15-07-17

Over JEZUS.

Over JEZUS.

 

jezus

 

Ik zou vandaag eens willen vertellen over een eigen versie van een bepaalde Grootmeester en zijn werk op aarde. Ach, ik kan de naam er wel bij noemen: over Jezus.

Het is nl. zo dat je op aarde het idee krijgt dat Jezus een heel eigenaardig mens moet zijn geweest. Ze hebben zijn leven beschreven; en ergens spreekt telkens - als je het goed vertaalt - een zekere hoogmoed mee. Want Jezus treedt daar op en doet wonderen om te laten zien hoe machtig en hoe groot hij is; en dan weer is hij buitengewoon nederig, maar elke keer laat hij toch zien dat hij de baas is. Zelfs voor zijn kruisiging doet hij nog even een wondertje.

Die mens wordt voorgesteld als iemand die God is en met een zekere hoogmoed, nederig door het wereldje van de mensen heen wandelt. Hij wordt ook gezien als iemand die allerhande mooie leringen en gelijkenissen geeft, maar die aan de andere kant buiten de mensen staat. Ze zeggen wel met nadruk: Hij is mens geworden, maar ze bedoelen eigenlijk: maar hij was God.

U zult begrijpen dat een Meester zelf daarop ook reageert. En nu kunnen we van zo'n lichtende Meester niet verwachten dat hij even uitbarst in verwijt tegen de wereld. Als het mij zou overkomen (ja, ik ben zo ver nog niet), dan had ik gezegd: Ach, al dat ge­klets, al dat bedrog, die mensen zijn gek. Dat is mijn leer niet!

Jezus zegt het een beetje anders. Maar hij brengt toch een aantal argumenten naar voren, die ik de moeite waard vind en die ik u vandaag eens wil voorleggen. Het is dus het eenvoudigst dat ik doe, alsof Jezus spreekt, omdat ik op die manier het gemakkelijkst vertaal wat wij dus van hem opgevangen hebben, wat we van hem weten. Ik hoop dat u daartegen geen bezwaar hebt.

Ik zeg dus uitdrukke­lijk: Ik ben Jezus niet, helemaal niet. Maar wanneer hij ons helpt om te begrijpen wat de fouten zijn van de wereld, dan moet hij ons ook een beeld geven van wat er van zijn leer is geworden. En daarbij komen dan een aantal elementen naar voren, waaruit ik selecteer; ik haal er dus gedeelten uit, die passen in mijn betoog. Ik vervorm niet, ook niet door nalatigheid, of door het uitlichten van een zinsnede op een manier die niet hoort. Het is werkelijk Jezus' mening die ik weergeef. Ik geef het echter zoveel mogelijk weer zoals wij dat hebben opgevangen, omdat ik meen dat we zo de waarheid het dichtst benaderen.

En dan willen we allereerst de reactie geven van Jezus op zijn leer.

Je zou kunnen zeggen dat wij eigenlijk hebben gedacht: Ja, maar het Christendom is toch uit uw leer voortgekomen, Heer? Hoe komt het dan, dat dat allemaal zo verkeerd is gelopen?

Dat is vaak onze houding. We denken: Jezus heeft geleefd op aarde. Hij heeft daar allerhande dingen geleerd en wat ervan is overgeleverd, is zijn leer. En daarop gaf Jezus ons dit antwoord:

Wat men van mijn leven heeft overgeleverd, vastgelegd en geschreven, is niet waarlijk mijn leven, want veel van wat ik heb gezegd, heeft men verzwegen; en soms heeft men met nadruk dingen vermeld, die op zichzelf onbelangrijk waren en die zeker ook in mijn dagen op aarde niet de belangrijkheid bezaten die op het ogenblik de geschied­schrijver daaraan schijnt toe te kennen.

Want mijn leer was er een, waarmee de mens geen weg wist.

Ik heb hem geleerd om nederig te zijn en gelijk­tijdig sterk.

Ik heb hem geleerd lief te hebben zonder te eisen.

Ik heb hem gezegd: God is onze Vader.

Ik heb met mijn hele wezen een brug willen bouwen tussen de beperktheid van de mens en de oneindigheid waarin wij leven. Maar hij heeft dat niet willen begrijpen. De brug is hem te wankel. Zijn eigen wezen is voor hem onvolledig en daarom heeft hij vaak dingen veranderd.

Hij heeft vaak vroom bedrog gepleegd door bepaalde beschrijvingen van mijn leven als onecht te verklaren of te doen verdwijnen; door een enkel woord te wijzigen of een nadruk te verande­ren in gelijkenissen die ik eens heb gesproken, want de mens wilde een organisatie. Hij wilde een staat stichten.

Wanneer de mens grijpt naar een organisatie, dan grijpt hij naar een macht die hij onvoldoende begrijpt. Want je kunt de massa niet vormen zonder eerst de mens te vormen. En het is onmogelijk waarlijk de mensheid te regeren, wanneer de mensen niet eerst zichzelf beheer­sen.

Zo heeft men van mij gemaakt een God. En ik was geen God. Ik heb de mensen geleerd: Wij allen zijn kinde­ren Gods. Wij allen zijn zonen Gods, want waar­lijk, wij zijn allen uit de Vader voortge­komen en wij leven allen uit dezelfde kracht. Maar zij hebben gezegd: Hij was de Zoon Gods, want zij aarzelden voor zichzelf dit erfdeel aan te nemen en deze ver­plichting te aanvaarden.

Ik heb gezegd: Mijn weg is er één van de vele. Maar dat, wat mijn wezen in zich draagt, is de weg en de waarheid. En: niemand komt tot de Vader dan door mij, bedoelende, dat eenieder die tot de Onein­dige gaat, de brug moet slaan over de menselijke beperkingen en moet ingaan tot het begrip van de eeuwigheid, waarin hijzelf alleen leeft, waarin hijzelf alleen aansprakelijk en verantwoorde­lijk is, waarin hij de Vader vindt.

En de mensen hebben gezegd: Hij is de enige waarheid en al het an­dere is een leugen. Ze vergeten dat ik heb gezegd dat er ook schapen zijn van andere kudden dan de mijne. Zij noemen mij de goede her­der, omdat ik de verdoolden zoek. Maar ze hebben weggela­ten het woord dat ik daarna sprak:

Want wie zichzelf niet kan helpen, die zal ik helpen. Doch wie de vrijheid zoekt in de bergen en leeft in de vreugde des Vaders, die zal ik niet terugdrijven tot de kudde, die zinloos trekt naar de wil van de herder.

Ik heb hier een paar dingen weergegeven. Het is belangrijk dat we de figuur Jezus eens anders leren zien. Deze Meester, die op het ogenblik ook op de wereld werkt en steeds weer heel veel doet voor de mensheid, begint dus alvast te ontkennen dat hij God is. Hij zegt: ik ben niet meer of minder God dan jullie. Ja, daar valt dan al een heel groot argument weg. Als je zegt: Jezus is God, dan kun je zeggen: Hij is even onveranderlijk waar. Maar als - zoals hij dat zelf zegt - wij allen deel Gods zijn, dan kan hij dichter bij de Vader staan dan wij, maar hij kan niet een dwang zijn voor ons wezen. Hij kan niet het enige zijn, de enige weg.

En als je dan verder kijkt, zeg je: Ja, uit een vroom bedrog heeft de mens dus Jezus' leer vervalst. Dat zegt de Meester zelf. De mens heeft dat waarschijnlijk niet gedaan om kwaad te doen, maar hij wilde organiseren, hij wilde een staat worden, hij wilde Gods rijk op aarde. Jezus verzet zich kennelijk daartegen. Hij zegt:

Neen, wat zij willen dat is niet in mijn geest. Ik wil de mensen niet dwingen in een kudde. Ja, als ze niet verder kunnen, dan wil ik hen helpen. Maar als er een vrij gaat, dan zal ik hem niet terug­ dwingen naar mijn beperkte groep, die ik probeer te leiden, omdat ze zelf niet sterk genoeg is. Dan ben ik blij dat ze gaan.

Wat blijft er eigenlijk over van Jezus als een God die gelijktijdig de geestelijke dictator van de nieuwe tijd is? Uit zijn eigen woorden merk je dat het volledig onjuist is.

Zo heeft hij ook gesproken over het Koninkrijk Gods. Nu is het Koninkrijk Gods iets, waarmee wij ons ook vaak bezighouden. Maar Jezus geeft ons daarop een heel aparte visie.

Wanneer ik zeg dat het Koninkrijk Gods in de mensen is, zo menen zij dat het een rijk is waarin God heerst boven alles; een regering waarin zij onderdanen zijn. En toch heb ik tot hen gezegd: Mijn geliefden op aarde, het Ko­ninkrijk Gods is in alle leven. Want ziet: in alle dingen is Hij en uit alle dingen weeft Hij zijn volmaaktheid.

 Maar gij, erkennende uw eigen wezen, erkennende uw deel-zijn van alle schepping en alle oneindigheid, wees bewust deel van het Koninkrijk Gods, want het ligt altijd in u. Maar eerst wanneer ge het vindt, maakt ge het tot werkelijkheid.

Overijverigen hebben gezegd dat het Koninkrijk Gods nu nog in de mens leeft, maar dat eens de gehele wereld zal worden geregeerd door mij. De dwazen, die niet weten dat regeren is: anderen hun verplichtingen, hun mogelijk­heden ontnemen en hen uit de vrijheid van een zelfstandig leven voeren naar de bekrompen beperktheid van een onbe­wust vegeteren.

Waarlijk, ik zal niet terugkeren op aarde om te heersen; en zo ik terugkeer, is het om te dienen dat wat mij gelijk is, wat mij verwant is, wat zoals ik deel is van het Koninkrijk Gods, niet meer en niet minder.

Hier staan we dus ook weer voor een groot probleem. Een deel van de Christenen beroept zich op de wederkomst van Jezus. "De Zoon des Mensen zal terugkomen," roepen ze uit, "heersend over de wereld, gezeten op de wolken, geweldig in zijn kracht; en zijn uitverkorenen zal hij beschermen, maar de anderen zal hij zijn engelen zenden en de dood en de ziekte en hij zal hen vernietigen. Hij zal hen uit­drijven naar de hel."

Jezus zegt dat daar niets van waar is. Nu moet u mij niet kwalijk nemen dat ik Jezus eerder geloof dan die mensen. Want de Meester heeft zo zijn eigen opvatting over het leven. Een opvatting die waarschijnlijk veel dichter bij de waarheid ligt dan de onze, daarover zullen we niet vechten, maar die dus alle idee van macht, van gezag, van geweld uitsluit. In dit verband is het misschien aardig te horen, hoe Jezus denkt over het begrip "strijd". Want u begrijpt dat er op aarde op het ogenblik ontzettend veel wordt gedaan in naam van het Christendom. Jezus zegt dit:

Indien een zieke tot mij komt en ik genees hem, zo is dit geen wonder maar de vervulling van mijn wezen, mijn taak, de verbondenheid tussen mens en mens. Men heeft echter gezegd: "Hij die was en die zal weerkeren, eist van ons dat we strijden, dat we een erkenning afdwingen voor zijn grootheid en wezen." Ze zeggen: "Het is in zijn naam dat we strijden voor de vrijheid der mensen, voor hun welvaart en hun geluk."

Maar ik heb daarvoor nooit gestreden. Ja, ik heb alle strijd verme­den. Want nimmer heb ik, in de naam van andere waarden dan mijn eigen, geweld gebruikt. Mens onder de mensen heb ik zeker de drift gekend, die kookt in de aderen. Ik heb mijn beheer­sing verloren enkele malen in mijn leven, zoals iedere mens. Maar nimmer heb ik geweld gepre­dikt als een middel om de mens dichter tot God te brengen.

Ik sprak tot hen: Gij zult geen haat kennen en geen wape­nen kennen. Zo men u slaat op de linkerwang, keer de rechter toe. Bemin uw vijanden.

Ik heb tot hen gezegd: Het is beter te sterven zonder haat dan te leven door geweld.

En ik heb tot mijn leerlingen gezegd: Want weet dat ik u niet de innerlijke vrede breng; ik breng u het zwaard. Want voor gij de eeuwigheid aanvaarden kunt, zult ge de beperktheid van uw tijdelijk denken moeten overwinnen.

En ziet, men heeft mijn woorden veranderd, zeggende dat ik kwam om de wereld het zwaard te brengen. En men heeft het zwaard genomen en in mijn naam dood en verderf gezaaid, waar ik de mens had geleerd om slechts leven te geven en liever te sterven dan ooit geweld te gebruiken.

Dus Jezus verzet zich hier zelfs tegen het idee dat men in zijn naam iets kan doen met geweld. Het is alles onderwerping wat hij predikt. Niet aan jezelf, maar aan God. Hij predikt liefde. Niet als een beperkt idee van Christelijke naastenliefde die je kunt voldoen met een paar centen in een kerkezakje en een erfenis als je toch doodgaat, maar als een verbondenheid, die niet ophoudt op een bepaald punt, maar die gaat van het begin tot het einde; die is de eeuwige aanvaarding van God in de medemens. Dus het begrip van de eeuwigheid, gevormd uit het leven, dat is waar, maar verdergaande dan alle menselijke leven en menselijke voorstelling.

Misschien is het goed ook te spreken over Jezus en zijn beeld van de liefde. Want de Meester reageert natuurlijk op onze denkbeel­den, op wat wij zien op de wereld en op wat wij proberen te doen, wanneer hij ons leringen geeft. Over de liefde zegt hij ons dan dit:

Heb ik ooit een mens verweten dat hij heeft liefge­had? Waarlijk, ik heb de overspelige vrouw gered. Ik heb gesproken met de Samaritaanse. Dit heeft men geschreven. Maar dat ik samenging met Magdalena, dat heeft men uitge­wist. Dat rond mij niet slechts waren de strevenden en bewusten, maar ook de slaven der zinnen, dat heeft men niet geschreven; want de mens heeft een oordeel geveld. Hij heeft de liefde gebroken; en hij ziet al wat buiten zijn wet is als zondig en verkeerd.

Toen ik sprak tot de overspelige vrouw: Ga heen en zondig niet meer, toen zeide ik tot haar: Verloochen uzelf niet meer. Verkoop niet dat wat ge slechts waarlijk geven kunt indien uw wezen die gaven bevestigt. Dat was alles.

Ze hebben van mij gemaakt een strenge leermeester. Maar waarlijk, ik heb de mens slechts geleerd dat hij zichzelf moet zijn, beantwoordende aan zichzelve, aanvaar­dend de wereld rond hem in ware liefde.

Ik heb hem geleerd te bidden voor zijn vijanden. Ja, waarlijk, ik heb gebeden voor mijn beulen. Maar ik deed dit niet omdat alleen dit liefde is, want ik heb alle dingen liefgehad: de wegen in de zon en de velden, de mensen met wie ik sprak, de kinderen die tot mij kwamen, de zieken. Ja, ik heb het licht en het duister bemind, leven en dood. Zo bemin ik nog alle dingen.

Wie zijn dan deze mensen, die bepalen wat ik heb liefge­had?

Waarlijk, mijn weg gaan wil zeggen: waarlijk beminnen uit je eigen wezen en zonder beperking, dienende omwille van de liefde, maar niet verloochenend jezelf om de taak weer te geven.

En misschien dat ik hier iets mag commentariëren wat Jezus misschien ook gezegd zou kunnen hebben, maar wat in zijn woorden, in zijn uitgezonden gedachten, niet is terug te vinden. Het is nl. die kwestie van de twee zusters: Martha en Maria.

Martha is de zorgende. Je zou zeggen: in de moderne tijd had ze waarschijnlijk al gauw de managerziekte gehad. Maria was degene die nergens aan dacht; ze luisterde, ze was zichzelf. Jezus maakt tussen de twee geen onderscheid. Hij zegt:

Als het je aard is om te zorgen, dan zorg je. Maar als het je aard is om te luisteren en te dromen, dan droom je en luister je.

Jezus heeft die taken niet veranderd. Waarom moet de wereld dan tegenwoordig zeggen, dat je om Christus waarlijk te dienen je ook je wezen moet verloochenen en dat je voor hem moet strijden? Ik weet het niet. Ik vind het allemaal zo eigenaardig. En als ik zo de hele geschiedenis bezie en alles wat de Meester zo in de loop der tijd heeft geleerd en gezegd, ja, dan begin ik me af te vragen wat er eigenlijk is overgebleven van de ware Jezus, de ware Christus.

Er zijn zoveel van die begrippen die de mens nu maar hanteert (en die wij ook weleens hanteren) en die - als je ze goed be­schouwt - eigenlijk geen betekenis hebben.

Neem nu bv. de kwestie van de Mozaïsche wetten. Is de Mozaïsche wet nog geldend of niet? Want Jezus heeft ons gezegd: "Ik ben u het einde van het oude Verbond." Maar heeft hij ook gezegd dat hij een nieuw Verbond is. Neen. Toch nemen wij aan dat hij ons het "nieuwe Verbond " is. Ik heb van Jezus zelf daarover weinig commentaar gehoord, tenminste in directe zin. Ik herinner me alleen dat hij een keer heeft gezegd:

Elke mens sluit zijn eigen verbond met God. Zolang hij dit beseft, draagt hij in zich de wet; en die wet levende is hij met de Vader. Maar de mens die een verbond sluit met God in gemeenschap van velen, hoe kan hij, zonder zichzelf te verloochenen en te bedriegen, ooit de waarde van die wet volbrengen?

Meer heb ik helaas niet voor u. Ik zou graag meer commentaren geven, zoals Jezus dat heeft gegeven, maar ik kan slechts zeggen:

Klaarblijkelijk is er een verkeerd begrip. God is geen contractant te anderen zijde. Er is geen contract tussen mens en God. Er is eenheid van leven. Die eenheid van leven kun je nu wel op duizend manieren omschrijven, maar je kunt haar alleen zelf waar maken. Al gehoorzaam je alle wetten en alle geboden die er ooit zijn geschre­ven en je doet het alleen maar omdat het de wetten zijn en niet omdat het God is waarin je leeft, de verbondenheid met God die je in je erkent, dan heeft het geen betekenis en is het niets waard.

Misschien is het een kwestie van zelfbedrog dat de mensen denken: Wanneer wij iets doen en anderen doen het ook, dan moet God het wel buitengewoon mooi vinden. Dat is eigenlijk God mens maken. Ik geloof niet dat we God, dat we de Vader, dat eeuwige begrip, als mens mogen zien. En naar ik meen steunt Jezus deze opvatting toen hij (dus niet sprekend over zijn leven op aarde) in een lering die hij in een van de sferen gaf, het volgende naar voren bracht:

Het leven uit de Kracht die wij de Vader noemen, is in zich zelve de Vader zijn. Hoe kunt gij meer of minder God zijn, indien gij, niet God zijnde, niet leeft? Hoe kan uw wereld meer of minder God zijn dan een andere wereld, meer of minder deel zijn van Zijn wezen, indien niets bestaat zonder Hem?

Waarlijk, ik zeg u: gij zijt in en uit uzelve verbon­den met de eeuwigheid. Gij zijt Koninkrijk Gods, elk voor zich en allen tezamen.

Er is geen kracht en geen macht en geen wet, er is geen begrenzing en geen poort, waardoor gij niet kunt schrijden, die u van God afhoudt. Want God is deel van uzelf. Al het andere is illusie; want uw wereld kan ver­bleken en een nieuwe wereld kan voor u ontwaken, samen­smelten en herrijzen. Het licht verandert zijn kleur en de zang der engelen is een melodie die soms wegsterft, soms aanzwelt. Ik zeg u echter: Dit alles is niet de waarheid, want de waarheid is God in uw wezen. En deze vindende, bezit gij alle dingen.

Hier geloof ik dat Jezus mijn idee wel steunt. Er is geen vaste wet of contract. Neen, er is alleen maar het essentiële leven zelf: de verbondenheid met God. Die verbondenheid kunnen we ontkennen of we kunnen haar in een bepaalde vorm gieten, maar waar maken kunnen we haar alleen vanuit onszelf. En dan hebben we ook met niemand en niets te maken, want God is in ons. Dat betekent dat we niet erover kunnen gaan handelen, of we wel of niet in een mooie sfeer komen, indien we dit of dat gaan doen. We kunnen alleen zeggen: We beant­woorden aan God die in ons leeft, of we verwerpen hem.

Het is misschien een heel typisch beeld, maar Jezus heeft op aarde ook weleens van die dingen gezegd:

Keer tot de Vader Die in u leeft en verloochen niet het Koninkrijk Gods dat in u bestaat. Want waarlijk, zo ge u daarheen keert en vraagt, het zal u worden gegeven. Zo ge aanklopt, waarlijk, u zal worden opengedaan.

Dat heeft hij dus in feite gezegd. Het ging dus niet om de kwestie: je moet naar buiten toe bidden. Je moet je bewust worden van de kracht die in je leeft. Wanneer je werkelijk intens aan jezelf vraagt om een antwoord op een bepaalde vraag, dan krijg je het. En wanneer je wilt doordringen in die delen van je wezen die je bewustzijn normaal niet kan bevatten en je doet dat met voldoende kracht, dan zijn er geen poorten die je tegenhouden en kun je binnengaan.

Ook hier is er wel enige overeenstemming met wat Jezus eens heeft gezegd over de wereld. Hij zei nl. dit:

En zo bidden zij tot mij en zij zeggen mij: "Heer, geef mij de eeuwige zaligheid." Maar ik ben minder; minder dan het minste dat de mens heilig noemt, want ik ben slechts deel van het Eeuwige; een brug geslagen tussen mensenwereld en eeuwigheid, tussen beperking en oneindig­heid.

Zo zij mij bidden, ik kan hen niet antwoorden. Zelfs wanneer ik naast hen ga en tracht hen te steunen, zo beroepen zij zich op mijn macht en niet op de kracht die in hen leeft, de enige werkelijkheid die ons verbindt: ons geboren-zijn uit God en onze liefde voor God om alle dingen en voor alle dingen om God.

Jezus heeft er dus klaarblijkelijk een beetje hekel aan, als er zo tot hem wordt gebeden. Hij kan het begrijpen dat de mensen het doen, maar hij vindt het helemaal niet prettig. Want de mens moet niet bidden dat Jezus iets moet doen. Neen, hij moet het zelf doen. Jezus zou een waardig aanhanger van Feyenoord zijn geweest, want ik geloof dat het "Geen woorden, maar daden" ook hem op het ogenblik in de mond bestorven zou liggen.

Jezus is helemaal niet de vroom zoetelijke, almachtige figuur die ze van hem hebben gemaakt. Jezus is een levende kracht die in zich God heeft gevonden en zo de eeuwigheid in zichzelf draagt en uit zichzelf kan voortbrengen, maar haar aan niemand anders cadeau kan geven. Hij kan alleen zeggen: Zo is de weg.

Misschien is het wel aardig om iets te citeren dat Jezus eens heeft gezegd. Hij zei dit:

Ik, die de weg ben gegaan, kan een ander wijzen, hoe de weg te gaan en waarheen. Ik kan hem zeggen waar het einddoel is en waar hij kan rusten. Maar ik kan hem niet dwingen om te gaan. Ik kan hem niet dragen. Hij moet zelf gaan op de weg.

Maar men vraagt mij niet: Hoe moet ik gaan? Men vraagt mij slechts: Zorg, dat ik op mijn bestemming kom.

Dan maakt hij er een klein grapje bij dat u alleen kunt begrijpen als u weet hoe die Meesters samenwerken. Jezus zegt:

En waarlijk, indien zij gedragen willen worden naar hun bestemming, zouden zij zich niet beter tot Mohammed kunnen wenden?

Mohammed was kameeldrijver, Jezus niet. Hij bedoelt doodgewoon: Als jullie nu kamelen nodig hebben, moet je niet bij mij zijn. Ik ben maar een eenvoudig mens.

Deze typische humor kunt u misschien niet helemaal verwerken, want het is net als vuurwerk dat spet en spat met vonken door elkaar; het ene ogenblik zie je de oneindigheid in hun gedachten en dring je door tot waarheden, die de hele geschiedenis vervullen en het volgende ogenblik is er eventjes een lach en dan denk je: Ja, zo zijn jullie grote Meesters eigenlijk ook precies als wij geesten en alle mensen. Maar waar het om gaat: Jezus draagt de mensen niet.

Ik moet eerlijk zeggen dat Jezus soms dingen zegt die met alle liefde waarmee ze worden gezegd, op aarde nog weleens erg bitter zouden worden ontvangen. Jezus heeft het bv. over de kerken die zijn opgericht en wat zegt hij? Hij zegt:

Er zijn priesters die prediken in mijn naam en die magische handelingen voltrekken in mijn naam, zeggende zelfs dat mijn wezen daarbij tegenwoordig is en ik zal hen niet verloochenen. Want waar men zich op mij beroept en ik kan hen helpen, daar zal ik met hen zijn.

Maar hoe kan een mens die een deel van het leven verloochent, een mens die predikt in een onoprechtheid omdat hijzelf niet kan geloven wat hij als zekerheid aan anderen voorhoudt, wat kan ik hem geven?

Hierbij past mooi een stukje - ook genomen uit die leringen, maar een heel eind verder:

Wanneer men zegt: "Ik huw de kerk", zo vraag ik hen: Brengt dan dit huwelijk kinderen voort, of slechts de dorheid waarmee gij de wereld der mensen verlaat, zonder de wereld Gods te betreden?

En wanneer men mij zegt: "Wij moeten leven voor en vanuit de kerk en het is onze taak alleen om te leraren", zo zeg ik tot hen, maar zij verstaan mij niet: Was ik dan niet timmerman en zoon van de timmerman? Heb ik dan niet gevist met de vissers? Heb ik niet geverfd met de ververs in Tiberië? Heb ik niet geoogst met de oogsters? Ik heb gewerkt; want mijn leven was arbeid met de mensen en een leer daaruit groeiend.

Zij echter maken de leer tot hun arbeid; en de mensen beroeren ze niet.

Dat is echt Jezus. Hij heeft begrip voor hen en ik zou haast zeggen: Hij heeft hen zelfs lief om de mislukkingen. Hij zou hen willen helpen, maar hij zegt: Hoe kun je nu werkelijk leraren, als je niet bereid bent om ook wat anders te doen? Wanneer je zegt: Ja, maar ik ben te heilig, of ik ben te vroom, of te verheven om andere arbeid te verrichten.

Als je het allemaal samenvat, dan komt de werkelijkheid van Jezus' leer eigenlijk hierop neer:

Wees mens met de mensen. Wees dienaar van eenieder die je diensten behoeft, maar slaaf van niemand.

Wees jezelf; en wees vrijelijk jezelf in alle dingen, maar eis niet dat anderen dit goed heten.

Leef met God in je, omdat God in je de wet is waar­uit je kunt leven.

Begrijp heel goed dat - zoals ik jullie ben voorge­gaan - je zelf het pad kunt vinden, waardoor de Vader in je spreekt.

Jezus zegt eigenlijk:

Jullie hebben nu wel van mij een God ge­maakt, maar zijn jullie niet allemaal Goden? Zijn jullie niet allemaal Goden, omdat je alle­maal uit precies dezelfde Kracht bestaat en eigenlijk op precies dezelfde manier leeft. Wat zijn voor jullie de verschillen in tijd? Wat maak je je druk over onbelangrijkheden, over nietigheden. Wees je­zelf, vertrouw op de Kracht die in je woont en volbreng zo datgene wat je in je erkent als goed.

Kijk, ik zou haast zeggen: het is werkelijk moeilijk om die Jezus aan de mens voor te leggen. Maar dat is dezelfde Meester die we op het ogenblik steeds dichter bij de wereld zien komen. Het is Jezus, die de mens probeert vrij te maken van alles, wat de laatste 2000 jaar de mensen in zijn naam hebben gedaan.

En dan kun je je haast niet voorstellen dat Jezus op een gegeven ogenblik zegt:

Is dan niet elke mens een tempel, waarin de Vader woont? Laat hij dan die tempel sieren, opdat de Vader waardig ontvangen zij in zijn wezen en erkend zij als de bron van alle bestaan.

En dan zegt hij er prompt achteraan:

Want zou de Vader willen wonen in huizen vol pracht en praal? Zou ik willen wonen in huizen vol pracht en praal? Ik, die altijd heb getrokken langs velden en die alle dingen liefheb, omdat ze uit de Vader zijn, terwijl er mensen zijn die hongeren, terwijl er mensen zijn zonder dak en zonder kleed?

Jezus zegt doodgewoon: De kerken, die jullie hebben gebouwd, dat is waanzin mensen. De manier waarop jullie preken is waanzin. Die hele Christenheid is waan. De Christelijke wetgeving, de vroomheid, zelfs de zondagsrust, dat is allemaal waanzin. Dat hoort er niet bij. Wat in jezelf is, wat in je leeft, het dienen van de mens, dat is belangrijk. Je hoeft geen slaaf te zijn, van niemand. Maar help de mensen, dien de mensen zo goed als je kunt. Wijd daar alles aan, dan dien je God.

Wat heb je eraan om erover te preken wat God wil en niet wil? Leef wat je in jezelf erkent dat God wil; en alles is in orde.

Ik ben bang dat de Christelijke wereld daarvan nog weleens een opduvel kan krijgen in de komende tijd.

U vindt het misschien vreemd dat ik zo speciaal over Jezus praat op het ogenblik. Maar u moet begrijpen: het gaat er mij dan ook helemaal niet om, om wat opzienbarende dingen te zeggen. Misschien weet u het allang. Maar Jezus, die Grootmeester van Licht, die eeuwige Lichtende zelf, die onze dienaar wil zijn, elke keer weer (de onze in de geest, maar ook de uwe), die is op het ogenblik in de wereld om te helpen, waar de wereld zich wil laten helpen. Maar diezelfde Jezus verloochent alles, wat de mensen in zijn naam hebben gescha­pen. Hij zegt niet dat het zondig is (zondig, dat is tenslotte een misdaad tegenover jezelf, doordat je niet beantwoordt aan God), hij zegt alleen maar dat het geen deugd is, omdat het je niet edeler of beter maakt.

Ik denk, dat we daarmee in de komende tijd nog weleens een aardige dobber mee kunnen hebben. Want al die Grootmeesters, die op het ogenblik zo dicht bij de aarde komen en die hier zelfs weer op hun manier gaan leraren, die zullen op een gegeven ogenblik grote controversen moeten scheppen; dat kan haast niet anders.

De mensen denken Allah is Allah en Mohammed is zijn profeet (en hij is de enige profeet), die krijgen van dezelfde Mohammed te horen:

Ik heb de woorden gesproken van Allah, zoals ze in mij waren. Erkent gij die woorden in uzelve en gij zijt profeet.

Ja, dan zitten ze ook omhoog, want er zijn zoveel profeten. En wie heeft dan nog de macht in handen? En hoe moet je dan de regels nog stellen? Zo kun je doorgaan. Ik zie daaruit grote conflicten voort­komen.

Ik zou het eigenlijk jammer vinden, wanneer de mensen daarin worden betrokken. Wanneer ze - laten we maar eerlijk zijn - een korset aantrekken om mooiere vormen te krijgen met het gevolg, dat de ruggengraat wordt aangedaan en het darmstelsel in het gedrang komt en het hart het niet meer doet.

Het Christendom, de godsdienstige leer van deze dagen, is voor heel veel mensen een te nauwe gevangenis geworden; een harnas waar ze niet meer uit kunnen. Zonder dat kunnen ze niet meer zelf leven of staan. Toch mag in deze vernieuwing, in deze nieuwe tijd, de mens niet meer blijven bouwen op iets uiterlijks (een harnas), want daaraan gaat hij toch te gronde en moet hij toch geestelijk opnieuw beginnen.

Ja, zoals nu dat gegrom daar klinkt, zo zullen er velen grommen in wanhoop en ellende en verzet. Er zullen er zelfs wel bij zijn, die zeggen: Liever de wereld ten gronde, dan dat elke mens zelf beslissen mag wat hij goed acht. Want zo is de wereld.

Ik heb vanmorgen geprobeerd om u een inzicht te geven in Jezus. Ik heb dat allemaal netjes in elkaar gedraaid, meen ik, en u zult zich daarvoor misschien wel interesseren. Maar ergens moeten we toch Jezus terugvinden.

 We hebben het nu over Jezus gehad, niet als de profeet, niet als de stichter van een godsdienst, maar als een Zoons des Lichts, een bron van hemels Licht, dat ons wil dienen, wanneer we dienst aanvaarden. Dan geloof ik, dat er geen beter woord is om deze ochtend te beslui­ten dan weer een lering van Jezus.

De Verlichte sprak tot een aantal zielen, ten dele gekomen uit de mensheid, ten dele uit de sfeer en hij zei tot hen:

Waarlijk, eeuwig is de vreugde van het wezen, dat zichzelf doorgrondt en daarin God vindt.

In deze vreugde kan men niet haten en niet verwijten. Men kan slechts beminnen, omdat Gods volheid in alle dingen leeft.

De Vader, Die is in al, al wat is in de Vader is in mij, het is in u, het is in allen.

Laat u niet misleiden door de uiterlijke dingen, maar keer tot uzelf, ken uzelf, erken God die in u leeft, omspan de wereld van begin tot eind en weet: dit is de vreugde ons bestemd vanaf het eerste ogenblik. Dit is de waarheid van het leven, dit is de verbondenheid met alles, waarin geen grens of scheiding kan bestaan.

Deze leer, deze woorden van Jezus, zijn voor mij een waardig slot voor deze bijeenkomst en ik hoop dat u het mij eens bent.

Ik wens u toe, dat u misschien iets van het ware Christendom vanbinnen beleeft, iets van het ware Licht in uzelf vindt en in ieder geval steeds gelukkiger wordt in geheel uw wezen.

 

14:20 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jezus |  Facebook |

24-07-16

Innerlijk van de mens - verschillende benaderingen.

Innerlijk van de mens - verschillende benaderingen.

innerlijk, mongool, china, boeddha, jezus, mohammed, begoocheling, menselijke lust,allah, koninkrijk gods,

Tzu Liang Hou, een Mongool,

die ook in China een tijd heeft gewoond,

schreef eens een korte definitie neer van het innerlijk van de mens:

“In de mens zijn krachten. Doch indien de krachten in de mens zich uiten, is de mens zichzelf niet meer.”

Wij allen weten, hoe grote leraren als bv. de Boeddha, als Jezus, als Mohammed,

getracht hebben op hun eigen wijze dit beeld duidelijk te maken.

Boeddha zegt ons:

“In ons sluimert het Al. En indien de ban der begoocheling valt, de waarheid ons wordt geopenbaard, dan zijn wij één met het zijnde.”

Mohammed zegt ons:

“Gereinigd van het menselijke en de menselijke lust zijn wij één met Allah in Zijn hoogste hemel.”

Jezus zegt ons:

“Het koninkrijk Gods ligt in U.”

19-07-16

Jezus gehele leerstelling zeer kort en simpel samengevat.

 Jezus gehele leerstelling zeer kort en simpel

 samengevat.

 

Jezus,wereld, eigen wezen, begeerte, vreugde, bezit,

“Tracht je eigen wezen te vergroten, totdat het de wereld omvaamt en elke wereld, die je kent.

Hoe meer je van de beelden der wereld kent, hoe duidelijker het je zal worden, hoe God de schepping wil.

Streef er naar niets meer lief te hebben dan iets anders.

Niets intenser te bezitten of te begeren dan iets anders.

Wat je gegeven wordt, is een vreugde, waarvan je mag genieten.

Maar datgene, wat je begeert ten koste van anderen of ten koste van mogelijkheden in jezelf, is schadelijk.

Zo beheers het begeren, verwerp het bezit en ken slechts de vreugde van het bestaan.”

11:52 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jezus, wereld, eigen wezen, begeerte, vreugde, bezit |  Facebook |

20-06-16

DE TUIN DER WIJSHEID. Deel 3.

DE TUIN DER WIJSHEID. Deel 3.

Jezus, Boeddha, inwijding, vrijheid,daimon,

 

Echter, dit is te algemeen. Gij vraagt u af: Hoe heeft de mensheid zich dat pad gedacht?

"Gij zult," zo roept een oude pedagoog uit, "gij zult één‑zijn met de mensheid en gij zult altijd het grootste goed voor de grootste meerderheid zoeken."

Maar hij vergat erbij te zeggen. "zover die meerderheid dit wenst."

Daarom is deze bloem niet volmaakt.

 "Gij zult het grootste goed zoeken."

Wij horen het steeds weer. Wij horen het in de termen van Jezus'.

“Heb uw naasten lief."

Wij horen het in de termen van Boeddha;

"Laat goedheid en gerechtigheid de pilaren zijn, die u steunen op uw pad."

Wij vinden het terug in de oude leer der kabbala. Wij horen het in menige esoterische leerstelling. En in vele inwijdingen zijn er liederen, die op haast onvoorstelbaar schone wijze ons hetzelfde zeggen.

Ik wil u er één citeren, ofschoon het onbekend is, want de tempels, waar de inwijding geschiedde, zijn reeds lang tot stof vergaan. Daar werd, wan­neer de neophiet binnentrad, gezongen een lied:

"Gij, die sterft om te leven, gij, die leven zult om één te zijn met de dood, zie rond u. Want niets in de wereld kan u beroeren dan door uw eigen wil. Niets in de wereld kan u vervreemden, dan door uw eigen wil. Machtig zijt gij, indien gij niet zondigt of misdrijft tegen de­genen, die met u leven en niet vreest dat, wat de Schepper rond u heeft gesteld. Gij, die leeft en dood zijt, gij die leven zult in de dood, uw weg is getekend. Laten uw voeten licht gaan op het pad en vervullen uw lot en het lot der mensheid."

De berijming, de eigenaardige melodiek, de snaarinstrumenten en het zoe­mend koor kan ik u helaas niet weergeven. Ik kan u slechts een spreuk geven; een spreuk, die een bloem van wijsheid is. Daarnaast zoekt de mens natuurlijk zijn pad te vinden in overeenstemming met zijn eigen concept van leven. Zo leert ons de oudheid:

"De vorst is de God en het kind van de God. Aanbid hem, want in de macht is de Godheid geopenbaard."

En later zal men zeggen:

"Ziet het volk, want in het volk leeft de schepping. In de schepping openbaart zich God."

Mensen veranderen, maar de wijze overziet dit alles en hij vindt zijn eigen woord;

"Mens, wees vrij en laat de mensen vrij zijn. Niet het grootste goed voor allen, maar de grootste vrij­heid voor allen is de weg, die voert naar werkelijke vol­tooiing, volmaaktheid en inzicht."

En dan komt de strijd. Want dit pad, dat gaat over mensen en mensendaden, toont ons de voortdurende strijd en onevenwichtigheid tussen hen, die spreken over Goden en God als daadwerkelijke machten en hen, die zoeken in zichzelf. De één roept uit:

"De lichtende schijf aan de hemel, hij is de kracht en de wet en het gezag; buiten hem is niets en niemand waardig."

De ander spreekt:

"Ik ken slechts één God; de Daimon, de Lichtende in mij, is de­ geen die tot mij spreekt."

Deze strijd tussen innerlijke Godheid en uiterlijke voorstelling zal de mens ongetwijfeld verder moeten voeren tot een strijd en daardoor tot inzicht. Sommigen schieten hun spottende pijlen af op het Godsbegrip.

"Een fantasie‑man met een baard hebben zij in de hemel gesteld en in zijn naam volbrengen zij wat zijzelven wensen."

En een ander kaatst terug;

"Wie niet in een God gelooft, is als een dier. Want niet beseffend de eeuwigheid van zijn daden, leeft hij voor zich."

Wat, dan komt, is betrekkelijk meer moderne tijd. Een mens, een wijze, die ons hier uit de strijd tussen kleuren, misschien zelfs tussen plant en onkruid, plotseling de bloem geeft van het mens‑zijn:

"Wie slechts mens is omwille van een God, is geen mens. En wie dier is in zijn mens‑zijn, omdat hij meent dat zijn dagen kort zijn, is geen mens.”

10:54 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jezus, boeddha, inwijding, vrijheid, daimon |  Facebook |

16-09-15

De weg wijzen.

De weg wijzen.

DSCF5720.JPG

Wie wijzen de weg? Zijn het wijzen of zijn de wijzen weg? En zijn de wegwijzers de onwijzen die wegen wijzen die er niet zijn, omdat zij de wegen niet willen nemen die de wijzen gaan?

Als je de weg wilt wijzen aan een ander, dan moet je eerst in staat zijn zelf de weg te vinden en te gaan.

Het is dwaas om ergens te gaan staan en tegen iedereen te roe­pen: Dit is de juiste weg, als je niet eens weet wat er aan het einde van die weg ligt.

Zeker, er zijn wegwijzers geweest op deze wereld. Ik denk aan Jezus die de weg heeft willen wijzen naar de werkelijke, innerlijke en vrije verbondenheid met alle dingen waardoor je kunt komen tot de werkelijke bewustwording, de werkelijke kracht. Maar wie volgt die weg? Men heeft daar heel snel een paar bordjes voor gezet met “omleiding”.

Als ik kijk naar de Boeddha en zijn onthechting, dan weet ik dat hij de waan terzijde wilde zetten. Het is een weg en je zoudt hem kunnen gaan. Maar de mensen hebben gezegd: Het is panoramisch mooier als we een omweg kiezen en dat doen ze dan ook getrouwe­lijk.

Wij moeten begrijpen dat de wegwijzers alleen degenen kunnen zijn die een weg zijn gegaan. En dat het alleen zin heeft om hun aan­wijzingen te volgen en hen tot onze wegwijzers te benoemen, indien we bereid zijn die weg zelf te volgen, ook als wij dan misschien nog niet precies weten waar we tenslotte terecht komen.

Wijs niet de weg aan anderen, als je zelf niet weet waarheen hij voert. En als een ander je de weg wijst, probeer eerst te zien of hij weet wat die weg betekent.

Alleen op deze manier kunnen wij komen tot een begrip waar­door het ons eindelijk mogelijk zal worden om onze eigen wegen te gaan en onze eigen weg te kiezen in het bewustzijn tenminste van de richting waarin wij ons bewegen.

17:44 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: de weg, boeddha, onthechting, jezus, omleiding |  Facebook |

04-06-14

Inzicht - les 7 deel 2- met welke bestemming (gastspreker).

     INZICHT.

 

Zevende Les – deel 2  met welke bestemming.

Deze cursus, die inzicht is genoemd, is één van de vele wegen langs welke een mens zich kan voorbereiden op zijn bestemming, zijn doel.

Het leven zelf is niet alleen afhankelijk van een stoffelijk gebeuren of zelfs van een grote geestelijke kracht; deze dingen zijn deel van het grote geheel. En wanneer een mens zoekt naar waarheid, zal hij steeds weer de onvolledigheid van zichzelf en van al het andere moeten beseffen. Voor hem ligt de grote moeilijkheid altijd weer in de vraag: waarom? Hoe? Met welke bestemming?

Nu is de bestemming van de mens de oneindigheid, waartoe hij werkelijk behoort. Zijn persoonlijkheid, zoals hij deze kent, is slechts één kleine toets van de Schepper in het beeld van de schepping zelve en behoort tot de oneindigheid van tijd, de oneindigheid van ruimtelijke mogelijkheden, die alle tezamen gebracht eigenlijk de grondidee vormen van het leven.

Wanneer ge u afvraagt: waarom? dan zult ge alleen verder komen zolang uw vraag is gericht op uw eigen wereld en uw eigen wezen.

Wanneer ge u afvraagt: hoe? dan kan die vraag belangrijk zijn, indien zij past binnen de mogelijkheden, waarover gij beschikt. Maar elk "waarom" dat verder grijpt dan eigen wezen en mogelijkheden, elk "hoe" dat niet meer uit jezelf is te beantwoorden, stelt de mens buiten de werkelijkheid, waartoe hij behoort.

Er wordt gezegd, dat het geloof alle dingen omvat. Maar hét geloof kan alleen alle dingen omvatten, indien het is gebaseerd op een werkelijkheid. Een geloof dat willekeurig is, kan de mens misschien ergens een verdienste of een kracht brengen, maar het kan hem nooit de oneindigheid brengen. Waar uw vragen geen antwoord vinden, daar zult ge een geloof voor in de plaats moeten stellen. Maar hoe meer dit geloof is gebaseerd op uw eigen wezen, des te beperkter de waarden zijn, die men uit de kosmos kan aanvaarden.

Het is eenvoudig te zeggen: Mens, dit is uw weg. De mens toe te roepen: Begeer niet en vrees niet. Maar de mens begeert toch en vreest toch ondanks zijn pogen.

Het is goed de mens toe te roepen: Licht en duister samen zijn de eeuwigheid; goed en kwaad samen zijn het leven. Maar de mens zal altijd naar het goede en naar het licht streven; en hij zal altijd het duister verwaarlozen. De leer is goed, maar haar wegen zijn niet die van de mens, die leeft op aarde. Er moest een antwoord worden gevonden, én voor dit geloof, én voor de weg van de mens.

Een lange tijd is er gebouwd aan een beeld, een schema, dat zou passen voor mensen van uw tijd, v oor de krachten en invloeden van de komende periode. Nu is het zover, dat wij moeten trachten stem te geven aan deze stelling, deze richting en vorm te geven aan dit geloof. En het kan geen geloof zijn in vormen of in beperkingen; het kan ook geen geloof zijn, dat alle dingen beantwoordt, want een mens moet streven. Hij moet zichzelf en het Al steeds verder ontdekken om zo steeds meer deel te worden van de werkelijkheid. Daarom hebben wij getracht een beeld te geven, dat ge beseffen en aanvaarden kunt en dat u toch de wegen laat tot onderzoek binnen uw eigen mogelijkheden. Wanneer ge gelooft in een God, dan gelooft ge in een vage, verre kracht of in een licht, dat overal in en rond u is. Wanneer wij echter stellen: een licht, dan maken wij een onderscheid. Wij benaderen God niet meer van uit Zijn wezen, maar wij verbinden aan Hem een tegenstelling. Wie zegt: "God is Licht", zegt ook. "Al wat niet Licht is, is niet God." En dit is onwaar. Wanneer wij echter schouwen naar alle dingen in het Al ‑ of het sterren zijn of mensen, of het sferen zijn of de vervlechting van krachten, die de kern is van alle wezen ‑ dan is één ding waar: vóór alles geldt harmonie, vóór alles geldt een genegenheid, die alles verbindt zonder ooit te binden. Dat is geen menselijke liefde of genegenheid alleen. Wanneer wij zeggen, dat God liefde is, een alomvattende liefde, dan zijn wij dicht bij de waar­heid. Wanneer wij zeggen, dat het geloof van de mens moet zijn gebaseerd op de belangrijkheid van zijn "ik" voor alles wat leeft en op de gelijke belangrijkheid van alles wat er bestaat voor zijn wezen, dan zijn wij dicht bij de waarheid, dichter dan menig geloof tot op heden dat heeft benaderd.

De lering is niet nieuw. In de oudheid is die lering gebracht. Ze werd gebracht door leraren in het oude China, ze werd neergeschreven op houten tafelen in India. Ze werd verkondigd door de Boeddha, en door Jezus. Ze werd verkondigd door de wetenden van Griekenland en van het hoge noorden. De waarheid is, dat niet een leven na de dood zonder meer belangrijk is, dat niet een God zonder meer belangrijk is, maar dat leven, eeuwigheid en God alleen zin krijgen in ons wezen.

Wanneer wij zeggen dat het goed is om de naaste lief te hebben, dan is dat geen algemene term en dan is dat niet slechts de erkenning van het Goddelijke in de ander, maar het is de erkenning, dat wij leven in die ander en dat die ander deel is van ons bestaan.

Wanneer wij spreken over het rad van het leven, dan spreken wij niet alleen maar over de voortdurende werveling door sferen en werelden, dan spreken wij over de waarheid dat wij deel zijn van alle tijden, alle dingen en alle krachten. Ons begrip van harmonie, dat tevens ons begrip van God moet zijn, is onze verplichting aan het leven en het levende.

Wanneer gij deze woorden kunt begrijpen, zo zult ge ook beseffen, hoe het menselijk leven moet zijn. Wanneer men voor zichzelf vraagt of eist, dan doet men dat niet altijd ten onrechte, want elke mens en elke geest, elke vonk van leven heeft zijn recht in de kosmos. Maar als wij een recht vragen ten koste van anderen, beroven wij onszelf. Het oude beeld van een mens, die in een bol staat, waar zijn daden tot hemzelf terugkaatsen, bevat meer waarheid dan men in deze tijd beseft. En daarom moet de leer van leven zijn

Wat gij zijt, wees dat volledig.

Wat gij doet, doe dat voor uzelf en anderen.

Indien gij uzelf zoekt, zo zoek in en door uzelf

de wereld en de Kracht, waaruit ge leeft.

Aanvaard alle dingen; niet door ze lijdelijk te ondergaan,

maar door u af te vragen, welke waarden er in zitten

en welke mogelijkheden er in liggen, voor u en voor de wereld.

Aanvaard, dat een ander die weg kiest, ook wanneer gij

een andere weg wilt gaan.

Aanvaard bovenal, dat de weg die gij kiest consequenties heeft, die ge niet kent.

Een mens, die op aarde leeft, is al iemand, die door een doolhof gaat: niet beseffende of zijn keuze hem wel of niet tot een doel zal voeren. Maar hij, die werkelijk leeft, ervaart. Hij weet, hoe hij de doolhof kan betreden en verlaten.

Een mens, die in het leven denkt aan het bestaan na de dood als aan een voortbestaan alleen, vergeet dat er maar één is, die een brug kan bouwen tussen leven en dood: hijzelf.

Hij, die spreekt over de bewustwording, dient te beseffen dat er maar één weg is, die hij kan gaan, de weg van het Licht, dat in hem leeft.

Gij zijt. Gij zijt de gelijke van al wat is in de schepping. Maar wat gij kunt betekenen ‑ reeds nu ‑voor dit geheel, zal voortvloeien uit de wijze, waarop gij leeft met het geheel.

Men heeft u,‑ naar ik meen ‑ gezegd, hoezeer de mens is gebonden aan de voorwaarden van zijn wereld en de eisen van zijn persoonlijkheid. Deze dingen zijn waar. Het heeft geen zin te ontkennen, dat ge deel zijt van een organisme dat maatschappij heet. Het heeft geen zin te ontkennen, dat ge uw eigen plaats hebt en daardoor ook uw eigen taken en verplichtingen binnen dit conglomeraat, dit wezen dat mensheid heet. Maar gij zijt uzelf door alle tijden heen, niet slechts nu. Gij leeft ‑ of ge wilt of niet ‑ volgens het doel, dat de Schepper in u heeft gelegd, niet slechts nu; maar altijd.

Wij worden gedreven door, dat wat wij noemen, de goddelijke Kracht, de goddelijke Liefde. Deze Kracht en deze Liefde omvatten alles wat er bestaat. Want liefde en haat zijn slechts spiegel en beeldenaren van één en dezelfde mens. Licht en duister zijn elkaars tegendelen, maar ook elkaars aanvulling. Om te leven volgens de eisen van de nieuwe tijd, om te werken met de krachten, van de nieuwe tijd zult ge moeten trachten uw plaats in de wereld zo in te nemen, dat ge leeft binnen het geheel. Gij zult uw eigen aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid nimmer mogen ontkennen, maar ge zult beseffen, dat deze niet alleen uw wezen betreffen maar ook uw verhouding met allen rond u.

Hier is een begin van een leer, die enige nadere uiteenzetting verdraagt. Hoe kan ik u echter in korte woorden zeggen wat werkelijk in u leeft? Gij zijt samen in een groep. In een ieder van u leven andere gedachten. De woorden, die ik spreek, zij worden in een ieder van u tot een ander beeld. Ge aanvaardt of ge verwerpt, omdat ge in het woord niet beseft, wat de betekenis is. Het is nodig om langzaam te bouwen aan een nieuw begrip, dat ligt buiten de woorden, dat verder reikt dan woorden, dat alles omvat en niet slechts wat menselijke rede of een kleine reactie van gevoelens. Wij kunnen zo iets alleen opbouwen, indien wij uitgaan van één geloof. Een geloof, dat niets zinloos is, dat niets nutteloos is, dat niets waardeloos is. Een geloof, dat er ergens een kracht van goddelijke Liefde is, die alle dingen naar hun bestemming voert en die elk initiatief, dat wij nemen, voor ons maakt tot een verdere vervulling van ons bestaan, van ons lot.

Wie ingaat door de poorten der wijsheid, verlaat zijn wereld niet, maar hij treedt binnen in een grot. En in een lange gang zoekt hij in het duister telkenmale weer hoe verder te gaan.

Het is waar, wanneer de fakkel van het leven zelf, van de eeuwige Kracht, niet spreekt. Niets is onbelangrijk en alles brengt licht. Het diepste duister wordt tot licht, wanneer het nodig is, indien ge leeft uit deze Kracht. En het felste licht, dat u dreigt te vernietigen, wordt tot verkoelende duisternis, wanneer uw wezen dit behoeft. Uzelf zijn, uzelf leven is een zin, die ge niet eens volledig kunt beseffen. Het is een leuze. En een mens in deze dagen leeft vaak niet van uit zichzelf, maar vanuit de leuze die hij kent.

Geloof mij, wat gij zijt, wat gij leeft, wat gij besluit, is uw zaak. Maar zolang gij dit besluit neemt, wanneer gij handelt of wanneer gij denkt van uit het begrip van het geheel, waartoe gij behoort, zo is u dit licht een zegen, dan is het de kracht die u dient. Wie echter zichzelf zoekt, zal ontdekken dat het wordt tot een kracht, die hem beheerst.

De keuze, die nu voor de mensheid open ligt is of hij slaaf wil zijn of meester; of hij drager van licht wil zijn of één, die wordt geketend door vuur.

Gij kiest zelf. Indien ge niet alleen voor uzelf kiest, maar om de waarheid omtrent uw wezen en de wereld te leren kennen en uzelf daarmede te dienen, dan zult ge door uw besef van, en door uw geloof aan een goddelijke Liefdekracht ontdekken, dat de wereld ú gehoorzaamt en niet gij de wereld.

De boodschap van de nieuwe tijd is een boodschap van kracht. Maar het is een boodschap van kracht, die uit u ontwaakt, die alleen door u kenbaar wordt, die gijzelf moet verwerkelijken in uw wereld.

Alles, wat ge nodig hebt, wordt u gegeven en meer dan dat. Vraag u dan niet af, waarheen ge gaat, maar vraag u slechts af, of gij beantwoordt aan de behoeften van de wereld rond u. Vraag u niet af, of wat gij doet licht of duister is, maar vraag u af, of het harmonie is.

Geef u niet over aan het lot en laat het lot niet voor u beslissen, maar bepaal uw lot zover ge kunt, opdat het u lering en bewustzijn brengen.

En bovenal, weet dat het antwoord op de vraag "waarom?" altijd is: omdat dit de weg is tot eenheid. Dat het antwoord op "hoe?" altijd zal luiden: het antwoord van mijn wezen op de wereld en de krachten, die op dit wezen inwerken. Dat geldt voor de schepping der wereld, dat geldt voor de grens tussen leven en dood en, dat geldt ook voor het dagelijks gebeuren.

Vaag zijn altijd weer de woorden, die kunnen worden gegeven, wanneer een ieder daarop moet antwoorden naar zijn aard, naar zijn wezen; want woorden zijn de dienaren van de gedachten. En elk woord, dat ik spreek, wordt in u beheerst door uw denken en door uw behoeven. Achter alle woorden echter ligt de kracht van de Oneindige.

Wanneer ik tot u spreek uit het ware mededogen, uit de ware liefde tot het geheel van de schepping, zo ligt achter mijn woorden de kracht van het Licht, die een ieder moet en kan verstaan. Wanneer ik woorden gebruik, die ge niet verstaat, zo wordt uw ziel soms beroerd, omdat ge in dat, wat ge niet verstaat, de achtergrond wel aanvaardt en kent. Maar zo ik woorden spreek, die gij kent, gij maakt ze tot uw eigene en laat ze spreken en zeggen, wat gij wenst. Daarom zeg ik u, dat het woord een arme dienaar is in deze dagen. Het woord is slechts de vage schaduw der gedachte. Maar wanneer zij wordt gedragen door de levende Kracht zelve, die achter de gedachte schuilt, dan wekt zij in u de wedergedachte, de realisatie in uw wezen, de realisatie die gij zelf kunt vinden.

Wij, die nu spreken, zijn de wegbereiders van de krachten, die uw tijd gaan beheersen. Wij, die nu wat kracht brengen, zijn niet meer dan de voorlopers en herauten van een grote kracht, die komt. De tijd aarzelt en de kracht leeft, omdat de tijd alleen maar is de opeenvolging van denken; maar de kracht is het leven zelf, waaruit de gedachte wordt gevormd. Wij bereiden voor; en wij zijn toch deel van de kracht.

Wat ik u deze avond wilde geven als een boodschap en niet als een lering, kan ik kort samenvatten:

In deze dagen is de waarlijk levende Kracht nabij. Nu spreekt de goddelijke Liefde tot de mens, die horen kan. Nu is hoogheid van wezen geworden tot dienaar van het strevend bewustzijn en onbewustzijn zelfs op aarde.

Dit is de tijd, dat scheidingen moeten vallen en dat toch een ieder zijn vrijheid moet hernemen in de ware beleving van de hoogste Kracht.

Ik bereid u voor op wat komt. En ik zeg u: aarzel niet, maar leef de kracht, die in u is. Laat de beelden en gedachten, die in u rijzen, uitgaan over de wereld, opdat zij het Licht helpen verbreiden. Vraag u niet af, waarheen, hoe of waarom? Vraag u slechts af: is dit levend in mij? Is dit voor mij deel van een goddelijke Kracht? Kan ik dit zien als deel in een goddelijke Liefde? En zo uw antwoord is "ja", ga uw weg en aarzel niet.

Want nu wordt u de kracht gegeven, die de sterkte is voor een komende tijd. Nu wordt de mensheid het licht en de kracht gegeven, die gezamenlijk de verwarring kunnen doen omslaan tot de ware harmonie. Nu worden in de mensen van het heden de bouwstenen gevormd, waaruit de komende Heerser zijn tempel zal bouwen voor de alomvattende Liefdekracht van de Schepper, Die leeft in allen.

Meer heb ik u niet te zeggen. Dat u vrede en kracht gegeven zij en zekerheid in uwe harten, opdat de waarheid in u leve en zich openbare en vanuit u worde tot de bewustwording van uw wereld.

(Een Gastspreker.)

 

10:46 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Tags: boeddha, jezus, schepping, verkoelende duisternis, liefde |  Facebook |

25-06-10

GELOOF.

Geloof.

Ik heb een uitnodiging ontvangen om met u te komen spreken over geloof en over persoonlijkheid. Dat zijn nogal grote woorden.

Wanneer je wilt spreken over geloof, dan word je natuurlijk geconfronteerd met de mens en met zijn eigen visie van de waarheid. Maar wanneer ik geloof moet omschrijven naar mijn eigen ervaring uit het verleden, dan zou ik willen zeggen: Geloof is datgene, waaraan je je vastklampt wanneer je geen uitweg ziet. Geloof is niet alleen maar een stelling of een these of zelfs een manier van leven. Ge­loof is de oplossing voor alles, waar je geen raad mee weet. En het is duidelijk dat je, naarmate je minder weet, meer geloof nodig hebt.

Persoonlijkheid van de mens ... ach ... een mens is een dier met de geest van een engel en de fouten van beide. Wij staan geeste­lijk gezien heel dicht bij grote, bij goddelijke waarden. Wij hebben har­monieën gekend en beleefd, die wij misschien tijdelijk verliezen, maar die voor ons het kenmerk blijven van onze inhoud, van onze werkelijke persoonlijkheid. Wij worden gedreven door onze tekorten t.a.v. wat wij kennen en onze verwachtingen t.a.v. wat we niet kennen. En als je die machteloosheid bij elkaar pakt, dan heb je eigenlijk geloof.

Misschien is dit niet de juiste manier om met u te praten over deze dingen. Maar wanneer ik geen raad meer weet, wanneer ik het gevoel heb dat ik niet verder kan, dan mompel ik voor mijzelf wat ik noem een Godsnaam. Of dat nu een naam van God is of niet, ach ... alle dingen zijn God en ook die naam omschrijft er wel iets van. Maar die naam is voor mij het Onbereikbare. Ik kan spreken met het Onbereikbare. Die naam is voor mij ook een bron van kracht. Dan kan ik méér zijn. Dan reageer ik ineens weer beter. Dan ben ik als mens en als geest tot meer in staat.

Het is natuurlijk aardig om geloof en al die dingen te ont­leden; om daar materieel van uit te maken wat er nu wel en wat er niet waar is; om je bezig te houden met de vraag in hoeverre in geloof objectieve waarden kunnen schuilen. Maar ik geloof, dat je dan eigenlijk toch nog weer te ver gaat.

"Ik geloof", dat is de absolute verklaring van hulpeloos­heid. Ik geloof; ik wéét niet. Ik ben niet zeker, maar ik geloof. En omdat ik geloof, handel ik met een zekerheid, die ik niet bezit. Ik zoek goddelijke kracht. En goddelijke kracht ligt overal. Maar goddelijke kracht kan ik alleen aanvaarden, wanneer ze een vorm heeft waarin ze voor mij God is. En omdat ik niet weet wat de werkelijke kracht van het Al is, er maar een heel flauw begrip van heb, pro­beer ik voor mijzelf er dan maar iets van te maken.

Ik fabriceer mij een reeks van goden en van engelen. Ik maak mijzelf een hele hemelse hofhouding met allerhande mensen en persoon­lijkheden, die een beetje omkoopbaar zijn. Mensen, die voor een gebed­je, een beetje aandacht of een aalmoes mij wat bijzonders zullen geven.

Op zichzelf is dat natuurlijk dwaasheid. Maar wanneer men nu in die dingen gaat vertrouwen! Want als een mens één ding niet heeft, hoe vreemd het ook moge klinken, dan is het geloof in zichzelf. En naarmate een mens meer leeft in een wereld, een maatschappij, waarbij hij voelt afhankelijk te zijn van anderen, doet hij meer of hij een ander niet nodig heeft en voelt hij zichzelf hulpelozer. En juist daarom moet hij dan ergens in geloven. Hij moet iets hebben om hem los te maken van dit gevoel van absolute hulpeloosheid. Hij moet het idee hebben, dat hij toch nog wel iets kan. Misschien is geloof wel een methode om een minderwaardigheidscomplex weg te werken. Ja, mis­schien is het zelfs meer dan dat.

Ik heb in mijn eigen leven contact gehad met heel veel mensen, die bijzonder van hun macht overtuigd waren. Maar als je ging kijken wat er achter het masker zat, dan was het de grote angst. Want die macht was zwak. Ik heb een keizer gekend, een gelovig man, die vele kerken heeft gebouwd. Een keizerin, vroom en zelfs goed. Die man had de absolute macht in zijn rijk. Ik heb nooit een mens gekend, die ban­ger was dan hij. Omdat hij wist: "Ik sta aan de top; en ik heb zelf niet de kracht om aan die top te blijven staan. Wanneer mijn lijfwacht mij verkoopt, wanneer een aantal priesters mij in de ban doet, ben ik nie­mand meer." En een groot gedeelte van de vroomheid van die man en zelfs van zijn tempelbouw kwam uit die onzekerheid voort. Wanneer hij het gevoel had niet in staat te zijn zichzelf te handhaven, bouwde hij een nieuwe tempel, een nieuwe kerk. En wanneer hij daarmee bezig was, probeerde hij om – in schilderwerk, in snijwerk, in beeldhouwwerk, in mozaïek – een beeld van hem en van zijn vrouw daarin te verwerken. Alsof hij zeggen wilde: "Kijk, hier ben ik werkelijk. Ik ben zo dicht bij God, dat ik onaantastbaar ben."

Ik heb zo het idee, dat bij de meeste mensen het geloof en vooral de praktijk van het geloof een soortgelijke origine heeft. Ik heb priesters gekend, die moeite hadden om te geloven dat ze werke­lijk macht bezaten. En ik weet, dat juist deze mensen hard waren te­gen een ieder, die zelf ook maar één gedachte durfde koesteren, die niet door hen was goedgekeurd. En ze hebben er heel wat gedood en verbrand. Angst. En zolang wij die angst niet kwijt kunnen raken, is het geloof eigenlijk alleen maar een verdovingsmiddel.

Ik heb zo'n beetje gehoord wat de eigenlijke leider van deze groep voor deze avonden u hier zou gaan vertellen. En ik heb mij af­gevraagd, of hij eigenlijk niet vergeten heeft, dat er in het geloof die splitsing bestaat tussen het wanhopige geroep op het Onbekende omdat je zelf weet dat je tekort schiet en het zoeken naar een groeiende waarheid in jezelf.

Een kind begint ook altijd met te geloven. Wanneer je een kind iets onmogelijks vertelt en het kind heeft gemerkt dat je meestal be­trouwbaar bent, vraagt het niet. Het gelooft, het neemt aan. Wanneer wij van onszelf weten, dat we althans in bepaalde delen van ons stre­ven eerlijk zijn en we vinden voor onszelf daarin een bepaald gevoel, dat verstandelijk niet verklaarbaar is, dan geloven we toch dat het juist is. Je kunt een geloof hebben dat voortkomt uit je onvermogen om wat je weet en wat je beleeft en wat je erkent op de juiste ma­nier te rangschikken. En ik geloof, dat dat het enige geloof is, dat waardevol is.

Ik geloof. Ik weet niet, ik geloof. Maar ik heb mijn reden om te geloven. Want de ervaring heeft mij geleerd dat dit vaak waar is. Ik weet niet of het altijd waar is. Ook ik sta met vele onzeker­heden. Maar uit de ervaringen en uit datgene, wat in mijzelf leeft, heb ik mij wat ik zou willen noemen "een positief geloof" gevormd. Een geloof, dat niet een beroep is op machten om mij méér te maken dan ik ben. Maar een geloof, dat mij doet weten dat ik meer kan zijn dan ik ben. En daarin ligt een groot verschil.

Met je eigen persoonlijkheid is dat eigenlijk precies hetzelf­de. Want ik geloof dat men persoonlijkheid en het geloof in zijn al­gemene betekenis moeilijk van elkaar kan scheiden. Je weet te weinig omtrent jezelf; en toch heb je een beeld omtrent jezelf, waarvan je aanneemt dat het waar is. Je voelt in jezelf heus wel de strijdigheden en de onmogelijkheden, die er bestaan. En toch denk je dat er iets is, wat al die strijdigheden tot een eenheid brengt en het de moeite waard maakt.

Een persoonlijkheid zonder geloof hóeft geen reden om te le­ven. Die kan hoogstens bestaan voor het genot. En dat is heel, heel vlug versleten. Ook dat soort filosofen heb ik gekend. En het type­rende van hen is, dat zij ofwel walgden van de wereld en eigenlijk van zichzelf; ofwel dat ze na een bepaalde periode afscheid namen van die wereld en vroom werden in de bergen, of zelfmoord pleegden.

Neen, ik geloof dat die persoonlijkheid van de mens niet zon­der dit onredelijke gevoel waarlijk kan bestaan. Ik wil zelfs verder gaan. Ik meen te weten, dat je een mens alleen waarlijk als mens kunt laten leven, wanneer je hem een geloof geeft.

Dat geloof behoeft nu niet direct bovenzinnelijk te zijn. Het kan sociaal of politiek zijn. Het kan gaan om verplichting jegens het nageslacht. Of de verbetering van de omstandigheden. Of welke illusie dan ook. Zolang het geloof ons stimuleert tot verandering, leven we. Wanneer we geen geloof hebben, ontstaat er een stilstand, waarin we voortdurend meer ziek worden van onszelf en van wat de wereld is.

Ik geef graag toe, dat er in dat ik heel veel factoren te vinden zijn en heel veel ontleed kan worden. Maar is het noodzake­lijk om zo ver te gaan? Kijk naar uzelf. Er zijn dingen, waar u abso­luut niet zeker van bent. Waarvan u denkt dat ze waar zijn. Waarvan u verwacht dat ze waar zullen worden. En zijn het niet deze dingen, die u eigenlijk de stimulans, de vreugde geven in het leven? Wanneer er een kleinigheid gebeurt in uw leven, verwacht u altijd weer dat het zal openbloeien tot iets groots, tot iets enorms. Dat is het geloof. Zonder dat geloof zou u niet gelukkig zijn, ook al is het eigenlijk helemaal niets waard en al blijkt steeds weer, dat u het toch verkeerd hebt gedacht. U blijft er naar grijpen. En dat is ge­loof ik voor ons: de persoonlijkheid. Een reeks van tegenstrijdighe­den, die alleen tot eenheid kunnen worden gebracht door een illu­sie, door een aanvaarden van hogere of andere krachten, door het aanvaarden van iets, wat zin geeft aan het bestaan. En dan moet ik proberen om nu duidelijk te gaan maken waarom ik dit alles zeg.

Een mens die niet kan geloven, niet kan vertrouwen ondanks alles; steeds weer, is een mens die tekortschiet in de wereld, die voor zichzelf niet waar kan maken wat hij als mogelijkheid in zichzelf erkent. Dat is een mens die altijd weer bitter is en die op den duur vaak een uitvlucht zoekt in het demonische geloof, in de ver­deeldheid, in de ontsnapping aan een wereld in een droom, waarvan je weet dat die niet waar is en die je niet meer los kunt laten.

Wil je esoterisch wat bereiken, dan moet je niet bang zijn om te vertrouwen of te geloven. Maar je moet wel met zorg kiezen wàt je gelooft. Zoek nooit iets wat u meer waard moet maken. Want als u dat zoekt, dan zoekt u in feite iets wat uw onwaardigheid van heden moet opheffen. En dat kan nooit iets anders zijn dan uzelf. Vertrouw erin dat alles wat u bent, wat u doet, wat u beleeft, zin heeft. Ja, en dat is begrijpelijk. Wanneer een mens inhoud en zin in zijn leven erkent, kan hij onnoemlijk veel verdragen en onnoemlijk veel doen. Wat meer is, hij is vaak in staat het onmogelijke waar te maken. Want wat een mens onmogelijk noemt, is niet onmogelijk. Wat hij onmogelijk noemt is iets, wat onder voor hem normale omstandigheden voor hem niet denkbaar is. Maar daarom is het nog niet onmogelijk. Een mens die in zichzelf leert vertrouwen, die zichzelf durft aan­vaarden zoals hij is, een mens die God niet ziet als iets, wat hem moet helpen, maar ziet als een achtergrond, waardoor hij zekerder kan zijn, die kan dat onmogelijke doen, omdat hij niet meer praat over de limiet, de beperking. Je bent als mens altijd weer geneigd om tegen jezelf te zeggen, dat er iets niet kan, of dat het onwaarschijnlijk is; of dat het onmogelijk is; of dat het misschien door een ander tot stand kan wor­den gebracht, maar niet door jezelf. Kijk, dat is negatief geloof. Want u weet het niet zeker. Positief geloven is: zeggen dat het kan. Niet vragen waarom het misschien zou mislukken, maar zeggen dat het mogelijk is. Je niet afvragen of je zelf tekort zult schie­ten, maar aannemen dat als je met je hele wezen en je hele kracht verdergaat, dat er iets zal gebeuren, wat zin heeft.

Ik heb helaas niet op aarde mogen vertoeven in de tijd, dat onze grote leermeester Jezus daar rondging, al had ik het graag ge­daan. Ik wou dat het waar was geweest. Maar alles wat je over hem hoort, wijst er eigenlijk op dat hij zéker was. Hij heeft zich nooit afgevraagd of iets onmogelijk was. Hij heeft gezegd: het is mogelijk. Hij heeft zich nooit bezig gehouden met de vraag, hoe het in elkaar zit met de Vader en met God. Maar hij heeft er mee geleefd. Zijn per­soonlijkheid is misschien heel sterk. Maar wat wij van hem horen is eigenlijk niet wat hijzelf is. Wat ze van hem leerden – en in mijn tijd stonden we daar toch nog wel wat dichter bij – dat is eigenlijk dat hij een perfect antwoord was op de buitenwereld. Hij was de aanvulling voor het gebrek aan zelfvertrouwen. Daarom deed hij wonderen. Hij was de aanvulling op het gebrek aan formulering, aan besef. Want wat hij heeft gezegd was heus niet zo nieuw.

Men doet alsof het een totaal nieuwe openbaring is geweest. Maar wie van u – zoals ik – kennis heeft kunnen nemen van datgene, wat er is overgebleven van vroegere en meer heidense geschriften (ze zijn later verbrand), die zal zeggen: Wat Jezus ons leert omtrent doden begraven, hongerigen voeden, bedroefden troosten, dat is oud. Veel ouder dan hij. En wat hij vertelt over de mogelijkheden van ge­loof, ach, dat is bijna gelijk aan wat er staat geschreven over in­wijding.

Maar wat belangrijk is, is de manier waarop hij dat alles naar voren brengt, als een antwoord op de ander. Zijn leer had geen bete­kenis omdat ze nieuw was, maar omdat ze degene, die ze hoorde, een nieuwe zekerheid gaf. En door die nieuwe zekerheid kon zo'n mens meer zichzelf zijn en vond hij de kracht om zijn gevoel van onmacht te overwinnen.

Het klinkt zo heel eenvoudig, wanneer je hoort dat de dan­seres Maria van Magdala zich bekeerde en Jezus volgde. De meeste mensen realiseren zich niet wat dat gekost moet hebben. Je los te maken van één manier van leven en denken en over te gaan tot een andere. En daarbij dan ook nog gelukkig te zijn! Jezus maakte dit mogelijk, omdat hij de kern van deze vrouw de kans gaf zich te open­baren, haar gevoel van onmacht tegenover de wereld wegnam door de zekerheid, die hij a.h.w. reflecteerde.

Geloof is de zekerheid die je in jezelf vindt, of je haar toeschrijft aan God of aan een ander. De kracht van het geloof is in feite het vermogen om zozeer jezelf te zijn, dat je gebruik maakt van alles wat je hebt en alles wat ter beschikking is. Je niet af­vragende of je je doel zult bereiken, maar er op afgaande, totdat je niet verder kunt. Kortom, wanneer ik het meer modern mag zeggen: Gevoel van onvermogen uit zich in planning. Gevoel van zekerheid in directe uitvoering. Daar heb je het hele antwoord.

En wanneer u nu zegt: Waarom komt u hier als gast ons met al deze dingen bezighouden, dan is de oplossing toch wel erg een­voudig: omdat geloof zekerheid is. En omdat geloof nooit mag zijn een poging om een gevoel van tekort aan te vullen, maar eerder moet zijn de basis, waarop wij onze erkende mogelijkheden en waarden kunnen gaan uitstallen en uitbouwen.

Ons geloof – als het goed is – is misschien meer te vergelij­ken met een marktstalletje, waarop wij het goede aan de wereld kun­nen geven, het kunnen uitstallen en waar het nodig is verder dragen en verder geven, dan met een vurige wagen die ons ten hemel opneemt.

Ik werk nu volgens uw jaartelling meer dan 1200 jaar in de geest. En dat lijkt u een heel lange tijd. Ik heb in die tijd alleen maar één ding goed geleerd: Wij streven niet naar de hemel, maar we ontwaken voor de hemel waarin we leven. Wij worden niet sterker en machtiger, maar we ontwaken en gebruiken bewust onze mogelijkheden, die we eerst in een droom en verward toepasten. We vinden geen nieuwe wereld en geen nieuwe verbondenheid; we vinden alleen maar de werkelijke zin van het oude terug.

Ruim 1200 jaar. Naar uw idee is mijn huidige wereld, heel veel licht. En toch ben ik niet veel anders, heus niet zo veel anders dan wat ik was. In het zaad is de plant bepaald. En in dat wat je bent op aarde is je totale bereiking ook mee bepaald. Het is daar­om niet zo belangrijk dat je jezelf verandert en in een keurslijf dwingt. Het is belangrijk dat je, waar je onzeker zou zijn omtrent de zin van je mogelijkheden, dat je daar een achtergrond vindt. Niet om die mogelijkheden groter te maken; of de zin van je leven beter te maken; maar om dat wat je bent beter te zijn, gemakkelijker te uiten.

Ik heb een collega van een heel andere richting, die – vreemd genoeg – behoort tot dat deel van de Broederschap, waarin ik ook zitting heb. En deze zeide tot mij: "Een mens, die gelooft is eerlijk. Een mens, die zegt te geloven of zich op het geloof beroept, is on­eerlijk." Misschien is dit wel de essentie.

Eerlijk zijn, werken met de middelen die je hebt, maar zeker weten dat het niet zinloos is, dat is de kern van geloof, dat is de basis van een Godservaren en dat is de enige methode om je per­soonlijkheid werkelijk tot zijn recht te doen komen.

Wat kun je dan nog zeggen? Men heeft mij gevraagd: Kunt u daaruit nog praktische conclusies trekken? Dat is moeilijk. Ik dacht eigenlijk, dat dit allemaal praktisch was. Maar laat ik het dan voor u zo zeggen:

Een zegen krijg je niet; een zegen ben je zelf. Wat je bent is je waarde. Niet wat je probeert te zijn, maar wat je bent. Wat je waarlijk kunt en wat je waarlijk wilt is je weg; en niets anders. Niet wat je meent dat je zou moeten zijn of zou moeten willen, maar werkelijk wat je bent en wat je wilt, dat is de weg.

Wanneer je grote krachten begeert, dan moet je niet beginnen met te roepen of een ander je wil helpen. Maar dan moet je gaan tot het uiterste van wat je denkt te kunnen en tegen jezelf zeggen: Niets is onmogelijk. Wanneer je in jezelf de waarheid wilt vinden, dan moet je niet beginnen met te redeneren over die waarheid; dan moet ge eerst eens die waarheid gewoon ondergaan. Dompel je onder in het leven. Dompel je onder in je eigen verwarde gedachtewereld. Probeer een beetje licht te vinden. Misschien een enkele samenhang. Daaruit groei je tot bewustwording. Wanhoop nooit aan de wereld en wanhoop nooit aan jezelf.

Denk ook nooit dat je jezelf zo erg nuttig moet maken. Je moet alleen beantwoorden aan dat, wat je zelf denkt dat je moet doen. Probeer nooit het leven van een ander te leven. Je kunt het toch niet. Maar als je je eigen leven leeft, doe het dan niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je voelt dat het de enige weg is.

En als je het hebt over geloof, formuleer het zoals je wilt, dat geeft niet. Maar probeer nooit door het geloof meer te zijn of te worden. Probeer eerder in het geloof de reden te zien van alles wat je bent en wat er gebeurt. Ook van wat je meent tekort te komen. En van je onrust. En ook van wat je meent dat anders zou moeten zijn. Zoek in geloof een zin daarvoor. Want als je denkt dat je zinvol leeft en je kunt dat waarmaken, dan geef je voor jezelf en de wereld inhoud aan je leven.

En wanneer je uitgaat van het nut a.h.w., de zin van je be­staan zoals het is, dan sta je dichter bij God. En dan sta je dich­ter bij die krachten waarvan men spreekt, dan al degenen die spreken over profeten en engelen.

En als je dan toch – zoals het je altijd gaat – ontdekt dat je tekort schiet, wanhoop dan niet aan jezelf of aan de wereld. Maar werk eenvoudig mèt je tekorten in die wereld. Want wat voor jou een tekort is, kan voor een ander een noodzaak zijn. Dat wat voor jou onbegrip is, kan voor een ander wijsheid zijn.

Geef je tekorten aan de wereld. Leef jezelf in de wereld. En geloof dat je daardoor beantwoordt aan je eigen wezen en zo aan je bestemming. Dat is het meest praktische dat ik u kan zeggen.

Ik zal u niet vragen naar een kerk te gaan of eruit weg te blijven. Ik zal u niet vragen de goden te eren of te verwerpen. Ik vraag u slechts uzelf niet te verwerpen. En te begrijpen, dat er zoveel is wat u nog niet kent, dat daardoor al wat u kent en nu nog niet kunt aanvaarden, u eens zult zien als vol betekenis en vol van waarde.

Dat is eigenlijk alles wat ik u te zeggen heb. Anderen zouden misschien beter gepredikt hebben, maar ze waren niet beschikbaar. Ik heb u mijn visie gegeven – zo eenvoudig mogelijk – op het onder­werp, dat mij bij het verzoek om hier te komen werd voorgelegd.

Vertrouw in uzelf. God is de reden van uw bestaan. Hij is de kracht, die inhoud geeft aan al wat u bent. Leef daarom zoals u bent in aanvaarding en vreugde. En wanneer u niet tevreden kunt zijn met wat u bent, geef uw tekorten aan de wereld, omdat u beseft dat zelfs deze rijkdom kunnen zijn.

Broeders en zusters, moge het Licht op uw wegen zijn. Mogen uw voeten een vaste plaats vinden, steeds weer, op de weg die zij nog niet kennen.

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

04-06-10

EENVOUD. Eén zijn alle dingen...

EENVOUD.

Eenvoud. Eén zijn alle dingen. De schijn van meervoud, de veelvoudigheid van al, wat rond ons is, moet worden teruggebracht tot het ene. Er is één God in de wereld, één God in de kosmos, één kracht, één wezen en één bestaan. Alle andere vormen zijn alleen maar afleidingen daarvan. En geven wij hun een zelfstandig bestaan, erkennen wij hen als onafhankelijke waarden, dan verwarren wij ten zeerste het beeld van de werke­lijkheid. In plaats van de waarheid vangt ons de waan. Hoe groter de veelheid van argumenten voor verschijningsvormen, die voor ons invloed hebben, hoe meer wij ons baseren op schijnbaar onafhankelijke gebeurtenissen en invloeden, die wij allerwegen aantreffen, hoe sterker ons wezen in een waan gevangen wordt. Het filosofisch argument, indien het gericht is op het hoogste, kan eenvoudig blijven. Zoals men gesteld heeft in grootste eenvoud "ik denk, dus ben ik," zo kan men zeggen "ik honger naar God." Honger heeft een reden, dus bestaat God. (ik kan er achter zeggen: voor mij.) Op deze wijze kunnen alle andere overbodige argumenten terzijde worden gesteld, Wanneer mijn verlangen gericht is op God, wat deert het mij dan, of er engelen zijn of niet, Wat heb ik er dan belang bij, welke wetten die God heeft geschapen. Wat heb ik er belang bij welke werelden Hem behoren en welke persoonlijkheden die werelden bevolken: Wanneer ik zoek naar God, dan is een eenvoudig aanvaarden van Zijn wezen beter dan alle redelijk betoog van alle wetenschappelijk onderzoek. Eenvoud betekent: steeds weer de kern van de zaak zoeken. Wanneer u leeft en wanneer u denkt, dan zult u tot de conclusie moeten komen, dat u vele malen iets hebt gedaan op een onnodig ingewikkelde manier. Dat ge vele malen regelen hebt gesteld of gesteld hebt gezien, die in feite een verspilling van werk, van denken, van kracht en van geld betekenen. Men is van de eenvoud afgeweken en betaalt daarvoor een dure prijs. Eenvoud is het terugbrengen van de dingen tot hun essence.

Het betekent ook dat men afstand doet van overbodige ingewikkeldheid van een overbodig uitvoerig belichten, van pseudowetenschappelijkheid of een pseudofilosofische verhandeling, wanneer men het afkan met een paar rechtstreekse woorden. Bedenk wel, dat eenvoud volgens een bekend gezegde het kenmerk is van het grootse.

En wanneer wij Jezus zien wij zien de leraren en de Boeddha, ja, zelfs Mohammed in zijn gloriedagen, dan valt het ons op, dat zij eenvoudig zijn. Wanneer wij zien, welke vorsten in de wereld het meest betekend hebben en de grootste macht hadden, dan zien wij, dat zij eenvou­dig waren. Zij gingen recht op hun doel af en bereikten het, ten koste van alles. Daarom is eenvoud voor ons ook zo belangrijk. Verwerven van al hetgeen wij begeren is mogelijk, wanneer wij eenvoudig op ons doel afgaan, niet wanneer wij omwegen zoeken. Eerlijkheid en eenvoud zijn simpel. Het is het rechtlijnige en het rechtstreekse. Wie zoekt naar waarheid, zal niet moeten zoeken naar de ingewikkeldste verklaring of de  meest omvattende, of de meeste details aanstippende verklaring. Maar naar die aanduiding, die met zo weinig mogelijk woorden in een zo juist mogelijk beeld de werkelijkheid vertegenwoordigt. Een aanvaardbare werkelijkheid. Vandaar dat om eenvoud te bereiken een belangrijk werkwoord bestaat: vereenvoudigen. Meer terugbrengen tot zijn grondslagen en zijn principes.

Wanneer wij een bezwering uitspreken, dan kan het zijn, dat de een­voud van anderen, hun onbegrip voor de simpele waarden hen minder gevoelig maakt voor een rechtstreekse bede dan voor een barbaars ritueel met vele namen. Dan is het de eenvoud onzerzijds, die ons dwingt ons daarbij aan te passen, omdat wij een doel hebben te bereiken en de middelen mits verantwoord aan het doel mogen worden aangepast. Op deze wijze werken wij. Zo kunt ook u werken: in de wereld nemend het eenvoudigste middel, dat het u mogelijk maakt uw doel te bereiken. Gebruik de eenvoudigste weg en zeg het met de eenvoudigste woorden Zo komt u eerder tot een grootheid van begrip en van werken dan op een andere wijze.

En wanneer het gaat om God, kunnen wij ons een simpeler schepping voorstellen dan: "Het worde licht en er was licht"? Deze eenvoud is voldoende. Zij schept in zeven dagen een wereld met een mensheid. En zelfs dan heeft God nog tijd tot rusten. Hoe eenvoudig. Maar hoe juist. Juist omdat God in de veelheid van Zijn functies Voor ons niet te begrijpen is. Juist omdat wij de tijden niet kunnen afmeten, zoals ze voor God bestaan. Juist omdat wij niet weten wie, wat en hoe Hij is, maar wel Zijn schepping zien. En de verhouding tussen God en Schepper drukken wij dan simpel uit. De eerste dag sprak Hij: "Er zij licht, en het werd licht." Dat is in onszelf precies hetzelfde. Wij kunnen zoeken naar redenen voor al, wat wij doen, duizendmaal weer. Maar is het niet eenvoudiger te zeggen: "Dit is goed, dus doen we het. Dit is kwaad, dus doen we het niet"?

De eenvoud van alle dingen is saamgebracht in de grote en geheime naam van God. Is saamgebracht in de klanken, die werelden kunnen beheersen. Er is een klank "AUM", die in staat is een wereld op te bouwen of te verpulveren. Hij is te vinden in de gedachten en de beelden van hen, die "ingewijd" worden genoemd, omdat ze de een­voud van het leven uiteindelijk hebben beseft. Eenvoud is niet slechts het kenmerk van bewustzijn of waarheid. Het is het kenmerk van de scheppende Kracht zelve, die IS. Indien wij in nederige eenvoud die Kracht aanvaarden zonder aarzeling, zonder wantrouwen, zonder beperking of conditie, dan zullen wij ons er bewust van worden, dat door deze eenvoud een eenheid bereikt wordt, die alles ver te boven gaat en die met andere middelen vergeefs wordt nagestreefd.

Wanneer we die eenvoud niet zonder meer kunnen bereiken, dan dienen wij onszelf te schalen tot deze eenvoud. Opdat wij steeds scherper de essence der dingen kunnen omschrijven, steeds zuiverder onszelf kunnen overgeven aan het werkelijk essentiële, bijzaken buiten beschouwing latende. Voor allen, die naar bewustzijn streven en bewustwording zoeken, geldt de les, die ik hier aan het eind van mijn betoog wil stellen:

Vraag niet naar redenen, wanneer het Zijnde u voldoende is. Vraag niet naar gevolgen, wanneer het Zijnde u voldoende is. Vraag niet wat God beweegt, wanneer Hij u schept: het Zijn moet u voldoende zijn. Vraag niet, hoe gij God kunt begrijpen, maar aanvaard Hem. Opdat gij met Hem zijnde vervuld moge zijn van het ware en werkelijke leven.

 

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

 

25-04-09

DE WEG WIJZEN.

De weg wijzen.

 

Wie wijzen de weg?

Zijn het wijzen of zijn de wijzen weg?

En zijn de wegwijzers de onwijzen die wegen wijzen die er niet zijn, omdat zij de wegen niet willen nemen die de wijzen gaan?

Als je de weg wilt wijzen aan een ander, dan moet je eerst in staat zijn zelf de weg te vinden en te gaan.

Het is dwaas om ergens te gaan staan en tegen iedereen te roe­pen: Dit is de juiste weg, als je niet eens weet wat er aan het einde van die weg ligt.

Zeker, er zijn wegwijzers geweest op deze wereld.

Ik denk aan Jezus die de weg heeft willen wijzen naar de werkelijke, innerlijke en vrije verbondenheid met alle dingen waardoor je kunt komen,tot de werkelijke bewustwording, de werkelijke kracht.

Maar wie volgt die weg?

Men heeft daar heel snel een paar bordjes voor gezet met “omleiding”.

Als ik kijk naar de Boeddha en zijn onthechting, dan weet ik dat hij de waan terzijde wilde zetten.

Het is een weg en je zoudt hem kunnen gaan.

Maar de mensen hebben gezegd: Het is panoramisch mooier als we een omweg kiezen en dat doen ze dan ook getrouwe­lijk.

Wij moeten begrijpen dat de wegwijzers alleen degenen kunnen zijn die een weg zijn gegaan.

En dat het alleen zin heeft om hun aan­wijzingen te volgen en hen tot onze wegwijzers te benoemen, indien we bereid zijn die weg zelf te volgen, ook als wij dan misschien nog niet precies weten waar we tenslotte terecht komen.

Wijs niet de weg aan anderen, als je zelf niet weet waarheen hij voert. En als een ander je de weg wijst, probeer eerst te zien of hij weet wat die weg betekent.

Alleen op deze manier kunnen wij komen tot een begrip waar­door het ons eindelijk mogelijk zal worden om onze eigen wegen te gaan en onze eigen weg te kiezen in het bewustzijn tenminste van de richting waarin wij ons bewegen.


 

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

25-02-09

Over godsdiensten gesproken...

GODSDIENSTEN.

 

Ik wou nog een keer wat zeggen over godsdiensten. Dat is misschien toch wel leuk. Weet u wat het leuke is van een godsdienst? Zodra een godsdienst sterk genoeg is geworden verklaart ze onmiddellijk, dat de goden van de oude godsdiensten demonen zijn. Dat is ook heel begrijpelijk. Uw duivel is bijvoorbeeld niets anders dan de grote Pan, de natuurgod. Vandaar dat hij horens heeft.

Een Christen zou zich misschien eens kunnen afvragen; wie heeft die duivel horens gegeven? Dat komt gewoon daar vandaan. Het is wel gek dat nu ze van hem een duivel hebben gemaakt, zij zelf tegenover iedereen, die anders denkt, steeds bokkiger worden. Je zou er gewoon een sik van krijgen.

Bij godsdiensten zien we verder ook, dat ze alle middelen gebruiken om hun eigen onaantastbaarheid te verzekeren. Dat zijn ook van die leuke dingen. Als je bij voorbeeld kijkt naar de Islam zoals Khomeiny die bekijkt, dan betekent dat in feite; iedereen, die bereid is zich dood te vechten en zo naar het Paradijs te gaan en verdoem iedereen, die het niet doet. Degenen die dan bovendien nog tegen de regels van het geloof zondigt, die moet je dan maar uitroeien.

Uitroeien is trouwens iets, dat heel vreemd is, dat gebeurt altijd in de naam van God, van de naastenliefde, van de sociale noodzaak of iets anders. En weet u waarom? Hoe minder zeker men is van datgene, wat men als een onfeilbare waarheid predikt, hoe meer men geneigd is om elke tegenstander maar de keel af te snijden of op andere min of neer rituele wijze het leven uit te helpen. Want dan kan men in ieder geval de macht behouden, die men ondanks zijn eigen twijfels aan zijn eigen waarheid, toch zozeer liefheeft.

Als je dan ziet hoe kerken eigenlijk ontaarden, sommige kerken worden gewoon internationals. Neem b.v. de Moonies. U weet toch wat de Kloonies zijn? Dat zijn de volgelingen van Moon. Hij is nog geel ook, je zoudt dus kunnen zingen Yellow Moon. Maar het is geen Sweet Nawal. Klant het is een ijzeren discipline, die wordt geëist van de gelovigen. Als ze heel erg braaf en lief zijn geweest mogen ze uiteindelijk trouwen. Als ze dan nog braver en liever zijn geweest en vooral voldoende hebben opgebracht, dan mogen ze zij het op eigen kosten naar Korea of naar Japan. Op beide plaatsen gebeurt het nog wel eens, waar een massahuwelijk wordt gesloten door de heer Hoon in hoogst eigen persoon. Sorry, het gebeurt de laatste tijd niet meer, maar het is lange tijd wel gebeurd.

Dan vraag je je eigenlijk af, wat denkt die Moon nou over alle anderen" Nu, hij zegt, Ja maar wij, wij zijn de ware familie van God en alle anderen zijn uitgeworpenen, ongelukkigen." Ik weet het nog niet. Ben je een ongelukkige omdat je niet gelooft in de onfeilbaarheid van een meneer, die zich miljonair maakt door van de gelovigen discipline te eisen, Het is een wonderlijke zaak.

Dan heb je de mensen, die zo heerlijk kunnen vechten over zaken, die eigenlijk geen mens interesseert. Weet u dat er hier in Nederland werkelijk een compleet klein godsdienstoorlogje heeft gewoed tussen de volgelingen van twee predikers, die voortdurend maar bezig waarom over die ene vraagt hoeveel engelen er op de punt van een naald zouden kunnen dansen, Nou ja, ik zou zeggen een dat is meer dan genoeg. Want als je er een naald in steekt dan is het of  Hoeps, of het is "Plof". Maar ja, die mensen zijn zo opgeblazen, dat ze denken dat dat belangrijk is.

Er zijn mensen, die voortdurend bezig zijn over het leerstuk de marialogie. Of de moeder van Jezus nu werkelijk een uitverkoren persoonlijkheid is of niet. Wat interesseert het je? Neem me niet kwalijk dat ik dat zo zeg. Als je leeft zoals Jezus het geleerd heeft, dan kom je er vanzelf. Dan heb je Maria niet nodig. Als dat niet doet vraag ik me af of Maria, er iets aan kan doen. Natuurlijk, dat mag je niet zeggen. De Heiligs Maagd moet je vereren. Ik kan begrijpen, nietwaar, in zo’n celibataire priestergemeenschap moet je tenminste een vrouw hebben die je mag vereren, waarvan je de afbeelding voortdurend bij je kunt hebben.

Waarom zijn de mensen altijd zo bezig. Waarom probeert b.v. elke kerk politiek te bedrijven? Politiek is de kunst van het haalbare, zegt men. De kunst van het haalbare berust op de leugen, die je de kiezer vertelt en het compromis, waarmee je je eigen baan zeker stelt. Dat is dus absoluut onchristelijk. Het is gebaseerd op onwaarheid, het is gebaseerd op eigenbelang en het is bovendien nog als je het eerlijk meent gebaseerd op een enorme betweterigheid. Ik weet niet of een kerk, die gelooft in b.v. naastenliefde of in de onbelangrijkheid van stoffelijke zaken zoals elders, zich wel met dergelijke dingen bezig mag houden.

Nee, ik heb zo echt het gevoel, als je kijkt naar kerken, naar godsdiensten, dat het voortdurend is, let op mijn woorden, niet op mijn daden. Aan de andere kant denk ik, dat de stichters het andersom hebben bedoeld geen woorden maar daden. Waarbij u dus ziet, dat Feyenoord reeds aanhangers had in het begin van deze era.

Kun je een godsdienst belijden zonder haar te leven? Ongetwijfeld. Als je maar voldoende bijdraagt voor goede zaken enz. dan mag dat allemaal wel. Maar laten we het dan anders stellen kun je een waar volgeling zijn van Jezus, van de Boeddha, van Mohammed of wie dan ook, als je niet in de praktijk waarmaakt wat hij geleerd heeft

Er zijn natuurlijk ook mensen, die dit een beetje verkeerd bekijken. Er was eens een dame die een horizontaal beroep had. Toen zeiden ze tegen haar; "Hoe kun jij dat nou doen als Christen?" Toen zei ze, "Nou, heb ik mijn naaste lief of niet?" Ergens had ze natuurlijk wel gelijk in zoverre, dat ze probeerde om de mensen inderdaad gelukkiger achter te laten dan ze geweest waren. maar aan de andere kant stond daar tegenover, dat ze hun altijd veel armer achter liet dan ze zelf bedoeld hadden.

Dan zit je in een moeilijk parket. Maar ik denk toch„ dat zo iemand nog dichter bij de waarheid zit dan iemand, die voortdurend bijbelspreuken spuit en ondertussen zich verhardt tegenover alle problemen van zijn medemensen.

Ik heb eens iemand horen zeggen. De kerk is het imprimatur op de onverschilligheid gegeven op grond van getrouwheid aan de leer. Ik denk dat dat waar is. Dat heel veel mensen kijken naar wat denk je en niet naar wat doe je. Toch dacht ik, dat alles wat je doet veel belangrijker is. Je kunt jezelf zijn, je kunt vanuit jezelf proberen, datgene waar te maken en te geven, wat naar jouw idee voor anderen belangrijk kan zijn. Dan moet je niet vragen hoe doe je het of waarom doe je het maar je moet je gewoon afvragen; doe je het met goede bedoelingen? Dan heb ik het gevoel, dat je beantwoordt aan het mededogen van de Boeddha, de naastenliefde van Jezus en zelfs aan de edelmoedigheid, die Mohammed toch ook van zijn volgelingen eiste. Dan zit je goed.

Maar dat betekent dat er eisen worden gesteld. En die eisen zijn vaak veel zwaarder dan vele mensen lief is. Het is veel gemakkelijker om je terug te trekken en met een gevoel van eigengerechtigheid door God in een a.h.w. gegeven meerwaardigheid anderen te reguleren. filet de beste bedoelingen natuurlijk, maar wel tot voldoening van je eigen persoonlij heid. Dan komen er ogenblikken, dat wat je zelf wilt en wat je weet wat je moet doen, met elkaar in strijd komt. Dan is de keuze die je maakt, de meest belangrijke die je maken kunt. Dat heeft niets meer te maken met godsdienst. Dat heeft alleen nog maar te maken met God.

God dienen is een heel mooi idee. Maar dien je God met gezangen, Ik weet het niet, maar. een God die zaken als hard rock heeft toegelaten, kan volgens mij in de trage psalmenzang van vele gelovigen niet al te veel bevrediging vinden. liet is een verkrachting van elk muzikaal idee. Ik kan me voorstellen, dat een muzikale God zich verlustigt aan het Gregoriaans, maar dan gelijktijdig ziet welke fouten de zangers maar al te vaak aankleven.

Een mens moet een geheel zijn. De leer die gegeven is helpt je daartoe. Ook de Christelijke leer, zeker. Maar het is iets wat je zelf moet doen. Niet iets wat je plaatsvervangend kunt laten doen. O, ik wil natuurlijk niet het bloed van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt en al die dingen meer, ineens volledig ontwaarden. Maar aan de andere kant, denkt u nou werkelijk dat iemand die zegt "nou ja, dat kan best, want Hij heeft toch voor ons geleden" dan later nog het voordeel krijgt waarop hij rekent?

Trouwens, doodgaan vind ik helemaal een leuk ding. Het heeft misschien weinig met godsdienst te maken, ofschoon godsdienst voortdurend bezig is om de dood te maken tot een poort naar de eeuwige zaligheid voor allen die goedgekeurd zijn en eeuwige martelingen en pijn voor allen, die ze minder goed kan waarderen.

De dood is eigenlijk de poort naar een besef van je persoonlijke werkelijkheid. In hoeveel godsdiensten vind je dat terug? Wanneer je sterft houdt de mogelijkheid om tegen jezelf te liegen op. Al het andere, dromen en alles, het zijn bijkomstigheden, dat mag. Daarom zijn er zoveel sfeertjes. Daar je moet eerst aanvaarden wat je bent. Dan mag je pas dromen.

Dat is heel wat anders dan "het gerecht". Ik vind dat altijd iets voor een burgermaaltijd. Ga je dood en wat komt er dan? Het Gerecht. Soep vooraf. Maar een gerecht veronderstelt rechtvaardigheid. Naar kan rechtvaardigheid bestaan, waar niet alles mee in aanmerking wordt genomen? Alle omstandigheden, alle kwaliteiten, alle mogelijkheden. Al datgene, wat je ertoe heeft gebrachte te zijn in het leven, wat je bent geweest. Maar ik denk. dat die rechtvaardigheid ook eist, dat je dat aan jezelf toegeeft. Dat is natuurlijk een pijnlijk punt. Op een gegeven ogenblik kom je misschien in een hemelse wereld, je ziet daar een heel mooie engel staan en je wilt heel nederig daarvoor buigen. Dan zegt een ander tegen je. "Joh, waarom zou je dat doen, het is een oorwurm geweest." En dan te zeggen; Wanneer die zo lichtend is tegenover mij, verdient hij zijn buiging" nou, dat vraagt nogal wat. Daar wordt nooit over gepraat.

De Egyptenaren waren ook gek. Dan zit je daar. Eerst moet je ook nog alle wachtwoorden kennen. Waarom? Want je gaat naar het hemelse gerecht. Waarom eerst al die slangen, die leeuwen en schorpioenen? Je klautert je dus het lazerus en dan sta je daar tussen twee en veertig enorme rechters. Dan moet je precies vertellen wat de waarheid is. Je krijgt de vragen te beantwoorden. Kijk, dat is natuurlijk allemaal een beetje onzinnig, het is magisch gedoe.

Maar een ding treft me en dat is, wanneer de weegschaal in balans is of bijna in balans, dan komt altijd de hemelkoe zeg maar en die legt een Veer der Genade aan de kant van de goede daden. Waarom? Omdat datgene, wat je bewust goed doet, altijd veel zwaarder telt dan wat je onbewust verkeerd hebt gedaan. Waar vinden we dat in de godsdienst terug.

Zonde? Zonde is vastgesteld door de mens. Er is een tijd geweest, dat het zonde was als een meisje gemengd ging zwemmen. Als de pastoor er maar aan dacht zat hij al te kwispelstaarten Dat kon gewoon niet. Zonde. Zondag niet naar de kerk gaan? Op zondag gaan dansen in plaats van te luisteren naar die mooie toespraak van de dominee van 21/2 uur? Zonde. Dan kom je in de hel. En als je in die hel terecht komt zie je dus waarschijnlijk diezelfde dominee en moet je toch naar zijn preek luisteren.

Hoe komen ze aan die denkbeelden Hoe komt een Ir Moon erbij om uit te roepen, dat de eeuwige kwelling zeker is voor iedereen, die niet tot zijn familie behoort? Hoe komen ze erbij? Hoe komen ze erbij om bij voorbeeld zoals Paulus uit te roepen, Dwingt hen om in te gaan. terwijl Jezus juist heeft gezegd, "Verkondig de boodschap en als ze niet willen luisteren, dan ga, je maar een eindje verder. Ja, zegt Paulus, "dan loop ik me helemaal het lazerus zeker. Ik grijp hun bij de kippennek en ik schop ze het hemelrijk in, potverdomme.

Het klinkt misschien als een parodie, maar het heeft een ernstige achtergrond. Dan denk ik ook, als ik al die godsdiensten bij elkaar zie, hoe kunnen mensen zo verliefd zijn op systemen Er bestaan hele wetenschappen, die gebaseerd zijn op uitleg en verklaring van het onbewezene. Theologie. Ik kan de mensen begrijpen, ze willen precies weten hoe ze het moeten verklaren. Maar ze weten niet wat het betekent. Hoe kunnen ze het dan goed verklaren? Dan nemen ze maar aar, dat wat zij denken dat het betekent, juist is. Als je dat in een laboratorium zou doen, zou de hele zaak regelmatig in elkaar klappen.

Een natuurkundige, die op die manier zijn problemen zou be­naderen, zou wel een bromfiets lijken, plof plof plof. Maar neen, wij eten het. Of zoals mijn vriend Henri zei; "Theoloog? Theo liegt nog steeds," Maar niet bewust. Die is ervan overtuigd dat hij de waarheid heeft. Hij begrijpt alleen een ding niet, dat de waarheid alomvattend is en dat je niet het ene deel waar kunt noe­men daarvan en het andere deel verwerpen want dat bestaat ook.

Alles is waarheid.

Het vinden van de harmonie en de waarheid, dat is hetgeen waar het op aan komt. Maar ja, waar moet je dan met al die hoge scholen naar toe" In mijn tijd heb ik dat meegemaakt. En dat vond ik zo zielig„ dan gingen de jongens naar het seminarie. Dan dacht je, nou, dat kan wel leuk worden, want het woord samen zit er in. Maar nee hoor, daar werden ze er gevoed tot vrome droogklootjes die, wat nu eventueel meer luide was in sportiviteit, koude baden en boetedoeningen probeerden af te reageren en die niet zelf nadachten, omdat ze zo veel gedachten van anderen kregen, dat ze er niet aan toe kwamen om zich af te vragen wat is er" Dan bleef er alleen er het gevoel over. Ja, maar ik moet toch uitverkoren zijn. Dan voelden ze zich ook uitverkoren.

Het is misschien beroerd om het te zeggen, ik heb een broer gehad, die heeft op zo’n geval gezeten. Toen op een gegeven ogenblik was hij gewijd en mocht hij de eerste mis opdragen Toen zeiden ze; jaja, je broer de neomist. Ik denk, nou dat is nog waar ook, nu is Neo de mist in. Er deugde geen pest meer van die vent. Toen kwam hij thuis en wou hij ook nog dat we weer Oom zeiden tegen hem. Toen ik tegen mijn broer ome zeggen, dus was ik een ketter. Verwerpelijk Ik werd goedertierend door mijn jongere broer toegesproken die zei, "Ach, aanvaard het nu allemaal maar, want de Heer wil het zo."

Toen heb ik me ook afgevraagd, welke Heer. Een God die alles schept, die alles mogelijk maakt, heeft die de zaak ingedeeld? Dat zou ik een verdomd gemene situatie vinden, stel u voor, een welwillende familievader geeft aan zijn familie een feestmaaltijd. Daar staat een fantastisch. lekkere, mooi opgemaakte taart. "Jongen" zegt hij, je mag van alles eten maar van die taart blijf je af. "Ja, maar dan verdroogt hij, vader." Daar gaat het niet om, het is het principe." Nu, ik zou dan principieel een stuk van die taart gepikt hebben.

God heeft de hele schepping gegeven. We moeten ermee leven en er gelukkig mee zijn. We gaan naar de godsdiensten kijken, Vrienden,

God heeft ons een feestmaal van levende waarden gegeven, maar denk erom, van de soep mag u niet eten want dat is niet goed. Van de kip moet u afblijven. U moogt dan eventueel de schorseneren eten, maar de asperges heeft God uitverkoren als bijzondere gave, die mogen u alleen door zijn vertegenwoordigers worden toegediend Op vrijdag mag u wel zoute haring eten, maar u mag niet drinken voor de dorst.

Ik vind het reuze leuk een moslim mag, dat weet u waarschijnlijk, 4 wettige vrouwen hebben. Dat vind ik erg royaal van Mohammed. Want hij heeft gezegd je mag er 4 hebben. Hij heeft de mannen waarschijnlijk een tikje overschat, als je het mij vraagt. Maar wat zegt hij dan? Ze moeten elk een eigen huis hebben, je moet ze elk volledig gelijk behandelen. Dan vraag ik me ook af. Wanneer denkt de man dan ik neem er wat bij? Ik ben er met één getrouwd en die is zo langzaam maar zeker toch wel sleets, dus ik neem er wat jongs bij. En om dan die oude net zo te behandelen als de jonge, dat vond ik te moeilijk hoor. Als je dat dan niet 2 keer maar je hebt het 4 keer. Oef! Dat is gewoon het onmogelijke vragen. Dat is precies hetzelfde als die feestmaaltijd,

Er zijn zo veel van die dingen bij. Trouwens, ik vraag me eigenlijk af, waarom hebben ze die twee soeren (?) de soeren van de koe genoemd in de Koran. ik vermoed dat het is omdat daaruit alle uitleggers van Mohammeds leer hun gelijk plegen te melken.

Het is een beetje gemeen als je het allemaal zo zegt. Maar onder ons gezegd en gezwegen, bent u religieus. U moogt wat mij betreft vroom zijn. Dat wil zeggen in uw hart een relatie proberen aan te gaan met de Schepper waarvan u voelt dat Hij bestaat. Daar is niets op tegen. Maar op het ogenblik, dat u door anderen laat vertellen met welke woorden u tegen hem moet spreken, dan deugt het niet meer.

Ik had een vriendje, die had een vader. Die vader haalde hem nooit aan. Die vond het noodzakelijk, dat hij werd aangesproken met "Mijnheer”. De kinderen moesten ook staan aan tafel. Zitten was voor de ouderen. Kunt u de tijd nagaan, wie zou dat nu nog nemen? Maar in mijn tijd was dat zo. Die jongen haatte zijn vader.

Een God, die ook zo zou zijn, zou je die kunnen liefhebben, werkelijk liefhebben? Je mag tegen hem opkijken, je mag alles van hem verwachten, best. Maar diep in je hart denk je; kreng, ik word ook eens oud en dan zal ik ook zitten.

Dat is nu juist datgene wat volgens mij fout is. Laat je nooit in zo’n situatie manoeuvreren, dat je tegen hetgeen je voelt dat juist en goed is in moet gaan, omdat een ander zegt dat het Gods wil is. Of dat het zo hoort. Wees jezelf. Leef jezelf. Als je God wil dienen neem dan geen godsdienst, maar vraag je af; wat is God in mij? Wat voel ik dat die God van mij zou verlangen? En doe dat. Dan denk ik, dat u veel dichter staat bij de God dan al diegenen, die Hem zo voortdurend in het openbaar aanprijzen en aanroepen. Want als ik sommige predikers bekijk vanuit mijn huidige wereld, denk ik nog wel eens wat had Jezus toch eigenlijk gelijk toen hij zei; Gij gepleisterde graven.

Nu moet u mij dat niet euvel duiden. Natuurlijk, als je een geloof hebt, ga je gang. Je moet het zelf weten. Maar wanneer u innerlijk het gevoel hebt, dat het niet helemaal klopt, ga dan eens een keer uw eigen weg en probeer uw God te vinden i.p.v. de regels van buiten te leren, die anderen u hebben opgelegd.

 

 


 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober