17-04-17

Drie regeltjes ter overdenking.

Drie regeltjes ter overdenking.

 

gave, dicipline, vanzelfsprekend,

 

 

 

 

 

 

 

Elk bevel aan jezelf zal worden uitgevoerd.

Elke gave die vanzelfsprekend is, is blijvend.

Elke van buitenaf opgelegde discipline leidt tot afstomping.

 

 

 

11:39 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gave, dicipline, vanzelfsprekend |  Facebook |

03-10-16

ONTHECHTING.

ONTHECHTING.

onthechting, scheiding, leven, gave,

Ik mag mij niet hechten aan wat de wereld mij biedt, want de wereld zou mij knechten. Mijn geest verdraagt dat niet. Ik moet mij onthechten, opdat het leven voor mij niet betekent het Zijn. Want, ben ik gehecht aan het leven, is scheiding van ‘t leven mij pijn, dan is mij, de dood een nood geworden. Dan is mij duister het bestaan, omdat ik droom van ondergang en lijden, al weet ik: dit alles is slechts waan.

Ik mag mij niet hechten, ik mag niet bezitten, ik mag niet begeren, verlangen, zoveel. Toch heeft de wereld zoveel gaven, wordt in de sferen zoveel weer je deel, dat je er voortdurend je toch kunt gaan laven, gaan laven aan drank van de eeuwigheid. De gave, die vluchtig je even beroert, terwijl je onberoerd zelve weer verderschrijdt.

Onthechting wil niet zeggen: verlaten alles, wat U de wereld biedt. Dat wil niet zeggen, dat ‘t kwaad is te leven, terwijl je van het leven geniet. Onthechting wil zeggen: niets vast te bezitten. Niets te zien als vast deel van je eigen bestaan. En zonder rouw, traan of verlangen, wanneer ‘t je verlaat, weer verder te gaan.

Onthechting wil zeggen: sterk zijn in daden. Stil zijn in woorden. Vol zijn in kracht. Opdat je begrijpt, hoe de volheid van ‘t leven in evenwicht rond je wordt samengebracht. Want evenwichtig bestaan is ons allen gegeven.

Onthechting is niet ‘n afscheid van weelde der wereld. Geen afscheid van de vreugden voor oog en voor oor. Niets van wat de wereld aan schoonheid bezit, aan verrukking gaat door onthechting voor U teloor in werkelijke zin.

Zij doet je beseffen:

Wil ik mij verheffen? Niets bezat ik aan ‘t begin en niets zal ik bezitten aan ‘t einde. Waarom zou ik mijzelf verrijken met bezit? Waarom zou ik uitgrijpen naar alle gaven? Waarom zou ik spreken van zwart en van wit? Waarom zou ik door het leven heendraven, belastend mijzelf met zorgen en nood? Waarom zou ik vrezen armoe of dood? Het leven geeft en ik ga mijn weg, terwijl ik mijzelf onthecht aan de dingen, maar niet mij ‘s levens gaven ontzeg.

Onthechting betekent: Jezelf bedwingen. Kracht bezitten, die je steeds weer geleidt, wanneer je je laat vangen of haast werd gevangen op de weg van bezit en van tijdelijkheid.

Eeuwig is het leven en eeuwig zijn de krachten, die met je leven en gaan door het Zijn.

Eeuwig de kracht, waaruit je eens werd geboren.

Eeuwig en lichtend en sterk en ook rein.

Die dingen gaan je nooit verloren.

Zij zijn je wezen, je kracht, je bestaan.

Voor onthechting moet je leren juist daardoor niets te vrezen, en rustig je wegen steeds verder te gaan.

18:12 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: onthechting, scheiding, leven, gave |  Facebook |

18-07-16

ONTHECHTING.

ONTHECHTING.

ONTHECHTING,droom, leven, gave,kracht,weelde, wereld, rein, gebo

Ik mag mij niet hechten aan wat de wereld mij biedt, want de wereld zou mij knechten. Mijn geest verdraagt dat niet. Ik moet mij onthechten, opdat het leven voor mij niet betekent het Zijn. Want, ben ik gehecht aan het leven, is scheiding van ‘t leven mij pijn, dan is mij, de dood een nood geworden. Dan is mij duister het bestaan, omdat ik droom van ondergang en lijden, al weet ik: dit alles is slechts waan.

Ik mag mij niet hechten, ik mag niet bezitten, ik mag niet begeren, verlangen, zoveel. Toch heeft de wereld zoveel gaven, wordt in de sferen zoveel weer je deel, dat je er voortdurend je toch kunt gaan laven, gaan laven aan drank van de eeuwigheid. De gave, die vluchtig je even beroert, terwijl je onberoerd zelve weer verderschrijdt.

Onthechting wil niet zeggen: verlaten alles, wat U de wereld biedt. Dat wil niet zeggen, dat ‘t kwaad is te leven, terwijl je van het leven geniet. Onthechting wil zeggen: niets vast te bezitten. Niets te zien als vast deel van je eigen bestaan. En zonder rouw, traan of verlangen, wanneer ‘t je verlaat, weer verder te gaan.

Onthechting wil zeggen: sterk zijn in daden. Stil zijn in woorden. Vol zijn in kracht. Opdat je begrijpt, hoe de volheid van ‘t leven in evenwicht rond je wordt samengebracht. Want evenwichtig bestaan is ons allen gegeven.

Onthechting is niet ‘n afscheid van weelde der wereld. Geen afscheid van de vreugden voor oog en voor oor. Niets van wat de wereld aan schoonheid bezit, aan verrukking gaat door onthechting voor U teloor in werkelijke zin.

Zij doet je beseffen:

Wil ik mij verheffen? Niets bezat ik aan ‘t begin en niets zal ik bezitten aan ‘t einde. Waarom zou ik mijzelve verrijken met bezit? Waarom zou ik uitgrijpen naar alle gaven? Waarom zou ik spreken van zwart en van wit? Waarom zou ik door het leven heendraven, belastend mijzelve met zorgen en nood? Waarom zou ik vrezen armoe of dood? Het leven geeft en ik ga mijn weg, terwijl ik mijzelve onthecht aan de dingen, maar niet mij ‘s levens gaven ontzeg.

Onthechting betekent: Jezelf bedwingen. Kracht bezitten, die je steeds weer geleidt, wanneer je je laat vangen of haast werd gevangen op de weg van bezit en van tijdelijkheid.

Eeuwig is ‘t leven en eeuwig zijn de krachten, die met je leven en gaan door het Zijn.

Eeuwig de kracht, waaruit j’ eens werd geboren.

Eeuwig en lichtend en sterk en ook rein.

Die dingen gaan je nooit verloren.

Zij zijn je wezen, je kracht, je bestaan.

Voor onthechting moet je leren juist daardoor niets te vrezen, en rustig je wegen steeds verder te gaan.

11:35 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: onthechting, droom, leven, gave, kracht, weelde, wereld, rein, geboren |  Facebook |

02-01-15

KRITIEK EN KRITISCH DENKEN.

KRITIEK EN KRITISCH DENKEN.

kritisch denken, kritiek, gave, oordeel,existentialistisch, mystiek, occult, religieus,Vlaanderen,

Kritiek is iets, dit iedereen heeft op alles wat hem niet past. Met andere woorden: het is een poging om de onjuiste of onaangename punten daarin naar voren te brengen en de hiaten te vinden. Wat dat betreft zal de mens, die de kritiek uitoefent, heel vaak, wat men noemt, spijkers op laag water zoeken. Dan gaat dat ongeveer als volgt.

Iemand zegt. "De dichter heeft het toch maar schoon uitgedrukt. A thing of beauty is a joy for ever." Waarop prompt een criticus zegt: "Maar die mijnheer "Ever' ken ik niet. En dat de dichter dit zonder meer beweert, moet hij eerst maar eens aannemelijk maken."

Kijk eens, hier wordt dus eenvoudig een waarde verdraaid. Ever kan "altijd" zijn; het kan ook een persoon zijn. En zelfs van "joy" zou je ook nog weer een persoonlijkheid kunnen maken. Hier gaat men dus proberen er iets in te lezen, dat er eigenlijk niet mede bedoeld is. En dat is iets, dat menigeen helaas beschouwt als "kritisch denken".

Kritiek, die werkelijk goed wordt gebracht, betekent het erkennen van fouten, maar gelijktijdig het geven van een opbouwend oordeel. Wanneer ik ontdek, dat ergens in een plan of in een boek een aantal hiaten bestaan, dan is het heel logisch dat ik dit constateer en hierop de nadruk leg. Maar dan moet ik ook zeggen, hoe het anders zou moeten zijn. Ik moet dus mijn kritiek niet slechts gebruiken om ergens een ander te verwonden of iets waardeloos, te maken; neen, ik moet haar gebruiken om datgene, wat bestaat, waardevoller en juister te maken. En dit ‑ meen ik is het punt, waarbij kritisch denken in het geding kont. Want kritisch denken, d.w.z. denken met een gave van oordeel over en onderzoek van bepaalde punten, is al te vaak slechts een naar voren brengen van je eigen standpunt.

Een geestelijke, die onze voordrachten naleest, zal ongetwijfeld kritisch denken. Maar zijn kritiek gaat dan niet uit van de stellingen, die, door ons worden geponeerd en de waarschijnlijkheid daarvan. Neen, hij gaat uit van zijn geloof; dus van zijn manier van denken. Hij constateert de verschillen tussen zijn denken en ons denken en komt op grond daarvan tot een oordeel. U zult begrijpen, dat dit met werkelijk kritisch denken niets heeft uit te staan, ook al wordt het maar al te vaak zo genoemd.

Kritisch denken wil zeggen: niet zonder meer aanvaarden. Alles wat je hoort, wat je leest, op je laten inwerken, nagaan wat daarin juist kan zijn en wat daarin onjuist kan zijn. Door op zo'n manier je gedachten te laten gaan ‑niet alleen over datgene, wat is gebracht maar ook over de eventuele fouten en goede punten daarin ‑ kan men in de eerste plaats het gebrachte, zo'n gedachte enz., veel beter verwerken. Het spreekt meer tot je. Je gaat de werkelijke, betekenis ervan duidelijker inzien.

In de tweede plaats zul je door een dergelijk kritisch denken al snel komen tot, een poging om te verbeteren. Wij leven op een wereld, waarin wij als individu staan tegenover een groot aantal andere individuen en een meestal niet geheel begrepen kosmos. Ieder onzer geeft daaraan zijn persoonlijke uitleg en tracht die op zijn wijze te beleven.

Men verzamelt zich in groepen om daaraan existentialistisch, religieus, mystiek, occult of op een andere manier, uiting te geven.

Dit alles is natuurlijk en aanvaardbaar. Maar wanneer wij tegenover de rest van de wereld staan en het ondanks al onze pogingen om een eenheid met die wereld te bereiken blijkt, dat hierin geen verandering komt, dan zullen wij op een gegeven ogenblik moeten zeggen: Waar zit de fout in het denken van die ander? Ik kan dat alleen goed inzien, als ik niet slechts zijn stellingen maar ook de mijne aan dezelfde kritiek onderwerp.

Hierin nu schuilt de grote fout, die de meeste mensen maken. Kritiek op zichzelf is beoordelen. Kritisch denken echter is een poging om de beoordeling om te zetten in een direct geconstateerd verband van al dan niet logische waarden, een vergelijking tussen het gekende en het eventueel geponeerde; verder een vergelijking van de juistheid van wat je zelf allereerst aanvaardt met dat, wat een ander aanvaardt. Ik meen, dat ik hiermede het hoofdpunt van het onderwerp wel heb behandeld.

Want, vrienden, kritiek zullen wij altijd hebben. Sommigen staan onmiddellijk met hun kritiek klaar, anderen verbergen die. Sommigen hebben de neiging alles aan te nemen en hun kritiek ten slotte op zichzelf te richten. "Ik ben zeker te dom om het te begrijpen." Of: "De fout zal wel bij mij liggen."

Anderen zoeken de fout alleen bij een ander, want wat zij kennen is juist, is goed. Een mens, die ermede begint zijn eigen stellingen op hun waarschijnlijkheid en juistheid te toetsen en daarna de stellingen van een ander, komt in de eerste plaats tot een juiste vorm van kritiek want hij beseft dat zijn oordeel persoonlijk is, gebaseerd op zijn stellingen en de relatie tussen die stelling en hetgeen hij elders vindt.

In de tweede plaats zal hij door ook zijn eigen stelling aan dezelfde proef te onderwerpen, welke hij aan de stelling van een ander oplegt, de eerste juister definiëren en eventueel herzien.

Ten slotte zal hij, aan de hand van de vergelijking, waardoor beide waarden op dezelfde wijze worden getoetst, vaak kunnen komen tot een aanvulling van dat, waarop hij kritiek heeft en eventueel tot een verbetering van hetgeen daarin werd, vastgelegd of gesteld.

Het verschil tussen kritiek en kritisch denken is dus moeilijk aan te geven. Maar wij kunnen toch wel stellen: kritiek betekent een oordeel. Om een juiste kritiek uit te oefenen, moet men eerst kritisch kunnen denken. En kritisch denken impliceert, dat men zowel de eigen gedachten en stellingen als die van anderen, de eigen visie zowel als die van anderen, aan gelijke proeven onderwerpt en op gelijke wijze nagaat. Alleen dan is resultaat mogelijk.

Nu kan ik nog heel veel gaan zeggen over kritiek. Want de beste kritiek komt, zoals u weet, van de mensen die ergens iets van afweten. In Vlaanderen zegt men, dat de beste stuurlui aan wal staan. Het is dan ook heel gemakkelijk om van uit je, eigen wat geïsoleerde standpunt een oordeel te vellen over de werkingen, de gedachten, de beïnvloedingen, die anderen ondergaan of presteren.

Hoe zou je zelf in een gelijke situatie handelen? Dat is de grote vraag. Ik moet mij daarom niet alleen bij kritisch denken en in het uitoefenen van kritiek beperken; neen, ik moet voor mijzelf eerlijk nagaan, wat ik zelf kan. Alleen als ik zelf in staat ben hetzij een verbetering te suggereren, hetzij een gelijkwaardige stelling te poneren met dezelfde waarschijnlijkheid, heb ik werkelijk het recht tot kritiek. En dat betekent, dat heel veel beroepscritici dus maar betrekkelijk weinig recht hebben om te kritiseren.

Het is eenvoudig om te zeggen. "Ja, wij behoeven per slot van rekening toch geen musicus te zijn om de prestaties van een musicus te kunnen beoordelen." Dat is waar zolang wij ons beperken tot de prestatie als zodanig. Zodra wij echter aan onze kritiek op deze prestatie (dus op de klankenreeks) een kritiek op de musicus gaan verbinden, dan gaan wij werken met onze instelling en ons oordeel t.o.v. iemand, die onder geheel andere condities werkt, beleeft en mogelijkerwijze een hele reeks hinderpalen moet overwinnen, waarvan wij eenvoudig niets afweten. Punt l.: Het is dus gevaarlijk om met je kritiek verder te gaan dan alleen over wat kenbaar wordt. Punt 2.: Er behoeft van mij niet te worden verwacht, dat ik bv. dezelfde roman kan schrijven of een gelijkwaardige, als de schrijver, wiens werk ik moet beoordelen. Maar ik heb alleen het recht diens werk te beoordelen, als ik‑kan aangeven waar zich de fouten bevinden, hoe deze kunnen worden verbeterd.

Een kritiek, die alleen fouten aanwijst, is geen werkelijke kritiek. Het is een poging tot zelfverheffing ten koste van anderen.

Dan hebben we nog de menselijke behoefte tot kritiek. Wat is hiervan de achtergrond? De menselijke behoefte tot kritiek, vooral aan zelfkritiek, is betrekkelijk klein. Maar u zou het beter zo kunnen stellen: Waarom heeft de mens er zoveel behoefte anderen te kritiseren?

Dat is eenvoudig te verklaren. Naarmate ik mij bewust ben van een geringer vermogen, van minder capaciteiten op een bepaald terrein dan een ander, zal ik meer geneigd zijn anderen, die wel iets presteren, aan te vallen. Het is voor mij immers zo moeilijk, zoals het voor iedere mens altijd moeilijk zal blijven om de meerwaardigheid van een ander te erkennen. Dit wordt sterker naarmate ik iets op een ander terrein presteer.

Wij krijgen dan bv. de ingenieur, die op grond van zijn kennis der meetkunde kritiek uitoefent op de composities Van Wagner bv., daarbij niet begrijpend, dat dit twee geheel verschillende dingen zijn, Wij ontmoeten dan een musicus, die een oordeel wil uitspreken over de lijnen van een brug, niet beseffende dat bepaalde moeilijkheden in de constructie, bepaalde eisen daaraan gesteld, een andere lijn van de structuur onmogelijk maakten. Maar als hij dit zou beseffen en toegeven, dan zou hij ook moeten erkennen dat de ander groter is dan hijzelf.

Geloof mij, de doorsnee‑mens oefent op eenieder kritiek uit en al durft hij dat niet openlijk te zeggen ‑ zelfs op zijn God. Alleen op zichzelf zal hij weinig kritiek dulden. Want degene, die hem op zijn fouten wijst, ziet hij als iemand die zijn persoonlijkheid aantast. Wanneer hij zelf kritiek uitoefent, meent hij echter dat hij zijn eigen persoonlijkheid versterkt.

En dit is dus het typische verschijnsel: wie groot wil zijn onder de mensen, doet dit heel vaak niet door zichzelf boven anderen te verheffen, maar door te trachten hen, die boven hem staan naar beneden te trekken. Hij meent, dat dit de eenvoudigste oplossing is en is daarbij even dwaas als een misdadiger, die een jaarlang een bepaalde bankroof voorbereidt en heel wat meer tijd en moeite besteedt aan deze onwettige bezigheid voor een beloning, die kleiner is dan hij voor wettige arbeid met wettige beloning zou kunnen verdienen.

De mens is altijd geneigd zich tegen de regels te verzetten. Hij aanvaardt niet graag. En als hij aanvaardt, is dit in 9 van de 10 gevallen een berusting, omdat de zaak waarom het gaat hem niet interesseert.

De neiging op iedereen en alles kritiek te hebben is dus in feite een uiting van een soort minderwaardigheidsbesef, dat gepaard gaat met een behoefte tot zelfverheffing en vaak ‑ maar niet altijd ‑ een vorm van narcisme, waarbij men de zelfbewondering alleen kan handhaven door alles buiten zich eenvoudig neer te drukken.

12-11-14

Fantasie ~ werkelijkheid.

Fantasie ~ werkelijkheid.

 

eenheid,gave,fantasie,kracht,autoriteit,ervaring,

 

Eenheid kan zich alleen in tegenstellingen manifesteren.


Elk bevel aan jezelf zal worden uitgevoerd.


Elke gave die vanzelfsprekend is, is blijvend.


Elke van buitenaf opgelegde discipline leidt tot afstomping.


Er is geen fantasie, die niet ergens waar is.


Er is slechts één kracht, waarin, waardoor, waarvoor en waarmee je leeft.

Die kracht leeft net zo goed in jou als in al het andere.


Erken geen andere autoriteit dan je eigen ervaring.


Erken het deel en tegendeel dat in je leeft.

18:00 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: eenheid, gave, fantasie, kracht, autoriteit, ervaring |  Facebook |

17-03-10

VRIJHEID is de grootste gave die er bestaat.

VRIJHEID.

 

Vrijheid is de grootste gave die er bestaat.

Vrij zijn wil zeggen: jezelf zijn.

Maar vrijheid is ook de grootste gebondenheid, die er bestaat. Want het wil zeggen: voor jezelf aansprakelijk zijn en tegenover jezelf aansprakelijk zijn voor al wat je bent en al wat je doet.

Toen de mens werd geschapen, toen de eerste geest in menselijke vorm ontstond, was hij niet vrij. Hij was gebonden aan instincten en aan wetten. Hij werd geleefd en geregeerd. En als grootste gave werd hem toen vrijheid gegeven. De vrijheid om zelf te denken, zelf te bepalen waar hij zou gaan en hoe hij zou gaan, hoe hij zou handelen.

De mens kon deze vrijheid niet dragen. Hij heeft de vrijheid misbruikt om zijn instincten voortdurend aan anderen op te leggen. En zo werd een wereld geboren, waarin oorlog op oorlog volgde, strijd na strijd ontstond; een wereld vol dwaasheid. Maar toch leerde de mens steeds meer ‑ althans enigszins ‑ vrij te zijn. Hij kwam tot een vrije wereld van denken, die steeds onafhankelijker werd van al, wat hij zich aan gebondenheid moest laten welgevallen. De mens leerde in die gedachtewereld krachten en waarden kennen, die voor hem nog niet bestaan in zijn omgeving, in zijn gebonden wereld

Maar de moeilijke vraag is dan: Mens, wie bindt je met ketenen, die zo zwaar zijn te dragen? Wie kluistert je aan een sociaal patroon, dat niet verantwoord is? Wie bindt je aan een arbeid, die je niet gaarne verricht?

Wie dwingt je toch steeds, mens?

God kan het niet zijn, want God laat je vrij. Hij gaf je een vrije wil en de vrijheid om te leven, zolang je blijft binnen het kader van je eigen wezen en Zijn wetten.

En het kan ook de mensheid niet zijn. Want wie kan je dwingen, o mens?

Wie kan je dwingen, wanneer je niets begeert en niet vreest?

Wie niet begeert en niet vreest is de meest vrije mens op de wereld. Hem kan geen dictator iets aandoen. Ten hoogste kan hij hem doen overgaan van het ene rijk naar het andere, van de ene vrijheid naar de andere. Niemand kan u dan iets ontnemen, want ge begeert niets. Dat is vrijheid.

Vrijheid wil niet zeggen: alles ontberen en alles ontkennen.

Maar het wil zeggen: aan niets gebonden zijn. Wat ge heden bezit, zult ge morgen ‑ zonder ook maar een ogenblik van aarzeling ‑ moeten achterlaten, wanneer uw wezen u zegt, dat het een hinderpaal voor u wordt. En al wat ge aan wetten hebt gevolgd, zult ge morgen misschien moeten verwerpen of in het tegendeel doen verkeren, wanneer ge voelt dat dit goed is, En ge kunt dit doen, wanneer ge zo vrij zijt van begeren en angsten, dat ge de consequenties kunt dragen van het jezelf zijn, van het vrij‑zijn.

En toch is vrijheid een gebondenheid. Want in elke mens en in elke geest leeft ergens iets van God. Er leeft een beeld van een volmaaktheid, van een harmonie, waaraan hij steeds weer wordt herinnerd. Iets wat edel is en schoon. Iets wat rein is, rein als een sterf die flonkert in de nacht. In zien draagt de mens zijn droom van het licht en van het goede en deze droom mag hij niet verloochenen.

Zijn vrijheid is: wat in hen, leeft tot werkelijkheid te maken, waarlijk oprecht en eerlijk. Om harmonie te winnen met het totaal van de gehele wereld en ten slotte met zijn God zelve.

Maar dan betekent die vrijheid ook dat al, wat hem in dit streven benadeelt, al wat tegen deze kern van zijn verlangen en wezen ingaat, moet worden terzijde gesteld.

Vrijheid betekent voor de mens, die bewust is: gebonden zijn aan de God, Die hij in zich kent. Niet omdat hij gedwongen wordt, maar omdat dit het enige is, dat in zijn leven en bestaan, waarde heeft.

Wat baat u de vrijheid, indien ge alles verliest? Wat baat u het gebonden zijn, de eerbiedwaardigheid, het fatsoenlijk zijn, het wetmatig braaf zijn en goed zijn, het gelovig zijn, indien ge daardoor uzelf verliest?

Wat baat het u in de ganzenpas te marcheren, indien ge daarmee een weg gaat, die niet geschikt is voor u?

Vrij zijn betekent: weten wat het hoofddoel is in het leven en alles in het leven daaraan ondergeschikt maken. Dat wil zeggen: God beleven altijd weer, volgens beste weten en innerlijk kennen. Dat is vrijheid.

Want de vrijheid, die ons is gegeven, is de vrijheid om naar ons eigen verlangen ons wezen te bevestigen en te erkennen in het eeuwige en zo dat te kennen wat men noemt vrede, licht en geluk; of onszelf voortdurend te ontkennen en in een duisternis van waan te lijden, omdat wij immers het licht niet kunnen uitdrijven, dat ons een voortdurende aanklacht is

Vrijheid is het vermogen te kiezen en een eigen doel te stellen op elk terrein. En het is gebonden aan de krachten jezelf, die je God noemt, die je goed noemt, die je licht noemt.

Vrijheid is het lichtende in ons, dat wij voor onszelf tot werkelijkheid maken.

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

25-02-10

VRIJHEID.

VRIJHEID.

 

Vrijheid is de grootste gave die er bestaat.

Vrij zijn wil zeggen: jezelf zijn.

Maar vrijheid is ook de grootste gebondenheid, die er bestaat. Want het wil zeggen: voor jezelf aansprakelijk zijn en tegenover jezelf aansprakelijk zijn voor al wat je bent en al wat je doet.

Toen de mens werd geschapen, toen de eerste geest in menselijke vorm ontstond, was hij niet vrij. Hij was gebonden aan instincten en aan wetten. Hij werd geleefd en geregeerd. En als grootste gave werd hem toen vrijheid gegeven. De vrijheid om zelf te denken, zelf te bepalen waar hij zou gaan en hoe hij zou gaan, hoe hij zou handelen.

De mens kon deze vrijheid niet dragen. Hij heeft de vrijheid misbruikt om zijn instincten voortdurend aan anderen op te leggen. En zo werd een wereld geboren, waarin oorlog op oorlog volgde, strijd na strijd ontstond; een wereld vol dwaasheid. Maar toch leerde de mens steeds meer ‑ althans enigszins ‑ Vrij te zijn. Hij kwam tot een vrije wereld van denken, die steeds onafhankelijker werd van al, wat hij zich aan gebondenheid moest laten welgevallen. De mens leerde in die gedachtewereld krachten en waarden kennen, die voor hem nog niet bestaan in zijn omgeving, in zijn gebonden wereld

Maar de moeilijke vraag is dan: Mens, wie bindt je met ketenen, die zo zwaar zijn te dragen? Wie kluistert je aan een sociaal patroon, dat niet verantwoord is? Wie bindt je aan een arbeid, die je niet gaarne verricht?

Wie dwingt je toch steeds, mens?

God kan het niet zijn, want God laat je vrij. Hij gaf je een vrije wil en de vrijheid om te leven, zolang je blijft binnen het kader van je eigen wezen en Zijn wetten.

En het kan ook de mensheid niet zijn. Want wie kan je dwingen, o mens?

Wie kan je dwingen, wanneer je niets begeert en niet vreest?

Wie niet begeert en niet vreest is de meest vrije mens op de wereld. Hem kan geen dictator iets aandoen. Ten hoogste kan hij hem doen overgaan van het ene rijk naar het andere, van de ene vrijheid naar de andere. Niemand kan u dan iets ontnemen, want ge begeert niets. Dat is vrijheid.

Vrijheid wil niet zeggen: alles ontberen en alles ontkennen.

Maar het wil zeggen: aan niets gebonden zijn. Wat ge heden bezit, zult ge morgen ‑ zonder ook maar een ogenblik van aarzeling ‑ moeten achterlaten, wanneer uw wezen u zegt, dat het een hinderpaal voor u wordt. En al wat ge aan wetten hebt gevolgd, zult ge morgen misschien moeten verwerpen of in het tegendeel doen verkeren, wanneer ge voelt dat dit goed is, En ge kunt dit doen, wanneer ge zo vrij zijt van begeren en angsten, dat ge de consequenties kunt dragen van het jezelve zijn, van het vrij‑zijn.

En toch is vrijheid een gebondenheid. Want in elke mens en in elke geest leeft ergens iets van God. Er leeft een beeld van een volmaaktheid, van een harmonie, waaraan hij steeds weer wordt herinnerd. Iets wat edel is en schoon. Iets wat rein is, rein als een ster die flonkert in de nacht. In zien draagt de mens zijn droom van het licht en van het goede en deze droom mag hij niet verloochenen.

Zijn vrijheid is: wat in hen, leeft tot werkelijkheid te maken, waarlijk oprecht en eerlijk. Om harmonie te winnen met het totaal van de gehele wereld en ten slotte met zijn God Zelve.

Maar dan betekent die vrijheid ook dat al wat hem in dit streven benadeelt, al wat tegen deze kern van zijn verlangen en wezen ingaat, moet worden terzijde gesteld.

Vrijheid betekent voor de mens, die bewust is: gebonden zijn aan de God, Die hij in zich kent. Niet omdat hij gedwongen wordt, maar omdat dit het enige is, dat in zijn leven en bestaan, waarde heeft.

Wat baat u de vrijheid, indien ge alles verliest? Wat baat u het gebonden zijn, de eerbiedwaardigheid, het fatsoenlijk zijn, het wetmatig braaf zijn en goed zijn, het gelovig zijn, indien ge daardoor uzelf verliest?

Wat baat het u in de ganzenpas te marcheren, indien ge daarmee een weg gaat, die niet geschikt is voor u?

Vrij zijn betekent: weten wat het hoofddoel is in het leven en alles in het leven daaraan ondergeschikt maken. Dat wil zeggen: God beleven altijd weer, volgens beste weten en innerlijk kennen. Dat is vrijheid.

Want de vrijheid, die ons is gegeven, is de vrijheid om naar ons eigen verlangen ons wezen te bevestigen en te erkennen in het eeuwige en zo dat te kennen wat men noemt vrede, licht en geluk; of onszelf voortdurend te ontkennen en in een duisternis van waan te lijden, omdat wij immers het licht niet kunnen uitdrijven, dat ons een voortdurende aanklacht is

Vrijheid is het vermogen te kiezen en een eigen doel te stellen op elk terrein. En het is gebonden aan de krachten jezelf, die je God noemt, die je goed noemt, die je licht noemt.

Vrijheid is het lichtende in ons, dat wij voor onszelf tot werkelijkheid maken.

 

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

 

 

15-03-09

Voorspel tot virtuositeit.

VOORSPEL TOT VIRTUOSITEIT.

 

 

Wat is een virtuoos.

Iemand, die het schijnbaar beter beheerst dan anderen.

Maar om beter te zijn, dan een ander moet je ook je meer wijden aan hetgeen je doet dan anderen.

Ware virtuositeit komt voort uit toewijding.

Wanneer wij bezig zijn met het zoeken naar geestelijke waarden en innerlijke krachten, dan zullen wij als vanzelf een voorspel geven op die virtuositeit.

Wij geven onszelf inzichten waardoor de toewijding voor hetgeen wij doen groter wordt.

Hoe meer wij waarlijk daaraan toegewijd zijn, hoe meer en hoe beter wij presteren.

Daarom, is een voorspel tot virtuositeit het zoeken naar datgene waaraan je je zo volledig durft en kunt wijden dat je je­zelf tijdelijk vergeet.

En in deze vergetelheid ontstaat de virtuosi­teit.

Mag ik u allen toewensen dat het voorspel van uw zoeken naar geestelijke ontplooiing snel zal overgaan in het ontstaan van de virtuositeit van de geestelijke kracht, die van u uitgaat.

 


 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

Een grapje...

Een grapje.

 

Wat is eigenlijk een grapje?

Is een grapje alleen het ridicule?

Is het een spelen met woorden?

Is het een confrontatie met het onver­wachte?

Als dat allemaal waar is, dan heeft God een reuze grap gemaakt want Hij schiep de schepping.

Ik geloof dat een grapje voor ons geen andere betekenis heeft dan dit.

Het is datgene waardoor we de zaak even anders gaan zien.

Alles is betrekkelijk.

Zelfs de waarheid is betrekkelijk voor zover wij haar kunnen zien. Daarom kan een grapje ons juist helpen om even los te komen van al die te diep ingewoekerde dodelijke ernst waardoor we de feiten eigenlijk over het hoofd gaan zien.

Lachen is een gave die de mens heeft ontwikkeld.

Als er een ding is dat de mens de meerdere maakt van zijn mede schepselen, dan is het zijn vermogen om te lachen.

Huilen kunnen krokodillen ook. Soortgelijke tranen worden door de mensen op aarde eveneens vaak gestort.

Maar la­chen kan de mens alleen.

De mens kan zien hoe bespottelijk, hoe betrekkelijk de dingen zijn.

Hij kan zich een ogenblik verheugen niet in het lijden van anderen, maar in het absurde dat erin kan schuilen.

Een mens kan lachen over zichzelf.

Dan maakt hij een grapje met het leven, niet omdat hij het leven niet ernstig neemt, maar omdat hij begrijpt dat datgene wat hij van het leven op dit moment ziet in feite maar een heel klein stukje is van wat waar is en dat hij, door te la­chen over de details, dichter komt bij de onveranderlijke werkelijkheid.


 

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 

28-08-08

INNERLIJKE GAVEN.

INNERLIJKE GAVEN.

Laat mij allereerst stipuleren wat ik onder "gaven" wil verstaan binnen het verband van deze lezing.

Een innerlijke gave is een in de mens bestaande eigenschap die niet behoort tot de eigenschappen welke door hen als normaal worden erkend en door hem normaal kunnen worden ontwikkeld. De mens heeft een aantal lichamelijke eigenschappen welke hij kan beheersen. Daarnaast heeft hij een aantal automatische lichamelijke functies welke hij niet kan beheersen. Nu blijkt dat een mens, die zich daarin traint (denkt u aan bepaalde vormen van yoga; begint u met de hatha‑yoga) in staat zal zijn om dergelijke automatische functies bewust te beheersen. Dit is natuurlijk geen innerlijke gave, dat zult u begrijpen.

Maar het zal u misschien duidelijk maken hoe de innerlijke gaven in feite functioneren. Ze zijn een deel vaneen automatisme en juist daardoor zal de mens er weinig een beroep op doen. Hij zal niet geneigd zijn deze dingen als exceptioneel te zien. Er zijn natuurlijk wel z.g. "gaven", die men direct kan ontwikkelen. Dat zijn bepaalde vormen van sensitiviteit, helderziendheid, helderhorendheid en telepathie. Maar al deze zaken zijn eigenlijk ze zijn geen wezenlijke eigenschappen. Ze zijn doodgewoon factoren van innerlijke waarden die onder beheersing komen daardoor in de stof bewust kunnen worden gebruikt. De innerlijke gaven van de mens zijn niet gericht op de wereld in de materie rond hem.

De kern van de mens is een aantal krachten. Zij kunnen deze onder­scheiden in

 a. de z.g. goddelijke of oerkracht,

 b. de z.g. geestelijke of bewustzijnskracht,

 c. de z.g. levens‑ of manifestatiekracht.

Nu is de manifestatiekracht een normaal deel van uw bestaan. De goddelijke kracht is eveneens een normaal deel van uw bestaan.

Maar de geestelijke kracht (de bewustzijnskracht) wordt door de doorsnee mens en zeker in de materie niet voldoende gebruikt. Veel van hetgeen hij als gave omschrijft, is in wezen een uiting van deze geestelijke kracht die in hem bestaat, waardoor hij ook geestelijk kan functioneren.

Nu stel ik, want alles uit te werken en te bewijzen zou mij te ver voeren.

In de mens bestaat een compleet wereldbeeld. Dit wereldbeeld kan hij beheersen; het is namelijk zijn eigen schepping. De verhoudingen, die hij daarin schept, zullen invloed hebben op alle krachten die er in hem bestaan. Dat wil zeggen, door het geestelijk beeld wordt de kenbaarheid van de goddelijke kracht bepaald, daarnaast de functie van die levenskracht. Waar de levenskracht functioneert, werkt zij naar buiten toe en veroorzaakt ze verschijnselen.

Elke mens, elk levend wezen zelfs draagt in zich een aantal verschillende vormen van bewustzijn. ik gebruik het woord "vorm" met enige aarzeling, omdat er geen sprake is van een lijnbegrenzing, maar slechts van een verschillende geaardheid. Deze verschillende vormen van bewustzijn nu zullen slechts voor een klein gedeelte door de mens in het her­sendenken kunnen worden ontvangen. De andere vormen openbaren zich aan hem als emoties of ‑ zoals ook in vele gevallen gebeurt ‑ alleen door de uitwerkingen die zij tot stand brengen. Indien wij deze inwerkingen van geestelijke aard beschouwen, dan kunnen wij ze zien als innerlijke gaven, Ze zijn de kwaliteiten die ons be­staan kleuren en meestal zelfs mede kunnen bepalen.

De eerste en meest belangrijke gave is overzicht of wijdheid. Deze wijsheid bestaat niet uit kennis. Ze is het vermogen om alle aan­wezige krachten in het "ik" te beseffen en de resultaten van dat samen­treffen van de krachten te bepalen. Men kent dus de oorzaak, men kent de werking. Hier treedt een zeer belangrijk verschijnsel op. De mens, die deze innerlijke wijsheid bezit, is geneigd alle door hem niet gekende of niet in hersen‑denken kenbare vormen van geestelijk bestaan, uit te drukken hetzij in symbolen, hetzij in kleuren, hetzij in visioenen van allerlei aard zodat hij zich in deze symbolen e.d. bewust wordt‑ niet alleen van zichzelf maar ook van alle werkingen die ten aan­zien van het "ik" ontstaan en van de wijze waarop het "ik." daarop zal antwoorden.

Nu is deze stelling op zichzelf natuurlijk betrekkelijk moeilijk. Voorstel­baar is ze voor de mens zelden helemaal. Maar laat mij proberen dit voor u te verduidelijken.

Wij hebben als mens een aantal begrippen waaronder ook abstracte. Wij zullen deze abstracte begrippen heel vaak beleven als een deel van onszelf. Er bestaat in uw tijd, de neiging om een trip naar je binnenste te maken. Als je dit doet ‑ hetzij meditatief hetzij anderszins ‑ zo ont­moet je daar allerlei ruimten. Soms heb je het gevoel in een kerk te zijn, soms in een hel, soms meen je een soort hemel aan te treffen. Wat de meeste mensen zich niet realiseren is dat deze innerlijke werke­lijkheid alleen, maar de vertaling is van de invloeden waaraan het "ik" onderworpen is. Het symbool geeft aan welke, krachten er op mij inwerken. Mijn emotionele respons daarop maakt duidelijk hoe ik deze krachten tot uiting kan brengen. Maar die wijsheid in mij ‑ al dan niet in symbolen afleesbaar voor de hersenen ‑ betekent dat ik in staat ben om mijn re­latie met de wereld te bepalen.

Er zijn verschillende systemen en regels waarin dit nader wordt omschre­ven. Ik doe een betrekkelijk willekeurige keuze.

 "In mij bestaat de erkenning van de wereld. Zo mijn erkenning van de wereld gelijk blijft aan mijn beantwoorden aan de wereld, zal ik het vermogen bezitten om mijn eigen plaats in de wereld voortdurend te beseffen en te wijzigen volgens eigen believen of inzicht.”

Dit is een belangrijk punt. Als je weet wat er op je inwerkt, ben je dus in staat om jezelf a.h.w. te veranderen, en daarmee je betekenis binnen het geheel te wijzigen. Je wordt niet geleefd door de krachten die je be­roeren, maar je leeft door de erkenning van die krachten plus het kiezen van een plaats waarop zij je zo beroeren dat. het resultaat voor jou aan­vaardbaar is. In dezelfde leer waaruit ik reeds citeerde staat dan ook.

"De bewuste zal zijn innerlijke, gaven of krachten gebruiken om zichzelf in de wereld voortdurend zo te plaatsen dat hij een zo groot mogelijke vrede ervaart als mens, een zo groot mogelijke, bewustwording als geest en een zo groot mogelijke kracht in zich verzamelt uit de goddelijke kracht die in hem leeft."

Ik gebruik het woord "kracht". Ook kracht speelt bij innerlijke gaven wel degelijk een rol. De regels, die hiervoor gelden zijn vaak wat onduidelijk. Ik wil daarom tevoren stipuleren dat men uitgaat van het standpunt, dat de kracht waarover een mens of een geest kan beschikken theoretisch onbegrensd is en slechts kan worden begrensd door het onvermogen die kracht te aanvaarden. In deze zin gelden dan weer de volgende regels;

"Hij, die door innerlijke wijsheid beseft welke krachten hij van node heeft, zal deze krachten ontvangen. Hij zal deze krachten kunnen gebruiken op elke wereld en op elke andere kracht, die rond hem bestaat. Hij is meester geworden over het rond hem zijnde en kan slechts onderworpen zijn aan één, die bewuster is dan hij en dus grotere krachten in zich draagt dan voor de persoon in kwestie mogelijk is."

Een tamelijk vrije vertaling. Hieraan zou ik willen vastknopen een denkbeeld dat wij o.m. in de Mahabharata aantreffen maar ook in bepaalde andere Veden:

"Als ge leeft, leeft gij als het centrum van uw eigen wereld. Al wat gij uitzendt in die wereld, zal te enigerlei tijd reflecteren en u weer bereiken. Dat kan direct, dat kan indirect. Gij kunt nooit uzelf bevrijden van hetgeen ge doet of hetgeen ge zijt. Alleen als gij het in uzelf verandert, dan verandert gij uw relatie met de werelden. Zo zullen de krachten, die u vanuit de wereld buiten u bereiken, ook veranderen."

Dit is kosmisch gezien natuurlijk niet geheel zuiver, want er zijn krachten die wij zelf niet kunnen veroorzaken. Er zijn ook krachten die wij kunnen beheersen, maar die behoren niet tot onze wereld en zullen daarin dus ook niet reflecteren. Voor de menselijke praxis is dit voldoen; Alle kracht, die je uitzendt, keert tot je terug. Elke daad, die je stelt, keert tot je terug. Er is geen mogelijkheid te ontkomen aan dat wat je bent of aan dat wat je doet. Indien u dit begrijpt ‑ en ik neem aan dat het duidelijk genoeg is gesteld ‑ dan wordt ook duidelijk waarom vaak een grote nadruk wordt gelegd op die meest wonderlijke gave die er in de mens bestaat, de gave die men licht noemt.

Dit licht is in feite het vermogen tot kennen. Het is geen wijs­heid, maar het is het vermogen om de essentie der dingen te doorproe­ven. Een wijsgeer heeft eens gezegd;

"Als ik de boom beschouw en met haar de streling van de wind ervaar, als ik met haar de zon en de wolken voorbij voel trekken, zo weet ik eerst wat een boom is. En de boom zal antwoorden, omdat ik spreek als een boom."

Deze wijsgeer heeft een essentie begrepen: wij zijn niet afhankelijk van de vorm waarin wij op dit ogenblik bestaan. Wij zijn deel van alle vormen die voor ons kenbaar zijn en wij kunnen de emoties en de krach­ten van alle vormen beleven. Dat houdt in, dat wij in de plaats kunnen treden van een ieder en van alles, mits wij ons daarin kunnen projecte­ren. Die projectie is voor de meeste mensen incidenteel en kan nimmer geheel bewust worden beheerst. Het is echter een innerlijke eigenschap, die behoort tot de essentie van uw wezen. Door oefening kan men leren zich a.h.w. te verplaatsen in al het andere.

Als u een medemens ziet en u wilt weten wat zijn problemen zijn, dan behoeft u niet te puzzelen. U laat uw gedachten uitgaan en u bent a.h.w. tijdelijk identiek met die ander. U bent in wezen en vorm aan hem gelijk geworden. In u rijzen nu alle gedachten en problemen die er in de ander bestaan. Op grond daarvan weet u precies wat er in de ander niet in orde en wat er wel in orde is.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor mensen. Een mens, een boom, die stoffelijke dingen behoren zeer zeker voor de mens tot datgene, waarop hij het eerst deze innerlijke gave zou kunnen richten, waarin hij voor het eerst tot de beleving van dit werkelijke licht, deze verenigen­de kracht kan komen. Maar er zijn ook geesten, er zijn sferen, er zijn allerhande krachten rond u. Krachten, die mens zijn geweest of die nooit mens zijn geweest of het nooit zullen worden. Ook in dezen kunt u zich verplaatsen.

Als u een kracht aanvoelt en u wilt weten wat zij is, laat dan uw wezen uitgaan naar die kracht en absorbeer haar wezen. U imiteert haar tot in perfectie met elke emotie, met elke kracht, met elk gevoelen en u wéét nu wat die andere kracht is. Maar u kunt op deze wijze even­eens beschikken over al datgene wat er in die kracht geborgen is. Want hij, die een weten bezit ten aanzien van de kosmische kracht, kan haar richten volgens dit weten. Het is een gave, die soms tot uiting komt.

Als wij horen dat wonderdoeners een mens aanraken en hem genezen, dan lijkt dat ons toe alsof zij alleen naar een gebaar behoeven te maken, een wil behoeven te hebben. De kern is echter, dat zij op dat ogenblik één zijn met degene die ze beroeren. Het is door die eenheid dat zij met hun hoger inzicht en hun hogere kracht de verandering tot stand brengen, in die medemens. De grote bewusten hebben allen deze kracht leren beheersen. Daardoor zijn zij in staat alles af te lezen wat er in het leven tot hen komt. Zij erkennen de essentie van goed en van kwaad, niet in absolute zin maar ten aanzien van hen zelf. Zij zijn in staat elke verandering te bewerkstelligen die in overeenstemming is met hun innerlijke harmonie plus hun erkenning.

"Een mens," zo zegt de leerstelling, "is almachtig, indien hij zijn wezen beseft. Slechts, één kracht kan hij niet beheersen, de kracht die hem voortbrengt. Maar hij is meester over alle andere krachten, omdat in hem de vorm van alle krachten mede aanwezig is en daardoor de inhoud van alle krachten door hem kan worden beseft."

Een innerlijke gave, zoals u begrijpt, maar wel degelijk een eigenschap die iedereen bezit, een eigenschap die door oefening inderdaad kan worden ontwikkeld.

Het licht heeft trouwens nog een andere functie, die in dit verband belangrijk is. Licht is de uitdrukking van kenbaarheid, maar ook van totaliteit.

"Wie het licht beleeft," zo zeggen de oude boeken, "ziet niet de voortdurende wervelgang der incarnaties, maar ziet het beeld van zijn wezenlijk "ik" waar omheen dit alles zich ooit afspeelde. Hij weet wat hij is, wat hij is geweest en wat hij zal zijn, wanneer hij terugkeert tot de vorm waarin hij normalerwijze zichzelf beleeft”.

Hier wordt gesproken over een heerschappij over de tijd. Een mens zal beseffen dat die heerschappij beperkt is. Je kunt de tijd ten dele be­heersen, zelfs t.a.v. je lichaam. Een menselijk lichaam zou, indien het op de juiste en harmonische wijze wordt geleefd, een levensduur moeten hebben die gemiddeld ligt tussen de 150 en 170 jaar. Een mens, die in staat is een volledige harmonie voortdurend aan zijn lichaam te verschaffen, kan leven tot het moment dat zijn vermogen om nieuwe feiten te absorberen in de stof volle­dig is uitgeput. Dit kan duizenden jaren duren. Overigens mag ik hier misschien zeer aarzelend aan toevoegen, dat uw huidige wereld mij geen aanleiding schijnt te bieden om duizenden jaren te leven, tenzij men daar een zeer bijzondere taak beslist moet volbrengen. De mogelijkheid bestaat echter wel.

Tijd is een element dat althans voor een groot gedeelte mede wordt geschapen door ons besef als mens en soms, ook als geest. Als het licht in ons is, zullen wij zien dat dit een functie is van onszelf. Maar een functie kan worden beheerst en veranderd. Slechts een wet buiten ons kannen we niet veranderen, indien zij waarlijk van goddelijke origine is. Zo zijn wij dus grotendeels meester van onszelf, indien wij beseffen wat wij zijn.

Het licht is één van de gaven, één van de krachten die in ons altijd bestaat. Het gebruik dat wij ervan maken is over het algemeen zeer beperkt. Wij zijn niet geneigd ons af te vragen wat het geheel van ons bestaan is. Wij vragen ons liever af wat ons bestaan het volgende moment zal brengen. Daardoor maken wij ons gelijktijdig slaven van de tijd en beperken wij onze mogelijkheid en het geheel van de tijd in onszelf tot werking te brengen.

De situatie van een mens is uit de aard der zaak er één van be­perkingen. Maar een beperking betekent eigenlijk; onderworpen zijn aan iets. Nu bestaat in elke mens en, in elk levend wezen de goddelijke kracht waarvan ik u reeds sprak. Een kracht waaruit onbeperkt, geput zou kunnen worden. Maar eveneens een kracht, die in vele vormen in verschijning kan treden. Alle verschijnselen ‑ ook die welke door natuurlijke oorzaken tot stand komen zoals zwaartekracht, magnetisme en al dergelijke dingen ‑ behoren nu eenmaal tot een uiting van deze goddelijke kracht die in ons bestaat. Een besef van die kracht in ons maakt het dus mogelijk derge­lijke werkingen op te heffen. De bewuste zweeft niet omdat hij een kracht uitstoot die tegen de zwaar­tekracht, ingaat, maar doordat hij zijn eigen harmonie zo verandert dat hij niet of slechts op een bepaalde wijze onder de zwaartekracht valt. Hij kan de werking van elke kracht ten aanzien van henzelf veranderen.

Dit is natuurlijk vérgaan. En ik geloof onmiddellijk dat, als u op deze manier zou leren vliegen er belangengroepen zouden zijn die u dat zouden verbieden, omdat u dan het luchtverkeer teveel zoudt schaden. Maar waarom zouden wij alleen vliegen? Ex zijn zoveel krachten die ons beroeren.

Als wij b.v. door kosmische krachten worden beroerd: de stralen die uitgaan van ongekende bronnen (soms geestelijke, soms stoffelijke, die het menselijk lichaam kunnen vermoeien, die de mens kunnen prikkelen, die zijn emoties kunnen veranderen, dan is het erkennen van deze krachten voldoende voor de mens om zijn beroep op de goddelijke kracht gelijktijdig te maken tot een uitschakelen van elke niet gewenste invloed.

De mens, die de gaven die in hem berusten volledig kan gebruiken, is meester over de kosmische invloeden voor zover het hemzelf betreft. Want hij zal kun beroering erkennen door zijn innerlijke wijsheid, maar hij, zal door zijn innerlijke kracht hun werking op zijn wezen mede, kunnen bepalen of teniet kunnen doen.

Dit kan voor menigeen erg belangrijk zijn. Want hoeveel mensen worden er niet voortdurend, gestimuleerd door invloeden van buitenaf? Als u zich uw innerlijke kracht realiseert, dan zult u ook zeggen dat het niet zin­ rijk is u te laten leven, te laten drijven door anderen. Dan zult u besluiten dat het tijd wordt om zelf te bepalen wat u bent en waarheen u gaat, hoe u zich zult voelen en hoe u zult erkennen dat u wilt werken. Uit de totaliteit, omdat u het licht in u wilt laten werken. Doe dan een beroep op de kracht. En deze kracht compenseert alles wat u zoudt kunnen aan­tasten. Deze kracht herstelt elk evenwicht dat van buitenaf misschien verstoord lijkt,

Innerlijke gaven, mijne vrienden, zijn niet alleen maar kleine eigenschappen. Innerlijke gaven zijn de uitingen van uw essentieel wezen, van uw totaal ego. Ze behoren niet alleen tot één bepaalde wereld. Ze behoren tot alle werelden waarin u ooit zult bestaan, tot alle vormen waarin u zich ooit zoudt kunnen manifesteren. Want uw wezen zelf bevat de grote krachten van wijsheid, van licht en van kracht. Met deze drie alleen reeds kunt u alles tot stand brengen. Elke paranormale begaafdheid waarnaar zo vaak wordt gehunkerd wordt nutteloos en zinloos, in­ dien u die innerlijke kracht, die innerlijke gave leert kennen en leert gebruiken.

Telekinese is misschien het met veel kracht bepalen hoe een dob­belsteen valt. Maar als u zich bewust bent van de innerlijke kracht, dan valt die dobbelsteen niet dank zij uw manipulatie. Dan stélt u eenvoudig uw relatie tussen uzelf en de dobbelsteen en die zal altijd beantwoorden aan wat voor u juist en noodzakelijk is. En als een dobbel­steen te nietig is, noem dan desnoods een torenflat, want ook die is hieraan gelijkelijk onderworpen.

Waar de innerlijke gave is ontwikkeld, blijft de massa fictief. Massa is alleen maar de representant van energie. Het is een vorm waar­ in de energie optreedt. Indien in mij de kracht is, dan zal ik een ener­gie kunnen gebruiken groter dan welke kracht ook die in materie is vast­gelegd en zal materie beantwoorden aan datgene wat ik noodzakelijk acht. Als ik een steen tot brood wil maken, zo kan ik dit doen. De vraag is, of het nuttig is. Maar ik kan dat doen. Als ik een dode boom opnieuw wil laten bloeien en vrucht dragen, dan behoef ik slechts mijn kracht en mijn wezen uit te stuwen en het zal gebeuren. De bewuste is niets onmo­gelijk.

Ik heb u de drie grote innerlijke gaven voorgelegd. Vanuit deze kunnen alle andere mogelijkheden voor de mens worden herleid. Ik geloof echter, dat het goed zou zijn om in deze inleiding enigszins in te gaan op de wijze waarop die gaven in u erkend kunnen worden en de wijze waarop ze kunnen worden ontwikkeld. Ik kan u hier niet de volledige en ingewikkelde systemen geven. Ik geef u slechts beperkte aanduidingen.

Wijsheid.

In u komen voortdurend gedachten en impulsen op die niet redelijk verklaarbaar zijn. Aanvaard deze als toetssteen voor uw redelijke gedachten. U zult u steeds meer bewust worden van uw innerlijk vermogen om dingen aan te voelen. Eerst als u dit hebt bereikt, kant u proberen u geheel één te gevoelen met een wezen, een voorwerp, een kracht. Deze pogingen zullen vaak niet onmiddellijk slagen. In u ontstaan er dan vreemde denkbeelden, emoties en gevoelens die niet zuiver menselijk meer zijn. Probeer deze dan later in zoverre te begrijpen dat u zégt; Dit moet in het andere bestaan. Reageer daarop en u zult zien dat het andere antwoord geeft. Op deze wijze komt u steeds dichter bij het vermogen een te zijn met het andere. Want eerst als u de werkelijkheid van de schijnbaar onredelijke impulsen en denkbeelden kunt aanvaarden, bent u in staat het andere te aanvaarden. De mens, die dergelijke dingen doet, behoort echter ook zichzelf te kennen. Wie de kosmische wijsheid of kosmische kennis wil ontwikkelen. de eenheid met alle dingen vanuit zich wil beleven, zal moeten uitgaan van een beeld omtrent zichzelf. Dit beeld zal niet altijd geheel juist zijn, maar indien er een ernstige poging wordt gedaan om het "ik" zo ver kenbaar te zien en te begrijpen, dan zal blijken dat juist hierdoor een verscherping van impulsen van buitenaf mogelijk wordt en dat dus sneller en juister deze innerlijke of kosmische wijsheid kan worden ontplooid en daarmede uw vermogen in uw eigen wereld en in andere werelden zuiverder kan worden gemanifesteerd.

Het Licht.

Licht is kenvermogen, maar het is meer. Licht is al datgene wat men normaal niet ziet. Een mens zal heel vaak proberen datgene wat hij ontmoet, als het hem vaag beroert, te fixeren zodat hij het kan overbrengen in de richting van stoffelijk zintuiglijke waarneming of stoffelijke beleving. Onthoud dat dit niet kan. Al datgene wat rond u is en wat misschien incidenteel wordt onthuld, kan niet worden gefixeerd met stoffelijke zintuigen. Het kan echter veel sterker en beter worden ontvangen en beseft door u open te stellen,‑ d.w.z. door uw eigen impulsen en waarnemingen tijdelijk naar de achtergrond te dringen, zodat deze ene ervaring sterker in u doorwerkt. In het begin zal dit vooral met factoren van buitenaf verband houden. Maar op den duur zult u zien dat dit licht uw relaties tussen u en de wereld kenbaar maakt. Het maakt u duidelijk in welke krachtsverhoudingen u leeft. Het maakt u duidelijk op welke wijze u voortdurend actief bent en wat dit betekent. Uit deze responsen kunt u dan als vanzelf een beheersing gaan opbouwen.

Kracht, Macht,

Beide zijn in dit geval bijna identiek. De kracht die in u bestaat kunt u alleen ontwikkelen door haar te gebruiken. Een mens, die nooit probeert iets met de kracht van zijn gedachten te bereiken, zal nooit tot de ontdekking komen hoe groot zijn vermogens zijn. Een mens, die probeert met gedachtekracht te werken, zal ook ontdek­ken hoe beperkt hij is, omdat hij uitgaat van de stoffelijke voorstelling.

Er zal dan als vanzelf grijpen naar de essentie. Hij zal gaan werken met zichzelf en de wereld samen en hij zal zien hoe daarin de harmonieën ontstaan en hoe deze harmonieën vanuit hemzelf veranderbaar zijn. Hier is het normale procédé voor de leerling; oefen uzelf door steeds te proberen dat wat u beseft aan te passen aan wat voor u het meest juiste, het meest harmonische is. Op den duur zal de mens op deze wijze beseffen wat hij is ‑ lichamelijk en geestelijk ‑ maar hij zal ook beter weten hoe hij dat moet aanpassen aan de omstandigheden die er rond hem bestaan. Een mate van meesterschap wordt dan bereikt. Dit meesterschap betekent ‑ en dat zal men nooit over het hoofd mogen zien, ‑ een steeds grotere harmonie met het erkende geheel, want alleen uit die harmonie kan immers voortdurend de vernieuwing van de goddelijke kracht komen. Alleen uit die harmonie kan het steeds zuiverder er­kennen van de relatie in het licht ontstaan. Uit dit één zijn met het geheel komt alle begrip en zelfs alle kennis voort die men van node heeft.

Een mens is een wezen, dat te zeer met uiterlijkheden bezig is om het geheel van zijn innerlijke vermogens te begrijpen. Daarvoor is hij nu eenmaal mens. Maar als je ‑ ook als mens ‑ voelt dat de beperkingen van je leven niet geheel aanvaardbaar zijn, dan moet je niet grijpen naar de een of andere specifieke begaafdheid. Dan moet je zoeken naar de innerlijke gaven, die je één maken met de kosmos en die je daarin de kans geven, ja, zelfs het recht geven om jezelf te openbaren volgens je beste erkenning en in de gehele wereld een respons te vinden op datgene wat in jezelf bestaat.

 

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

 

 

 http://www.scribd.com/people/view/31429-rober