ik heb hem geleerd lief te hebben zonder te eisen.

Ik heb hem gezegd: God is onze Vader.

Ik heb met mijn hele wezen een brug willen bouwen tussen de beperktheid van de mens en de oneindigheid waarin wij leven. Maar hij heeft dat niet willen begrijpen. De brug is hem te wankel. Zijn eigen wezen is voor hem onvolledig en daarom heeft hij vaak dingen veranderd.

Hij heeft vaak vroom bedrog gepleegd door bepaalde beschrijvingen van mijn leven als onecht te verklaren of te doen verdwijnen; door een enkel woord te wijzigen of een nadruk te verande­ren in gelijkenissen die ik eens heb gesproken, want de mens wilde een organisatie. Hij wilde een staat stichten.

Wanneer de mens grijpt naar een organisatie, dan grijpt hij naar een macht die hij onvoldoende begrijpt. Want je kunt de massa niet vormen zonder eerst de mens te vormen. En het is onmogelijk waarlijk de mensheid te regeren, wanneer de mensen niet eerst zichzelf beheer­sen.

Zo heeft men van mij gemaakt een God. En ik was geen God. Ik heb de mensen geleerd: Wij allen zijn kinde­ren Gods. Wij allen zijn zonen Gods, want waar­lijk, wij zijn allen uit de Vader voortge­komen en wij leven allen uit dezelfde kracht. Maar zij hebben gezegd: Hij was de Zoon Gods, want zij aarzelden voor zichzelf dit erfdeel aan te nemen en deze ver­plichting te aanvaarden.

Ik heb gezegd: Mijn weg is er één van de vele. Maar dat, wat mijn wezen in zich draagt, is de weg en de waarheid. En: niemand komt tot de Vader dan door mij, bedoelende, dat eenieder die tot de Onein­dige gaat, de brug moet slaan over de menselijke beperkingen en moet ingaan tot het begrip van de eeuwigheid, waarin hijzelf alleen leeft, waarin hijzelf alleen aansprakelijk en verantwoorde­lijk is, waarin hij de Vader vindt.

En de mensen hebben gezegd: Hij is de enige waarheid en al het an­dere is een leugen. Ze vergeten dat ik heb gezegd dat er ook schapen zijn van andere kudden dan de mijne. Zij noemen mij de goede her­der, omdat ik de verdoolden zoek. Maar ze hebben weggela­ten het woord dat ik daarna sprak:

Want wie zichzelf niet kan helpen, die zal ik helpen. Doch wie de vrijheid zoekt in de bergen en leeft in de vreugde des Vaders, die zal ik niet terugdrijven tot de kudde, die zinloos trekt naar de wil van de herder.

Ik heb hier een paar dingen weergegeven. Het is belangrijk dat we de figuur Jezus eens anders leren zien. Deze Meester, die op het ogenblik ook op de wereld werkt en steeds weer heel veel doet voor de mensheid, begint dus alvast te ontkennen dat hij God is. Hij zegt: ik ben niet meer of minder God dan jullie. Ja, daar valt dan al een heel groot argument weg. Als je zegt: Jezus is God, dan kun je zeggen: Hij is even onveranderlijk waar. Maar als - zoals hij dat zelf zegt - wij allen deel Gods zijn, dan kan hij dichter bij de Vader staan dan wij, maar hij kan niet een dwang zijn voor ons wezen. Hij kan niet het enige zijn, de enige weg.

En als je dan verder kijkt, zeg je: Ja, uit een vroom bedrog heeft de mens dus Jezus' leer vervalst. Dat zegt de Meester zelf. De mens heeft dat waarschijnlijk niet gedaan om kwaad te doen, maar hij wilde organiseren, hij wilde een staat worden, hij wilde Gods rijk op aarde. Jezus verzet zich kennelijk daartegen. Hij zegt:

Neen, wat zij willen dat is niet in mijn geest. Ik wil de mensen niet dwingen in een kudde. Ja, als ze niet verder kunnen, dan wil ik hen helpen. Maar als er een vrij gaat, dan zal ik hem niet terug­ dwingen naar mijn beperkte groep, die ik probeer te leiden, omdat ze zelf niet sterk genoeg is. Dan ben ik blij dat ze gaan.

Wat blijft er eigenlijk over van Jezus als een God die gelijktijdig de geestelijke dictator van de nieuwe tijd is? Uit zijn eigen woorden merk je dat het volledig onjuist is.

Zo heeft hij ook gesproken over het Koninkrijk Gods. Nu is het Koninkrijk Gods iets, waarmee wij ons ook vaak bezighouden. Maar Jezus geeft ons daarop een heel aparte visie.

Wanneer ik zeg dat het Koninkrijk Gods in de mensen is, zo menen zij dat het een rijk is waarin God heerst boven alles; een regering waarin zij onderdanen zijn. En toch heb ik tot hen gezegd: Mijn geliefden op aarde, het Ko­ninkrijk Gods is in alle leven. Want ziet: in alle dingen is Hij en uit alle dingen weeft Hij zijn volmaaktheid.

 Maar gij, erkennende uw eigen wezen, erkennende uw deel-zijn van alle schepping en alle oneindigheid, wees bewust deel van het Koninkrijk Gods, want het ligt altijd in u. Maar eerst wanneer ge het vindt, maakt ge het tot werkelijkheid.

Overijverigen hebben gezegd dat het Koninkrijk Gods nu nog in de mens leeft, maar dat eens de gehele wereld zal worden geregeerd door mij. De dwazen, die niet weten dat regeren is: anderen hun verplichtingen, hun mogelijk­heden ontnemen en hen uit de vrijheid van een zelfstandig leven voeren naar de bekrompen beperktheid van een onbe­wust vegeteren.

Waarlijk, ik zal niet terugkeren op aarde om te heersen; en zo ik terugkeer, is het om te dienen dat wat mij gelijk is, wat mij verwant is, wat zoals ik deel is van het Koninkrijk Gods, niet meer en niet minder.

Hier staan we dus ook weer voor een groot probleem. Een deel van de Christenen beroept zich op de wederkomst van Jezus. "De Zoon des Mensen zal terugkomen," roepen ze uit, "heersend over de wereld, gezeten op de wolken, geweldig in zijn kracht; en zijn uitverkorenen zal hij beschermen, maar de anderen zal hij zijn engelen zenden en de dood en de ziekte en hij zal hen vernietigen. Hij zal hen uit­drijven naar de hel."

Jezus zegt dat daar niets van waar is. Nu moet u mij niet kwalijk nemen dat ik Jezus eerder geloof dan die mensen. Want de Meester heeft zo zijn eigen opvatting over het leven. Een opvatting die waarschijnlijk veel dichter bij de waarheid ligt dan de onze, daarover zullen we niet vechten, maar die dus alle idee van macht, van gezag, van geweld uitsluit. In dit verband is het misschien aardig te horen, hoe Jezus denkt over het begrip "strijd". Want u begrijpt dat er op aarde op het ogenblik ontzettend veel wordt gedaan in naam van het Christendom. Jezus zegt dit:

Indien een zieke tot mij komt en ik genees hem, zo is dit geen wonder maar de vervulling van mijn wezen, mijn taak, de verbondenheid tussen mens en mens. Men heeft echter gezegd: "Hij die was en die zal weerkeren, eist van ons dat we strijden, dat we een erkenning afdwingen voor zijn grootheid en wezen." Ze zeggen: "Het is in zijn naam dat we strijden voor de vrijheid der mensen, voor hun welvaart en hun geluk."

Maar ik heb daarvoor nooit gestreden. Ja, ik heb alle strijd verme­den. Want nimmer heb ik, in de naam van andere waarden dan mijn eigen, geweld gebruikt. Mens onder de mensen heb ik zeker de drift gekend, die kookt in de aderen. Ik heb mijn beheer­sing verloren enkele malen in mijn leven, zoals iedere mens. Maar nimmer heb ik geweld gepre­dikt als een middel om de mens dichter tot God te brengen.

Ik sprak tot hen: Gij zult geen haat kennen en geen wape­nen kennen. Zo men u slaat op de linkerwang, keer de rechter toe. Bemin uw vijanden.

Ik heb tot hen gezegd: Het is beter te sterven zonder haat dan te leven door geweld.

En ik heb tot mijn leerlingen gezegd: Want weet dat ik u niet de innerlijke vrede breng; ik breng u het zwaard. Want voor gij de eeuwigheid aanvaarden kunt, zult ge de beperktheid van uw tijdelijk denken moeten overwinnen.

En ziet, men heeft mijn woorden veranderd, zeggende dat ik kwam om de wereld het zwaard te brengen. En men heeft het zwaard genomen en in mijn naam dood en verderf gezaaid, waar ik de mens had geleerd om slechts leven te geven en liever te sterven dan ooit geweld te gebruiken.

Dus Jezus verzet zich hier zelfs tegen het idee dat men in zijn naam iets kan doen met geweld. Het is alles onderwerping wat hij predikt. Niet aan jezelf, maar aan God. Hij predikt liefde. Niet als een beperkt idee van Christelijke naastenliefde die je kunt voldoen met een paar centen in een kerkezakje en een erfenis als je toch doodgaat, maar als een verbondenheid, die niet ophoudt op een bepaald punt, maar die gaat van het begin tot het einde; die is de eeuwige aanvaarding van God in de medemens. Dus het begrip van de eeuwigheid, gevormd uit het leven, dat is waar, maar verdergaande dan alle menselijke leven en menselijke voorstelling.

Misschien is het goed ook te spreken over Jezus en zijn beeld van de liefde. Want de Meester reageert natuurlijk op onze denkbeel­den, op wat wij zien op de wereld en op wat wij proberen te doen, wanneer hij ons leringen geeft. Over de liefde zegt hij ons dan dit:

Heb ik ooit een mens verweten dat hij heeft liefge­had? Waarlijk, ik heb de overspelige vrouw gered. Ik heb gesproken met de Samaritaanse. Dit heeft men geschreven. Maar dat ik samenging met Magdalena, dat heeft men uitge­wist. Dat rond mij niet slechts waren de strevenden en bewusten, maar ook de slaven der zinnen, dat heeft men niet geschreven; want de mens heeft een oordeel geveld. Hij heeft de liefde gebroken; en hij ziet al wat buiten zijn wet is als zondig en verkeerd.

Toen ik sprak tot de overspelige vrouw: Ga heen en zondig niet meer, toen zeide ik tot haar: Verloochen uzelf niet meer. Verkoop niet dat wat ge slechts waarlijk geven kunt indien uw wezen die gaven bevestigt. Dat was alles.

Ze hebben van mij gemaakt een strenge leermeester. Maar waarlijk, ik heb de mens slechts geleerd dat hij zichzelf moet zijn, beantwoordende aan zichzelve, aanvaar­dend de wereld rond hem in ware liefde.

Ik heb hem geleerd te bidden voor zijn vijanden. Ja, waarlijk, ik heb gebeden voor mijn beulen. Maar ik deed dit niet omdat alleen dit liefde is, want ik heb alle dingen liefgehad: de wegen in de zon en de velden, de mensen met wie ik sprak, de kinderen die tot mij kwamen, de zieken. Ja, ik heb het licht en het duister bemind, leven en dood. Zo bemin ik nog alle dingen.

Wie zijn dan deze mensen, die bepalen wat ik heb liefge­had?

Waarlijk, mijn weg gaan wil zeggen: waarlijk beminnen uit je eigen wezen en zonder beperking, dienende omwille van de liefde, maar niet verloochenend jezelf om de taak weer te geven.

En misschien dat ik hier iets mag commentariëren wat Jezus misschien ook gezegd zou kunnen hebben, maar wat in zijn woorden, in zijn uitgezonden gedachten, niet is terug te vinden. Het is nl. die kwestie van de twee zusters: Martha en Maria.

Martha is de zorgende. Je zou zeggen: in de moderne tijd had ze waarschijnlijk al gauw de managerziekte gehad. Maria was degene die nergens aan dacht; ze luisterde, ze was zichzelf. Jezus maakt tussen de twee geen onderscheid. Hij zegt:

Als het je aard is om te zorgen, dan zorg je. Maar als het je aard is om te luisteren en te dromen, dan droom je en luister je.

Jezus heeft die taken niet veranderd. Waarom moet de wereld dan tegenwoordig zeggen, dat je om Christus waarlijk te dienen je ook je wezen moet verloochenen en dat je voor hem moet strijden? Ik weet het niet. Ik vind het allemaal zo eigenaardig. En als ik zo de hele geschiedenis bezie en alles wat de Meester zo in de loop der tijd heeft geleerd en gezegd, ja, dan begin ik me af te vragen wat er eigenlijk is overgebleven van de ware Jezus, de ware Christus.

Er zijn zoveel van die begrippen die de mens nu maar hanteert (en die wij ook weleens hanteren) en die - als je ze goed be­schouwt - eigenlijk geen betekenis hebben.

Neem nu bv. de kwestie van de Mozaïsche wetten. Is de Mozaïsche wet nog geldend of niet? Want Jezus heeft ons gezegd: "Ik ben u het einde van het oude Verbond." Maar heeft hij ook gezegd dat hij een nieuw Verbond is. Neen. Toch nemen wij aan dat hij ons het "nieuwe Verbond " is. Ik heb van Jezus zelf daarover weinig commentaar gehoord, tenminste in directe zin. Ik herinner me alleen dat hij een keer heeft gezegd:

Elke mens sluit zijn eigen verbond met God. Zolang hij dit beseft, draagt hij in zich de wet; en die wet levende is hij met de Vader. Maar de mens die een verbond sluit met God in gemeenschap van velen, hoe kan hij, zonder zichzelf te verloochenen en te bedriegen, ooit de waarde van die wet volbrengen?

Meer heb ik helaas niet voor u. Ik zou graag meer commentaren geven, zoals Jezus dat heeft gegeven, maar ik kan slechts zeggen:

Klaarblijkelijk is er een verkeerd begrip. God is geen contractant te anderen zijde. Er is geen contract tussen mens en God. Er is eenheid van leven. Die eenheid van leven kun je nu wel op duizend manieren omschrijven, maar je kunt haar alleen zelf waar maken. Al gehoorzaam je alle wetten en alle geboden die er ooit zijn geschre­ven en je doet het alleen maar omdat het de wetten zijn en niet omdat het God is waarin je leeft, de verbondenheid met God die je in je erkent, dan heeft het geen betekenis en is het niets waard.

Misschien is het een kwestie van zelfbedrog dat de mensen denken: Wanneer wij iets doen en anderen doen het ook, dan moet God het wel buitengewoon mooi vinden. Dat is eigenlijk God mens maken. Ik geloof niet dat we God, dat we de Vader, dat eeuwige begrip, als mens mogen zien. En naar ik meen steunt Jezus deze opvatting toen hij (dus niet sprekend over zijn leven op aarde) in een lering die hij in een van de sferen gaf, het volgende naar voren bracht:

Het leven uit de Kracht die wij de Vader noemen, is in zich zelve de Vader zijn. Hoe kunt gij meer of minder God zijn, indien gij, niet God zijnde, niet leeft? Hoe kan uw wereld meer of minder God zijn dan een andere wereld, meer of minder deel zijn van Zijn wezen, indien niets bestaat zonder Hem?

Waarlijk, ik zeg u: gij zijt in en uit uzelve verbon­den met de eeuwigheid. Gij zijt Koninkrijk Gods, elk voor zich en allen tezamen.

Er is geen kracht en geen macht en geen wet, er is geen begrenzing en geen poort, waardoor gij niet kunt schrijden, die u van God afhoudt. Want God is deel van uzelf. Al het andere is illusie; want uw wereld kan ver­bleken en een nieuwe wereld kan voor u ontwaken, samen­smelten en herrijzen. Het licht verandert zijn kleur en de zang der engelen is een melodie die soms wegsterft, soms aanzwelt. Ik zeg u echter: Dit alles is niet de waarheid, want de waarheid is God in uw wezen. En deze vindende, bezit gij alle dingen.

Hier geloof ik dat Jezus mijn idee wel steunt. Er is geen vaste wet of contract. Neen, er is alleen maar het essentiële leven zelf: de verbondenheid met God. Die verbondenheid kunnen we ontkennen of we kunnen haar in een bepaalde vorm gieten, maar waar maken kunnen we haar alleen vanuit onszelf. En dan hebben we ook met niemand en niets te maken, want God is in ons. Dat betekent dat we niet erover kunnen gaan handelen, of we wel of niet in een mooie sfeer komen, indien we dit of dat gaan doen. We kunnen alleen zeggen: We beant­woorden aan God die in ons leeft, of we verwerpen hem.

Het is misschien een heel typisch beeld, maar Jezus heeft op aarde ook weleens van die dingen gezegd:

Keer tot de Vader Die in u leeft en verloochen niet het Koninkrijk Gods dat in u bestaat. Want waarlijk, zo ge u daarheen keert en vraagt, het zal u worden gegeven. Zo ge aanklopt, waarlijk, u zal worden opengedaan.

Dat heeft hij dus in feite gezegd. Het ging dus niet om de kwestie: je moet naar buiten toe bidden. Je moet je bewust worden van de kracht die in je leeft. Wanneer je werkelijk intens aan jezelf vraagt om een antwoord op een bepaalde vraag, dan krijg je het. En wanneer je wilt doordringen in die delen van je wezen die je bewustzijn normaal niet kan bevatten en je doet dat met voldoende kracht, dan zijn er geen poorten die je tegenhouden en kun je binnengaan.

Ook hier is er wel enige overeenstemming met wat Jezus eens heeft gezegd over de wereld. Hij zei nl. dit:

En zo bidden zij tot mij en zij zeggen mij: "Heer, geef mij de eeuwige zaligheid." Maar ik ben minder; minder dan het minste dat de mens heilig noemt, want ik ben slechts deel van het Eeuwige; een brug geslagen tussen mensenwereld en eeuwigheid, tussen beperking en oneindig­heid.

Zo zij mij bidden, ik kan hen niet antwoorden. Zelfs wanneer ik naast hen ga en tracht hen te steunen, zo beroepen zij zich op mijn macht en niet op de kracht die in hen leeft, de enige werkelijkheid die ons verbindt: ons geboren-zijn uit God en onze liefde voor God om alle dingen en voor alle dingen om God.

Jezus heeft er dus klaarblijkelijk een beetje hekel aan, als er zo tot hem wordt gebeden. Hij kan het begrijpen dat de mensen het doen, maar hij vindt het helemaal niet prettig. Want de mens moet niet bidden dat Jezus iets moet doen. Neen, hij moet het zelf doen. Jezus zou een waardig aanhanger van Feyenoord zijn geweest, want ik geloof dat het "Geen woorden, maar daden" ook hem op het ogenblik in de mond bestorven zou liggen.

Jezus is helemaal niet de vroom zoetelijke, almachtige figuur die ze van hem hebben gemaakt. Jezus is een levende kracht die in zich God heeft gevonden en zo de eeuwigheid in zichzelf draagt en uit zichzelf kan voortbrengen, maar haar aan niemand anders cadeau kan geven. Hij kan alleen zeggen: Zo is de weg.

Misschien is het wel aardig om iets te citeren dat Jezus eens heeft gezegd. Hij zei dit:

Ik, die de weg ben gegaan, kan een ander wijzen, hoe de weg te gaan en waarheen. Ik kan hem zeggen waar het einddoel is en waar hij kan rusten. Maar ik kan hem niet dwingen om te gaan. Ik kan hem niet dragen. Hij moet zelf gaan op de weg.

Maar men vraagt mij niet: Hoe moet ik gaan? Men vraagt mij slechts: Zorg, dat ik op mijn bestemming kom.

Dan maakt hij er een klein grapje bij dat u alleen kunt begrijpen als u weet hoe die Meesters samenwerken. Jezus zegt:

En waarlijk, indien zij gedragen willen worden naar hun bestemming, zouden zij zich niet beter tot Mohammed kunnen wenden?

Mohammed was kameeldrijver, Jezus niet. Hij bedoelt doodgewoon: Als jullie nu kamelen nodig hebben, moet je niet bij mij zijn. Ik ben maar een eenvoudig mens.

Deze typische humor kunt u misschien niet helemaal verwerken, want het is net als vuurwerk dat spet en spat met vonken door elkaar; het ene ogenblik zie je de oneindigheid in hun gedachten en dring je door tot waarheden, die de hele geschiedenis vervullen en het volgende ogenblik is er eventjes een lach en dan denk je: Ja, zo zijn jullie grote Meesters eigenlijk ook precies als wij geesten en alle mensen. Maar waar het om gaat: Jezus draagt de mensen niet.

Ik moet eerlijk zeggen dat Jezus soms dingen zegt die met alle liefde waarmee ze worden gezegd, op aarde nog weleens erg bitter zouden worden ontvangen. Jezus heeft het bv. over de kerken die zijn opgericht en wat zegt hij? Hij zegt:

Er zijn priesters die prediken in mijn naam en die magische handelingen voltrekken in mijn naam, zeggende zelfs dat mijn wezen daarbij tegenwoordig is en ik zal hen niet verloochenen. Want waar men zich op mij beroept en ik kan hen helpen, daar zal ik met hen zijn.

Maar hoe kan een mens die een deel van het leven verloochent, een mens die predikt in een onoprechtheid omdat hijzelf niet kan geloven wat hij als zekerheid aan anderen voorhoudt, wat kan ik hem geven?

Hierbij past mooi een stukje - ook genomen uit die leringen, maar een heel eind verder:

Wanneer men zegt: "Ik huw de kerk", zo vraag ik hen: Brengt dan dit huwelijk kinderen voort, of slechts de dorheid waarmee gij de wereld der mensen verlaat, zonder de wereld Gods te betreden?

En wanneer men mij zegt: "Wij moeten leven voor en vanuit de kerk en het is onze taak alleen om te leraren", zo zeg ik tot hen, maar zij verstaan mij niet: Was ik dan niet timmerman en zoon van de timmerman? Heb ik dan niet gevist met de vissers? Heb ik niet geverfd met de ververs in Tiberië? Heb ik niet geoogst met de oogsters? Ik heb gewerkt; want mijn leven was arbeid met de mensen en een leer daaruit groeiend.

Zij echter maken de leer tot hun arbeid; en de mensen beroeren ze niet.

Dat is echt Jezus. Hij heeft begrip voor hen en ik zou haast zeggen: Hij heeft hen zelfs lief om de mislukkingen. Hij zou hen willen helpen, maar hij zegt: Hoe kun je nu werkelijk leraren, als je niet bereid bent om ook wat anders te doen? Wanneer je zegt: Ja, maar ik ben te heilig, of ik ben te vroom, of te verheven om andere arbeid te verrichten.

Als je het allemaal samenvat, dan komt de werkelijkheid van Jezus' leer eigenlijk hierop neer:

Wees mens met de mensen. Wees dienaar van eenieder die je diensten behoeft, maar slaaf van niemand.

Wees jezelf; en wees vrijelijk jezelf in alle dingen, maar eis niet dat anderen dit goed heten.

Leef met God in je, omdat God in je de wet is waar­uit je kunt leven.

Begrijp heel goed dat - zoals ik jullie ben voorge­gaan - je zelf het pad kunt vinden, waardoor de Vader in je spreekt.

Jezus zegt eigenlijk:

Jullie hebben nu wel van mij een God ge­maakt, maar zijn jullie niet allemaal Goden? Zijn jullie niet allemaal Goden, omdat je alle­maal uit precies dezelfde Kracht bestaat en eigenlijk op precies dezelfde manier leeft. Wat zijn voor jullie de verschillen in tijd? Wat maak je je druk over onbelangrijkheden, over nietigheden. Wees je­zelf, vertrouw op de Kracht die in je woont en volbreng zo datgene wat je in je erkent als goed.

Kijk, ik zou haast zeggen: het is werkelijk moeilijk om die Jezus aan de mens voor te leggen. Maar dat is dezelfde Meester die we op het ogenblik steeds dichter bij de wereld zien komen. Het is Jezus, die de mens probeert vrij te maken van alles, wat de laatste 2000 jaar de mensen in zijn naam hebben gedaan.

En dan kun je je haast niet voorstellen dat Jezus op een gegeven ogenblik zegt:

Is dan niet elke mens een tempel, waarin de Vader woont? Laat hij dan die tempel sieren, opdat de Vader waardig ontvangen zij in zijn wezen en erkend zij als de bron van alle bestaan.

En dan zegt hij er prompt achteraan:

Want zou de Vader willen wonen in huizen vol pracht en praal? Zou ik willen wonen in huizen vol pracht en praal? Ik, die altijd heb getrokken langs velden en die alle dingen liefheb, omdat ze uit de Vader zijn, terwijl er mensen zijn die hongeren, terwijl er mensen zijn zonder dak en zonder kleed?

Jezus zegt doodgewoon: De kerken, die jullie hebben gebouwd, dat is waanzin mensen. De manier waarop jullie preken is waanzin. Die hele Christenheid is waan. De Christelijke wetgeving, de vroomheid, zelfs de zondagsrust, dat is allemaal waanzin. Dat hoort er niet bij. Wat in jezelf is, wat in je leeft, het dienen van de mens, dat is belangrijk. Je hoeft geen slaaf te zijn, van niemand. Maar help de mensen, dien de mensen zo goed als je kunt. Wijd daar alles aan, dan dien je God.

Wat heb je eraan om erover te preken wat God wil en niet wil? Leef wat je in jezelf erkent dat God wil; en alles is in orde.

Ik ben bang dat de Christelijke wereld daarvan nog weleens een opduvel kan krijgen in de komende tijd.

U vindt het misschien vreemd dat ik zo speciaal over Jezus praat op het ogenblik. Maar u moet begrijpen: het gaat er mij dan ook helemaal niet om, om wat opzienbarende dingen te zeggen. Misschien weet u het allang. Maar Jezus, die Grootmeester van Licht, die eeuwige Lichtende zelf, die onze dienaar wil zijn, elke keer weer (de onze in de geest, maar ook de uwe), die is op het ogenblik in de wereld om te helpen, waar de wereld zich wil laten helpen. Maar diezelfde Jezus verloochent alles, wat de mensen in zijn naam hebben gescha­pen. Hij zegt niet dat het zondig is (zondig, dat is tenslotte een misdaad tegenover jezelf, doordat je niet beantwoordt aan God), hij zegt alleen maar dat het geen deugd is, omdat het je niet edeler of beter maakt.

Ik denk, dat we daarmee in de komende tijd nog weleens een aardige dobber mee kunnen hebben. Want al die Grootmeesters, die op het ogenblik zo dicht bij de aarde komen en die hier zelfs weer op hun manier gaan leraren, die zullen op een gegeven ogenblik grote controversen moeten scheppen; dat kan haast niet anders.

De mensen denken Allah is Allah en Mohammed is zijn profeet (en hij is de enige profeet), die krijgen van dezelfde Mohammed te horen:

Ik heb de woorden gesproken van Allah, zoals ze in mij waren. Erkent gij die woorden in uzelve en gij zijt profeet.

Ja, dan zitten ze ook omhoog, want er zijn zoveel profeten. En wie heeft dan nog de macht in handen? En hoe moet je dan de regels nog stellen? Zo kun je doorgaan. Ik zie daaruit grote conflicten voort­komen.

Ik zou het eigenlijk jammer vinden, wanneer de mensen daarin worden betrokken. Wanneer ze - laten we maar eerlijk zijn - een korset aantrekken om mooiere vormen te krijgen met het gevolg, dat de ruggengraat wordt aangedaan en het darmstelsel in het gedrang komt en het hart het niet meer doet.

Het Christendom, de godsdienstige leer van deze dagen, is voor heel veel mensen een te nauwe gevangenis geworden; een harnas waar ze niet meer uit kunnen. Zonder dat kunnen ze niet meer zelf leven of staan. Toch mag in deze vernieuwing, in deze nieuwe tijd, de mens niet meer blijven bouwen op iets uiterlijks (een harnas), want daaraan gaat hij toch te gronde en moet hij toch geestelijk opnieuw beginnen.

Ja, zoals nu dat gegrom daar klinkt, zo zullen er velen grommen in wanhoop en ellende en verzet. Er zullen er zelfs wel bij zijn, die zeggen: Liever de wereld ten gronde, dan dat elke mens zelf beslissen mag wat hij goed acht. Want zo is de wereld.

Ik heb vanmorgen geprobeerd om u een inzicht te geven in Jezus. Ik heb dat allemaal netjes in elkaar gedraaid, meen ik, en u zult zich daarvoor misschien wel interesseren. Maar ergens moeten we toch Jezus terugvinden.

 We hebben het nu over Jezus gehad, niet als de profeet, niet als de stichter van een godsdienst, maar als een Zoons des Lichts, een bron van hemels Licht, dat ons wil dienen, wanneer we dienst aanvaarden. Dan geloof ik, dat er geen beter woord is om deze ochtend te beslui­ten dan weer een lering van Jezus.

De Verlichte sprak tot een aantal zielen, ten dele gekomen uit de mensheid, ten dele uit de sfeer en hij zei tot hen:

Waarlijk, eeuwig is de vreugde van het wezen, dat zichzelf doorgrondt en daarin God vindt.

In deze vreugde kan men niet haten en niet verwijten. Men kan slechts beminnen, omdat Gods volheid in alle dingen leeft.

De Vader, Die is in al, al wat is in de Vader is in mij, het is in u, het is in allen.

Laat u niet misleiden door de uiterlijke dingen, maar keer tot uzelf, ken uzelf, erken God die in u leeft, omspan de wereld van begin tot eind en weet: dit is de vreugde ons bestemd vanaf het eerste ogenblik. Dit is de waarheid van het leven, dit is de verbondenheid met alles, waarin geen grens of scheiding kan bestaan.

Deze leer, deze woorden van Jezus, zijn voor mij een waardig slot voor deze bijeenkomst en ik hoop dat u het mij eens bent.

Ik wens u toe, dat u misschien iets van het ware Christendom vanbinnen beleeft, iets van het ware Licht in uzelf vindt en in ieder geval steeds gelukkiger wordt in geheel uw wezen.

 

14:20 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jezus |  Facebook |

24-07-16

Innerlijk van de mens - verschillende benaderingen.

Innerlijk van de mens - verschillende benaderingen.

innerlijk, mongool, china, boeddha, jezus, mohammed, begoocheling, menselijke lust,allah, koninkrijk gods,

Tzu Liang Hou, een Mongool,

die ook in China een tijd heeft gewoond,

schreef eens een korte definitie neer van het innerlijk van de mens:

“In de mens zijn krachten. Doch indien de krachten in de mens zich uiten, is de mens zichzelf niet meer.”

Wij allen weten, hoe grote leraren als bv. de Boeddha, als Jezus, als Mohammed,

getracht hebben op hun eigen wijze dit beeld duidelijk te maken.

Boeddha zegt ons:

“In ons sluimert het Al. En indien de ban der begoocheling valt, de waarheid ons wordt geopenbaard, dan zijn wij één met het zijnde.”

Mohammed zegt ons:

“Gereinigd van het menselijke en de menselijke lust zijn wij één met Allah in Zijn hoogste hemel.”

Jezus zegt ons:

“Het koninkrijk Gods ligt in U.”

19-07-16

Jezus gehele leerstelling zeer kort en simpel samengevat.

 Jezus gehele leerstelling zeer kort en simpel

 samengevat.

 

Jezus,wereld, eigen wezen, begeerte, vreugde, bezit,

“Tracht je eigen wezen te vergroten, totdat het de wereld omvaamt en elke wereld, die je kent.

Hoe meer je van de beelden der wereld kent, hoe duidelijker het je zal worden, hoe God de schepping wil.

Streef er naar niets meer lief te hebben dan iets anders.

Niets intenser te bezitten of te begeren dan iets anders.

Wat je gegeven wordt, is een vreugde, waarvan je mag genieten.

Maar datgene, wat je begeert ten koste van anderen of ten koste van mogelijkheden in jezelf, is schadelijk.

Zo beheers het begeren, verwerp het bezit en ken slechts de vreugde van het bestaan.”

11:52 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jezus, wereld, eigen wezen, begeerte, vreugde, bezit |  Facebook |

20-06-16

DE TUIN DER WIJSHEID. Deel 3.

DE TUIN DER WIJSHEID. Deel 3.

Jezus, Boeddha, inwijding, vrijheid,daimon,

 

Echter, dit is te algemeen. Gij vraagt u af: Hoe heeft de mensheid zich dat pad gedacht?

"Gij zult," zo roept een oude pedagoog uit, "gij zult één‑zijn met de mensheid en gij zult altijd het grootste goed voor de grootste meerderheid zoeken."

Maar hij vergat erbij te zeggen. "zover die meerderheid dit wenst."

Daarom is deze bloem niet volmaakt.

 "Gij zult het grootste goed zoeken."

Wij horen het steeds weer. Wij horen het in de termen van Jezus'.

“Heb uw naasten lief."

Wij horen het in de termen van Boeddha;

"Laat goedheid en gerechtigheid de pilaren zijn, die u steunen op uw pad."

Wij vinden het terug in de oude leer der kabbala. Wij horen het in menige esoterische leerstelling. En in vele inwijdingen zijn er liederen, die op haast onvoorstelbaar schone wijze ons hetzelfde zeggen.

Ik wil u er één citeren, ofschoon het onbekend is, want de tempels, waar de inwijding geschiedde, zijn reeds lang tot stof vergaan. Daar werd, wan­neer de neophiet binnentrad, gezongen een lied:

"Gij, die sterft om te leven, gij, die leven zult om één te zijn met de dood, zie rond u. Want niets in de wereld kan u beroeren dan door uw eigen wil. Niets in de wereld kan u vervreemden, dan door uw eigen wil. Machtig zijt gij, indien gij niet zondigt of misdrijft tegen de­genen, die met u leven en niet vreest dat, wat de Schepper rond u heeft gesteld. Gij, die leeft en dood zijt, gij die leven zult in de dood, uw weg is getekend. Laten uw voeten licht gaan op het pad en vervullen uw lot en het lot der mensheid."

De berijming, de eigenaardige melodiek, de snaarinstrumenten en het zoe­mend koor kan ik u helaas niet weergeven. Ik kan u slechts een spreuk geven; een spreuk, die een bloem van wijsheid is. Daarnaast zoekt de mens natuurlijk zijn pad te vinden in overeenstemming met zijn eigen concept van leven. Zo leert ons de oudheid:

"De vorst is de God en het kind van de God. Aanbid hem, want in de macht is de Godheid geopenbaard."

En later zal men zeggen:

"Ziet het volk, want in het volk leeft de schepping. In de schepping openbaart zich God."

Mensen veranderen, maar de wijze overziet dit alles en hij vindt zijn eigen woord;

"Mens, wees vrij en laat de mensen vrij zijn. Niet het grootste goed voor allen, maar de grootste vrij­heid voor allen is de weg, die voert naar werkelijke vol­tooiing, volmaaktheid en inzicht."

En dan komt de strijd. Want dit pad, dat gaat over mensen en mensendaden, toont ons de voortdurende strijd en onevenwichtigheid tussen hen, die spreken over Goden en God als daadwerkelijke machten en hen, die zoeken in zichzelf. De één roept uit:

"De lichtende schijf aan de hemel, hij is de kracht en de wet en het gezag; buiten hem is niets en niemand waardig."

De ander spreekt:

"Ik ken slechts één God; de Daimon, de Lichtende in mij, is de­ geen die tot mij spreekt."

Deze strijd tussen innerlijke Godheid en uiterlijke voorstelling zal de mens ongetwijfeld verder moeten voeren tot een strijd en daardoor tot inzicht. Sommigen schieten hun spottende pijlen af op het Godsbegrip.

"Een fantasie‑man met een baard hebben zij in de hemel gesteld en in zijn naam volbrengen zij wat zijzelven wensen."

En een ander kaatst terug;

"Wie niet in een God gelooft, is als een dier. Want niet beseffend de eeuwigheid van zijn daden, leeft hij voor zich."

Wat, dan komt, is betrekkelijk meer moderne tijd. Een mens, een wijze, die ons hier uit de strijd tussen kleuren, misschien zelfs tussen plant en onkruid, plotseling de bloem geeft van het mens‑zijn:

"Wie slechts mens is omwille van een God, is geen mens. En wie dier is in zijn mens‑zijn, omdat hij meent dat zijn dagen kort zijn, is geen mens.”

10:54 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jezus, boeddha, inwijding, vrijheid, daimon |  Facebook |

16-09-15

De weg wijzen.

De weg wijzen.

DSCF5720.JPG

Wie wijzen de weg? Zijn het wijzen of zijn de wijzen weg? En zijn de wegwijzers de onwijzen die wegen wijzen die er niet zijn, omdat zij de wegen niet willen nemen die de wijzen gaan?

Als je de weg wilt wijzen aan een ander, dan moet je eerst in staat zijn zelf de weg te vinden en te gaan.

Het is dwaas om ergens te gaan staan en tegen iedereen te roe­pen: Dit is de juiste weg, als je niet eens weet wat er aan het einde van die weg ligt.

Zeker, er zijn wegwijzers geweest op deze wereld. Ik denk aan Jezus die de weg heeft willen wijzen naar de werkelijke, innerlijke en vrije verbondenheid met alle dingen waardoor je kunt komen tot de werkelijke bewustwording, de werkelijke kracht. Maar wie volgt die weg? Men heeft daar heel snel een paar bordjes voor gezet met “omleiding”.

Als ik kijk naar de Boeddha en zijn onthechting, dan weet ik dat hij de waan terzijde wilde zetten. Het is een weg en je zoudt hem kunnen gaan. Maar de mensen hebben gezegd: Het is panoramisch mooier als we een omweg kiezen en dat doen ze dan ook getrouwe­lijk.

Wij moeten begrijpen dat de wegwijzers alleen degenen kunnen zijn die een weg zijn gegaan. En dat het alleen zin heeft om hun aan­wijzingen te volgen en hen tot onze wegwijzers te benoemen, indien we bereid zijn die weg zelf te volgen, ook als wij dan misschien nog niet precies weten waar we tenslotte terecht komen.

Wijs niet de weg aan anderen, als je zelf niet weet waarheen hij voert. En als een ander je de weg wijst, probeer eerst te zien of hij weet wat die weg betekent.

Alleen op deze manier kunnen wij komen tot een begrip waar­door het ons eindelijk mogelijk zal worden om onze eigen wegen te gaan en onze eigen weg te kiezen in het bewustzijn tenminste van de richting waarin wij ons bewegen.

17:44 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: de weg, boeddha, onthechting, jezus, omleiding |  Facebook |

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende