29-06-16

SFEREN .

Sferen.

sfeer, entiteit, wereld,

Gebruikt en bedoeld als in de zin: de geest leeft in vele sferen.

Onder sfeer verstaan wij in dit verband een bepaald levens bereik,

dat als een wereld wordt beleefd door de entiteiten,

die er gezamenlijk door hun besef deel van uitmaken.

 

Een sfeer is niet feitelijk of ruimtelijk beperkt,

maar wordt slechts beperkt door het besef van haar bewoners.

Hogere sfeer betekent dus in feite een uitgebreider besef van degenen,

die in een dergelijke sfeer bestaan,

terwijl lagere sferen allen besloten liggen in de hogere sfeer

en er een vaak onbelangrijk, deel van uitmaken.

Het betreden van een hogere sfeer betekent dus voor het ik

een uitbreiding van het bestaan,

maar niet een feite­lijke verandering

van het bestaande voor het ik.

Alleen de eigen mogelijkheden en erkenningen

zijn dus anders geworden.

21:04 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sfeer, entiteit, wereld, geest |  Facebook |

07-11-15

Het heilige moeten.

Het heilige moeten.

Het heilige moeten,kosmisch uurwerk, noodlot, dromen, entiteit, keuzevrijheid,

Waarom is het moeten zo heilig? Vermoedelijk omdat het heilig is verklaard door anderen, die dit moeten voor een ieder behalve voor zichzelf de enig aanvaardbare weg achten.

Je moet. Maar waarom? Moeten kan volgens mij alleen worden geboren uit onvermijdelijke omstandigheden, dan wel uit een innerlijke erkenning van voor het “ik” belangrijke waarden waarbij uiterlijke omstandigheden op de tweede plaats komen.

Het heilige moeten is een term, die druipt van schijnheiligheid. Maar indien wij het feit, dat wij moeten, goed begrijpen, dan zullen wij constateren dat het voor ons een voortdurende keuze is. Er bestaat geen werkelijk moeten, onontkoombaar, onherroepelijk. Er bestaat slechts een keuze tussen een voor ons nog net aanvaardbare en een misschien onaanvaardbare situatie. En als wij dan kiezen voor het aanvaardbare, zeggen wij dat wij moeten, maar dat is niet waar. Wij zijn niet gedwongen en zo geketend als we plegen te veronderstellen. De ketenen, die dit heilige moeten tot stand brengen, zijn ketenen die wij zelf smeden. Onze gevoelens van afhankelijkheid, onvermogen misschien, onze behoefte aan bepaalde bindingen, bepaalde toestanden, veroorzaken het heilige moeten. En als wij onszelf veranderen, is er geen moeten meer.

Men heeft eens gemeend dat de kosmos vervuld zou zijn van wetten waarmee God ons voortjaagt als een slavendrijver zijn slaven, ze geselend, soms vleiend en belonend, opdat wij maar verder zullen gaan op een door Hem getekende weg. En dat terwijl God de oneindigheid heeft geschapen en omgeven door kosmische wetten die gelijktijdig al het voorstelbare en mogelijke in zich bevatten, een terrein waarbinnen wij ons vrijelijk kunnen bewegen.

Is er een heilig moeten? Er is alleen een moeten, indien je zelf een keuze doet. Er bestaat geen moment in het menselijk bestaan waarin de keuzemogelijkheid ontbreekt. Laten wij dat goed begrijpen.

Wij zijn echter zeer geneigd om datgene wat ons wordt opgedrongen, door de wereld of door de omstandigheden, te beschouwen als een verontschuldiging voor onszelf. Dat is dwaasheid, want we moeten niet werkelijk. Als we niet willen leven, kunnen we altijd nog sterven. Als wij niet willen leven op een bepaalde manier, moeten wij de consequenties daarvan durven aanvaarden en op een andere manier leven om te zien, of dit dan beter past bij hetgeen wij juist achten. Wij hebben altijd een keuze. Dat die niet altijd de juiste zal zijn, neemt niet weg dat de mogelijkheid er is.

Zeker, we kunnen onze dromen niet onmiddellijk waarmaken. Maar als we willen, kunnen wij zozeer voortgaan in de richting van die dromen dat er een ogenblik komt waarop zij voor ons onherroepelijk waar zijn. Wij zijn geen slaven van een noodlot, gebonden aan het een of ander kosmisch uurwerk dat ons voortsleept door werelden, sferen en belevingen. Wij zijn entiteiten, die vrij zijn om steeds onze eigen richting te bepalen. En zou die richting­bepaling dan gelimiteerd zijn door het standpunt waarop wij ons op dit moment bevinden, zo betekent dit nog niet dat we geen keuzevrijheid en geen keuze­mogelijkheid hebben. Er is geen werkelijk moeten, behalve dit ene. Wij moeten leven, want wie ophoudt te leven in de ene wereld, hervindt het besef van zichzelf in een andere. Er is geen ogenblik dat dat stilstaat. Maar al het andere dat samenhangt met onze opvattingen omtrent leven, is onze zaak. Wij maken uit wat het leven betekent door de keuze die wij doen uit de mo­gelijkheden die het leven ons geeft.

Wie het heilige moeten uit zijn leven wil verdrijven, moet leren zijn mogelijkheden onder ogen te zien en het zichzelf toe te geven, als hij bepaalde mogelijkheden om zekere redenen verwerpt.

17-09-15

Wie ben ik? deel 2.

 

Wie ben ik? deel 2.

 

Het ‘wie ben ik’ is nooit te beantwoorden door alleen jezelf te bestuderen. Je kunt jezelf alleen herkennen door de waarderin­gen, de relaties die in de wereld rond je bestaan en die voor jou op dit moment reëel en besefbaar zijn.

Ik zal als entiteit altijd mede worden bepaald in elke manifestatie en ook incarnatie door de voor mij bestaande harmonieën. Zoekend naar datgene waarmee ik mij in de wereld harmonisch gevoel, zal ik kunnen beseffen wat mij drijft. Hierdoor kom ik nader tot de bepaling van mijn eigen kwaliteiten en ‑ als ik eerlijk ben – tot een juister begrip van datgene wat zich achter mijn uiterlijke per­soonlijkheid verbergt.

Al wat de wereld bevat is op dit ogenblik voor mij als mens bepalend. Ik kan niet rekening houden met geestelijke waarden, stro­mingen, tendensen of abstracties. Ik heb te maken met de feiten. Om te weten hoe ik reageer op de feiten moet ik nagaan hoe ik zelf de feiten verwerk en welke feiten ik zelf creëer. Daaruit kan ik wederom een aantal conclusies trekken t.a.v. mijn persoonlijkheid en mijn inhoud.

 

21-06-14

EEN PAD VAN DENKEN.

Een pad van denken.

Dit pad van denken wordt opgebouwd uit het redelijk betoog, de z.g. logische beschouwing. Dit pad is beperkt tot stoffelijke voorstellingen en stoffelijke mogelijkheden.

Daarnaast bestaat het pad van geloof, dat eveneens een innerlijk pad kan zijn. Op dit pad kan ook het stoffelijk niet-redelijke aanvaard worden mits het nog in materiële vormen en normen kan worden uitgedrukt.

Het derde pad is het pad van de gevoelswereld. Wie in de gevoelswereld opgaat moet daarbij – zeker wanneer dit gaat om innerlijke en esoterische ervaringen – het logisch en redelijk denken terzijde stellen. Hij moet ook zijn geloof zo ver mogelijk terzijde laten. Een ondergaan van de kosmos en de daarin optredende invloeden is daar, waar het gevoel wordt gebruikt om op het innerlijk pad verder te komen, de meest belangrijke factor.

Elke poging om jezelf a.h.w. innerlijk te leren kennen gaat voor de mens echter gepaard met de behoefte om zijn buitenwereld te begrijpen en al wat daarin voorkomt a.h.w. in zich op te nemen. Vandaar dat een groot gedeelte van de esoterie dus inderdaad vergt een in je opnemen ván, en een werken mét invloeden, die van buitenaf komen. Het zijn vooral deze uiter­lijke aspecten, die door bespreking naar voren kunnen worden gebracht en waarbij ongetwijfeld definities en pogingen tot filosofie een belangrijke rol zullen spelen. Maar iemand, die een innerlijk pad wil gaan, allereerst een einddoel nodig heeft, mogen wij stellen dat dit het belangrijkste punt is. Wie immers zijn bestemming weet, kan ook nagaan hoe hij moet streven. In vele gevallen pleegt men dit God te noemen. Men zegt: "Wij dragen in ons een goddelijke vonk; deze is het doel van ons streven." Geheel juist kunnen wij dit echter niet noemen, omdat deze goddelijke vonk altijd aanwezig is, ongeacht het bewustzijn dat men daarvan in zich draagt. Men zou ook kunnen zeggen: "Wij willen eeuwig zijn." Ook dit echter is de mens altijd. Want een deel van zijn bewustzijn, vaak als geest omschreven, heeft een praktisch onbeperkte levensduur en wordt op den duur geabsorbeerd in het werkelijk wezen, dat wij ziel plegen te noemen. Daarom zou ik allereerst dit doel op mijn wijze willen voorstellen in de hoop dat u allen het daarmede eens bent, althans mijn gedachtegang zult willen volgen.

Er is een voortdurende wisseling van licht en van duister. De bron waaruit deze beide voortkomen is voor ons niet kenbaar. Wij kunnen deze bron God of Oerkracht of Alkracht noemen, maar zij is niet te benaderen. Zij ligt buiten de wereld der verschijnselen en kan zelfs slechts in beperkte mate worden aangevoeld, omdat de gevoelswereld zich ook baseert op de verschijnselen. Zo is het verstandiger ons allereerst te baseren op deze kwestie van licht en duister. Zolang wij hetzij sterk naar het lichte hellen, hetzij sterk naar het duister gaan, zullen wij onevenwichtig zijn. Want naarmate je sterker in het duister staat, zal de invloed van het licht groter worden. Naarmate je je meer in het licht bevindt, benauwt het duister je meer. Ons eerste doel moet zijn: evenwichtigheid. Deze evenwichtigheid vinden wij door licht en duister elkaar a.h.w. te laten opheffen. Er moet een innerlijke toestand te bereiken zijn voor elke mens en zeker voor de esotericus, waarin geen daad en belevensbehoefte meer bestaat, terwijl anderzijds een bewustzijn aanwezig blijft.

Deze toestand is door oudere denkers zonder meer beschreven als het Nirwana, de toestand waarin men bestaat maar niet zelve daadwerkelijk deel heeft aan het leven. Het is een beschouwelijk ervaren van het totaal van de schepping. De mens die dit einddoel bereikt – want dit is een einddoel – zal hierin eerst de vernieuwing kunnen vinden, waaruit verdere bereikingen mogelijk zijn. Esoterisch gezien mag dan ook worden gesteld, dat het inner­lijk pad kan worden ingedeeld in een aantal bestemmingen (of moeten wij zeggen tussenstations?), die elk voor zich wel een bereiking zijn, maar ons gezamenlijk voeren tot de toestand van absolute evenwichtigheid. In deze absolute evenwichtigheid onttrekt men zich aan het beperkt en per­soonlijk bestaan, terwijl men zijn eigen wezen nu als factor van het geheel erkent. Wat daaruit verder voortvloeit behoeft ons thans niet te bekomme­ren, omdat dit voor alles wat menselijk is en elke geest, die de menselijke weg gaat, het kenbaar einde is. Wat daarachter ligt is de onbekende wereld, een "niet", althans vanuit ons standpunt.

Deze tussenfasen kunnen - naar ik meen - het best als volgt worden om­schreven: Allereerst streven wij naar een zekere vrede en een zekere harmonie. Wij moeten een zekere evenwichtigheid in onszelven vinden. Naar buiten toe zal zich deze openbaren door een zekere mate van naastenliefde, bewuste dienstbaarheid, een gemakkelijke aanpassing aan de omgeving, een prettig verkeer met mensen. Maar innerlijk openbaart ze zich anders. Zij maakt ons ervan bewust, dat elke handeling en daad deel is van een patroon en wij kunnen daarmede vrede hebben omdat wij aannemen dat dit patroon zinrijk is.

Ik mag hier misschien een vergelijking maken: Het is niet prettig om naar een tandarts te gaan of – indien ge wilt – een operatie te ondergaan. Indien wij echter weten dat door het ingrijpen van de tandarts b.v. ons pijnen bespaard blijven, onze spijsvertering verbetert of iets dergelijks, wanneer wij weten dat de operatie ons leven verlengt of het ons mogelijk maakt om met meer vrijheid en vuur te leven dan tot dan toe, dan willen wij deze pijn omwille van het doel aanvaarden. Wordt echter hetzelfde volvoerd zonder dat het zin heeft, dan kunnen wij er geen vrede mee hebben. Wanneer men ons zinloos bv. tanden zou gaan trekken, dan zouden wij dat als een zeer wrede kwelling ervaren. Zou men ons zinloos opereren, dan zouden wij dit eveneens als een verschrikking zien.

Vrede en tevredenheid zijn niet in de eerste plaats afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, maar zover het de innerlijke mens betreft vooral van de doelmatigheid van hetgeen men ondergaat. Zelfs het mooiste en het beste volgens menselijke voorstellingen kan absoluut zinloos en ledig worden, indien wij daarin geen bepaald doel zien, geen bepaalde bestemming. Vinden wij deze bestemming, dan kan hetgeen op aarde het meest monstrueuze, het meest ondragelijke lijden schijnt te vertegenwoordigen, voor ons aanvaardbaar worden. Daarom is het allereerst noodzakelijk dat wij dus leren tevreden te zijn, daarbij naastenliefde en rechtvaardigheid t.o.v. de omgeving te be­oefenen, maar gelijktijdig in ons de zin te beseffen van alle gebeurtenissen rond ons.

Hierbij gaat het nog alleen om het eigen ik. De eerste fase van de esoterie houdt zich niet bezig met de wereld of de kosmos. Zij beperkt zich tot het eigen leven en ervaren. Dit geldt in de stof zowel als in de geest. Heeft men eenmaal dit punt bereikt, heeft men in zich een zekere rust ge­vonden, ziet men de zinrijkheid van het leven in, dan volgt de tweede fase.

Dit is een fase van streven, die o.m. gekentekend wordt door de be­hoefte deel te hebben aan levens buiten uzelf. Dit is geestelijk en wordt bv. in de klassen der yoga over het algemeen gesymboliseerd door meditaties over lijden, over vreugde, kortom al deze menselijke begrippen, die de inner­lijke mens mede beroeren. Men tracht a.h.w. het lijden der wereld in zich op te nemen en te dragen; men tracht echter gelijktijdig deel te hebben aan alle vreugden der wereld. Het ik wordt tot één soort clearinghouse. Men neemt de krachten op van de vreugden buiten het ik, van de sterke en goede emoties; maar men zendt deze gelijktijdig uit en heft daardoor lijden op; en daar waar zwakte is tracht men sterkte te geven. Deze balans zullen wij later nog nauwkeuriger moeten omschrijven en bespreken, wanneer wij op de esoterische alchemie terechtkomen. Voorlopig zij het genoeg deze fase ge­noemd te hebben.

Wat hieruit ontstaat is het Messiaans principe of het Boeddha-principe. In dit principe wordt het ik tot centrum van de wereld en kan (voor eigen bewustzijn althans) werken als vertegenwoordiger van die wereld in die wereld. Heeft men deze fase doorlopen, dan blijkt echter dat eigen begrips­vermogen, aanvaardingsvermogen, eigenlijk tot nu toe wat eenzijdige beschou­wingen tekort schieten. Men moet zich verrijken. Deze verrijking geschiedt door het verwerven van kennis. Deze kennis kan uiterlijk zijn, zij kan ook op het gebied van het innerlijk liggen.

De verwerving van kennis op zichzelf is niet belangrijk; wel echter dat zij ons in staat stelt een steeds juister begrip te krijgen van de be­hoeften van de wereld rond ons. De verwerking daarvan en dus een steeds meer weten en meer bewust zijn van al wat deze wereld in zich draagt, brengt ons tot een realisatie, n.l. de juiste plaatsing van het ik temidden van het Al. Wij beseffen onze eigen tekortkomingen, onze eigen deugden, maar zijn tevens in staat de tekortkomingen en deugden van alle anderen bewust te zien en innerlijk te verwerken. In deze tijd wordt over het algemeen in het ik een wereldbeeld geschapen, waarin een godsfactor of een persoonlijke God een belangrijke rol speelt. Geloofsbeleving is in deze tijd zeer belang­rijk. De principes van b.v. christelijke naastenliefde, die in het begin zo groots en zo interessant leken, verflauwen iets en daarvoor komt in de plaats een bewust werken.

Uit het bewuste werken openbaart zich de laatste fase voor het eind­doel, n.l. het trachten vanuit zichzelve de eenheid met de wereld uit te drukken door de innerlijke wereld en de uiterlijke wereld, beide gelijkelijk erkend, in waarheid te scheppen in het ik. Er mag geen verschil meer zijn tussen de werking van de krachten buiten ons en de werking van de krachten in ons. Het is of men zich uitbreidt tot men de gehele bekende kosmos om­vat. In deze periode ontstaat er een aanmerkelijke vermeerdering van kennis, die zonder studie plaatsvindt. Door de gevoelens van harmonie en eenheid n.l. voelt men steeds sterker het weten van anderen aan. De problemen en de kennis van die anderen, ongeacht hun geaardheid of gradatie in de reeks van de schepselen, is een verrijking van het ik. Eerst hierdoor kan het af­geronde geheel, waar in een begeerteloos en daadloos bestaan het volledig kennen mogelijk is, verworven worden.

Deze korte schets kan u m.i. doen zien, waarheen wij in deze bijeen­komsten willen streven. De innerlijke weg wordt gegaan naar eigen inzicht, volgens eigen persoonlijkheid en eigen capaciteiten. Zij is – ofschoon ge­richt op de geest – een voortdurende wisselwerking tussen geest en stof, tussen de geest en al wat daarbuiten ligt. Wij moeten – uitgaande van het standpunt, dat esoterische kennis niet altijd gelijk is aan esoterisch begrip – ook deze maal bij het begin beginnen. En daarom wil ik nu overgaan tot een ontleding van de fasen, waarin de doorsneemens zich op het ogenblik bevindt.

Leven is voor de doorsneemens een dualiteit, een voortdurende inner­lijke strijdigheid tussen twee persoonlijkheden of twee krachten. Hij noemt deze krachten geest en stof en beschouwt ze als vijanden van elkaar. De spanningen, die hij zo opwekt, worden omgezet in gedachten. Deze gedachten worden tot een lens, die een vervormd beeld van de wereld geeft. Een ieder, die begint met de esoterie, moet er van overtuigd zijn dat de voorstelling, die hij zich maakt zowel van de wereld en de situaties daarin als van het wezen der dingen, verkeerd is. Zij is sterk eenzijdig en wordt sterk beïn­vloed door het eigen denken. Men mag hier echter geen genoegen mee nemen. Het is onmogelijk te stellen, dat men alleen vanuit eigen standpunt ziende esoterisch verder kan komen. Daarom zijn de eerste oefeningen, die men aan een esotericus voorlegt, eigenlijk problemen. Men moet problemen trachten op te lossen en deze problemen dan gelijktijdig filosofisch en realistisch beschouwen. Men tracht de realistische en filosofische beschouwing zover mogelijk in overeenstemming te brengen met elkaar. Men experimenteert dan o.m. met handelingen om de zo gevonden eenheid aan zichzelve te bewijzen. Hierbij wordt de getuigenis van de zintuigen vaak minder belangrijk. Het blijkt dat de geest op haar eigen wijze waarneemt en beleeft en deze waar­nemingen en belevingen kan projecteren. De eenzijdigheid van een normaal mens gaat dus enigszins teniet.

Voorbeeld van de problemen, die men zich ter oplossing kan stellen: Vraag: Wat is vrede? Stoffelijk gezien: Vrede is een niet verstoren van de bestaande orde, zodat er geen feitelijke verandering plaatsvindt. Geestelijk gezien: Vrede is een gevoel van eenheid. Een gevoel van eenheid echter dat bereikt moet worden met een wereld, die voor mij voortdurend verandert. M.a.w. is vrede in werelds of stoffelijk opzicht meestal rust, zo is innerlijke vrede een voortdurende activiteit, een voortdurende be­weging.

Hoe kan ik deze beide met elkaar in overeenstemming brengen? Alleen wan­neer ik mijn maatstaf voor vrede verander. Ik moet vrede niet meer zien als een toestand van rust, maar eerder als een strijd. Een strijd, waarin offers kunnen worden gevraagd. Een strijd dus, die door haar voortdurend bereiken mij een vrede geeft. Eerst wanneer ik mijn begrip van vrede kan losmaken van al wat nu bestaat op de wereld en het kan koppelen aan het begrip van een voortdurende ontwikkeling en vooruitgang, zal ik tot een zekere eenheid tussen geestelijk en stoffelijk begrip van vrede kunnen komen. Om in de materie echter zover te komen, moet ik mij losmaken van zeer veel wat, tot de conventie behoort, wat gangbaar is. Ik moet begrippen loslaten als b.v. goed en kwaad volgens een vaste maatstaf. Ik moet begrippen los­laten als "dit is goed en door God gewild en dat is demonisch."

Het verwerven, van een dergelijke onafhankelijkheid kost veel moeite. Indien u echter deze moed niet hebt en die moeite u niet neemt, komt u esoterisch niet verder. Eerst wanneer het stoffelijk punt is aangepast voor zover als dit voor u redelijk mogelijk is aan hetgeen u filosofisch hebt geconstateerd, kunt u trachten de filosofie aan te passen aan uw nu ontstane beleving. En dan blijkt dat niet elke progressie vrede brengt, dat dus niet elke voor­uitgang als een vrede kan worden gezien. Er zijn andere factoren in het geding. En ik kom dan tot een nieuwe filosofische omschrijving van vrede, die zegt: Vrede is een zo perfect mogelijke samenwerking met een zo groot mogelijk begrip voor elke schijnbare remming of tegenwerking, zodat het ge­zamenlijk streven met een vol begrip voor alle strevenden beleefd kan worden. Nu heb ik dus een aanpassing gevonden, want elke tegenwerking kan ik nu zien als deel van de vrede enerzijds, maar als iets wat anderzijds toch bedwongen moet worden. Er ontstaat dus een eenheid van denken en handelingsmogelijkheid.

Dit punt bereikt hebbende – iets wat voor sommigen in enkele dagen te bereiken is, maar anderen een heel leven kost – komt de volgende vraag: Wat is leven?

Leven is denken, bestaan en doen, zal de mens zeggen. Maar is dit waar? Geestelijk gezien is bewustzijn, dat volkomen daadloos is, ook leven. Filosofisch gezien kunnen wij alles leven noemen, dat in een vaste samenhang staat met een ontwikkeling, zelfs indien het die der totale schepping of kosmos is. Ik moet eerst trachten om mijn concept van werkelijk leven filo­sofisch te ontwikkelen. Daarbij moet ik uitgaan van deze vreemde onbekende kracht, die de mens God noemt, het eindpunt, dat ik u zo-even omschreven heb. Dit eindpunt zal ik dus in den vervolge eenvoudigheidshalve God of Alkracht noemen. Ik hoop dat u daarmede rekening wilt houden.

Alles, wat in de Alkracht vertegenwoordigd is en in mij weerkaatst wordt, is leven. Alles, wat uit de Alkracht bestaat en niet in mij weerkaatst wordt, is dood. Dood is niet een zelfstandige factor, maar een afwezigheid van leven, een afwezigheid van contact met het Oneindige. De Alkracht mag ik dus zien als bron van leven, maar tevens als het leven zelve. Om zo sterk mogelijk één te zijn met deze bron, zal ik mij moeten richten op het totaal der schepping. Dat is filosofisch geheel verantwoord. Maar meer stoffelijk gedacht kan dit niet. Want leven betekent ook een reeks van ver­plichtingen, een reeks van noodzaken. Wie leeft – zo zegt men – moet eten, hij moet slapen, hij moet aan zijn verplichtingen tegenover anderen tegemoet komen, en hij moet gelijktijdig ook afstand doen van veel dingen, die hij mis­schien voor zichzelf zou wensen, zelfs bepaalde geestelijke mogelijkheden. Het leven in stoffelijke zin is: een je bewust zijn van en werken in vaste verhoudingen, waardoor althans ten dele je streven en handelen beperkt en bepaald worden.

Beperking echter – zoals dat materieel gesteld wordt – is volgens de filo­sofische definitie ten dele dood. Om te kunnen leven moet ik dus de be­perkingen zoveel mogelijk weten op te heffen en mij een zo groot mogelijke materiële vrijheid weten te verschaffen. Deze vrijheid behoef ik niet in een verzet tegen het bestaande uit te drukken, maar ik moet mij er onafhankelijk van weten. Eerst de mens die bewust en alleen door eigen wil een verplich­ting aanvaardt, een mens, die in staat is bij zijn planning uit te gaan van een standpunt, dat de bereiking over vele eeuwen in ogenschouw neemt zowel als van een ogenblikkelijk op dit moment handelen, zal op den duur dit gees­telijk standpunt kunnen bereiken. Intensifiëring van het leven is daarom in de esoterie een tweede stap.

Bij deze tweede stap gelden enkele algemene regels, die ik hier weer­geef.

In de eerste plaats: Vermijd al wat kwaad heet. Maar zo het kwaad u in de gedachten voortdurend belaagt, is het beter te handelen dan aan de ge­dachten gebonden te zijn.

In de tweede plaats: Elke handeling moet worden volbracht volgens de waarde van het ogenblik, niet volgens een waarde van het verleden of van de toekomst. Ik mag met mijn gedachten dan ook niet later teruggrijpen op een handeling met nieuwe maatstaven of deze vergelijken bij het verleden en mij zo beter of slechter dan dit verleden achten. Door te handelen op het ogenblik volgens het beste inzicht en het zelfgestelde doel – ongeacht de consequenties - bevorder ik wederom de grote en intense eenheid met het werkelijk begrip van leven, het besef van de kosmos, het voortdurend in u ontvangen van nieuwe waarden.

In deze eerste fase komen echter nog enkele andere punten naar voren. Wij moeten filosoferen, wij moeten nadenken, wij moeten mediteren. Maar hoe kan ik mediteren, hoe kan ik nadenken, wanneer ik beperkt word door de wereld rond mij? Mijn gedachten zijn niet vrij. Ik zou moeten denken zonder gevoel, zonder begeerte en zonder angst. Ik kan dit niet. Zeker niet wanneer ik mens ben. In vele geestelijke sferen is deze mogelijkheid zelfs nog beperkt. Daaruit vloeit voort, dat ik mijn vrijheid, a.h.w. mijn behoefte tot intens leven, mijn behoefte tot zuiver denken en zuiver mediteren, moet baseren op datgene, wat met mijn eigen wezen harmonisch is.

De regel is dan: Het heeft geen zin te mediteren over datgene wat men niet aanvaarden kan, datgene wat men verwerpt of datgene wat men duister of demonisch acht. Elke meditatie moet uitgaan van datgene, wat voor het eigen wezen harmonie betekent. Het versterken van een harmonie met een begrip in meditatieve en contemplatieve vorm zowel als in het normaal en logisch overdenken van waarden, bevordert voor mij de eenheid met een deel van het Al. In dit deel van het Al is de Alkracht eveneens vertegenwoordigd, zodat mijn band met deze Alkracht intenser wordt en ik a.h.w. intenser deze kracht ondergaande intenser leef en meer werkelijk leef.

Uitgaande van de noodzaak om achtereenvolgens een reeks van meditaties op te bouwen, waar men zich niet steeds tot hetzelfde kan beperken, geldt de regel: begin steeds met het eenvoudige. Wanneer ge een willekeurig onderwerp neemt en ge mediteert daarover in het begin, kan dit goed en dienstig zijn, indien u zich beperkt op het ogenblik, dat duistere of meer demonische gedachten, angsten of niet aanvaardbare begeerten ontstaan. Op dit ogenblik moet de meditatie onderbroken worden door een rustpauze, waarna men over een ander, zo mogelijk bijna tegengesteld onderwerp verder mediteert.

Bij elk denken over een bepaald onderwerp ga men eveneens uit van een willekeurig maar zo eenvoudig mogelijk gesteld punt. Men overdenke dit onder dezelfde condities als gesteld voor de meditatie met dit verschil, dat men een logisch en redelijk geheel opbouwt, dat stoffelijk mogelijk zou kunnen zijn. Verder iets, waartegen eigen gevoelswereld zich niet verzet, ondanks het feit dat het reëel is. Heeft men die methode gevolgd, dan worden uit denken en mediteren steeds nieuwe onderwerpen geboren.

Vele mensen maken een grote fout. In het begin van een esoterische scholing gaan zij mediteren, zonder dat er een bepaald doel aan verbonden is, over b.v. het lijden der mensheid, of de Christus, of iets dergelijks. Hoe kan een mens, die nog niet eens weet wat een stofje is, een strand overzien en ontleden en begrijpen? Eenvoud is noodzakelijk. Eerst langzaam kan men groeien naar de grote onderwerpen, waarbij gevoelswaarden en harmo­nie met de wereld zelve een belangrijke rol spelen. Wie voor zichzelf meditatieve onderwerpen zoekt of punten ter over­weging of overdenking wil opstellen, diene verder te beseffen, dat dit alles moet inpassen in zijn normale leven. Men kan geen scheiding maken tussen het stoffelijk leven en het esoterisch leven waarin men mediteert. Beide moeten praktisch zonder overgang in elkander kunnen overvloeien.

In deze eerste periode blijkt verder, dat bepaalde vormen van meditatie zeer goed kunnen worden omgezet in daad en dat sommige daden praktisch gelijk komen aan een vorm van meditatie. Indien men dit voor zichzelf ont­dekt, kan hiermede rekening worden gehouden.

Zoek het nooit te ver. Wanneer ge geen leiding krijgt t.a.v. onderwerpen, probeer dan om zo eenvoudig te blijven als mogelijk is. Eerst wanneer het eigen gevoel plus het begrip een nadenken en een mediteren (dus een redelijk en een innerlijk ondergaan van hetzelfde onderwerp) mogelijk maken, kan men verdergaan. De langzame ontwikkeling zal de mens steeds sterker confronteren met zijn eigen persoonlijkheid. Niet alleen bevordert dit de zelfkennis, maar het maakt tevens duidelijk in welke punten men dus in het bijzonder harmonie moet zoeken met de stof en in welke punten men in het bijzonder harmonie moet zoeken met de geest.

Alle eigen activiteit op geestelijk terrein is voor de esotericus ge­vaarlijk of taboe, tenzij hij wil overgaan naar magische praktijken. Want magische praktijken vragen een aanvaarding van vormen, die op zichzelf een beperking zijn. De ware esotericus zal dan ook in vele gevallen de magie ondergaan als een soort van dood, zij het slechts tijdelijk. Dit moet vermeden worden. De mens, die er bijzonder voor geschikt is, kan ongetwijfeld met geestelijke krachten werken; maar degene, die daarvoor niet geschikt is, dient dit niet zelfstandig te doen en dient zich te beperken tot de inner­lijke werking.

Een punt, dat ik eveneens gaarne u ter overweging stel, is dit: Heeft het zin over het onbegrepene te spreken, te denken en te mediteren? Indien ge een voldoende kennis of ontwikkeling hebt, is het mogelijk b.v. te spreken over God of de verhouding God-mens, zoals gij die ziet. Maar indien ge niet in staat zijt deze dingen duidelijk voor uzelf te definiëren, heeft het geen zin u ermee bezig te houden. In het begin der esoterische ontwikkeling dient de mens te voorkomen dat hij zich te veel vragen stelt, waarop geen antwoord te geven of te vinden is. Beperking van eigen proble­men maar een intens uitwerken van wat blijft is dan ook het meest nuttige.

Menigeen meent, omdat hij veel gelezen of gehoord heeft, op het eso­terisch pad aanmerkelijk gevorderd te zijn. Laat me u nu duidelijk maken dat dit geen maatstaf is, ook wanneer men die stoffelijk vaak meent te moeten hanteren. Innerlijk begrip, besef voor jezelf en de wereld zijn belangrijker dan kennis, zeker in de eerste fase.

Eigen activiteiten. Natuurlijk kan men zijn esoterisch streven onder­steunen o.m. door oefeningen in lichaamsbeheersing, het wekken van bepaalde zenuwkrachten. Maar degene, die zich daarmede bezighoudt, zal zeer snel deze dingen als belangrijk zien. Hij verwisselt het hulpmiddel met het doel. Daarom mogen deze dingen alleen onder zeer bekwame leiding – mits aangevuld met meditatie en gezamenlijke beschouwingen – worden volbracht. Ze alleen en zonder meer te volbrengen is over het algemeen riskant.

De innerlijke weg of het innerlijk pad vergt natuurlijk zeer veel inspan­ning. Omdat er geen bepaald punt is waarop men kan zeggen: "nu hebt ge bereikt" is het voor velen ook een ontmoedigend gaan. Zoals de filosoof zegt: "Hoe meer ik weet, hoe meer ik besef niet te weten." De vergelijking tussen weten en niet-weten kan dodelijk zijn. Zij kan n.l. het totaal van uw streven teniet doen. Neem aan dat ge nimmer iets wéét. Ga uit van het stand­punt: Ik kan alleen voor mijzelve bepaalde dingen nu aannemen, maar weten doe ik niet. Hierdoor beveiligt men zich allereerst tegen een bepaald dogmatisme en daardoor een gedeeltelijke geestelijke dood; in de tweede plaats echter ook tegen grote teleurstellingen.

Tracht nimmer uw eigen peil esoterisch te bepalen. Wanneer het zich rond u manifesteert, zult u – door anderen bewonderd – misschien zelve weten nog niet ver te zijn. En vaak zult ge – door anderen geminacht om uw lage peil – aanvoelen, dat ge zeer ver zijt gekomen. Begrijp wel, dat ofschoon de esoterie niet onmiddellijk een stoffelijk program of een stoffelijk werken is, zij met de materie samenhangt. Een mens b.v., die bepaalde remmen losgooit, zal in de periode dat dit geschiedt en dat bepaalde invloeden dus in hem optreden, geen esoterisch werk kunnen verrichten. Dit geldt b.v. voor iemand die te veel gegeten heeft, iemand die te veel gedronken heeft, iemand die te veel gerookt heeft. Alle middelen, die uw normaal en eigen evenwicht verstoren, zijn een belemmering – vaak tot enige tijd na het ge­beuren – voor een werkelijk esoterisch werkzaam zijn.

Het is noodzakelijk dat men een toestand van lichamelijk ontspannen zijn' bereikt om in zichzelf door te dringen. Dit ontspannen zijn kan nim­mer worden gebaseerd op de omgeving. Isolatie van de omgeving is noodza­kelijk. T.a.v. de omgeving zij ook nog het volgende opgemerkt: Vele invloeden, o.m. geluid en bepaalde gedachten, worden geabsorbeerd door alle dingen in uw omgeving. Wanneer ge in staat zou zijn b.v. een oud kerkstuk vanuit een kerk in een zuivere en nieuwe kamer te brengen, dan zal van daaruit een sfeer stralen, alsof het oude gregoriaans daar nog klinkt, of er voort­durend nog gebeden worden opgezonden. Dit is voor de vroomdenkende of ge­lovige mens een sterke stimulans. Wanneer echter een ruzie is geweest of men hoeft een voorwerp, dat b.v. is blootgesteld aan klanken van verkeer, van jazzmuziek, dan wordt de meditatie daardoor aanmerkelijk belemmerd. Het is een verstorende en onevenwichtige invloed. Het reinigen van de om­geving zou natuurlijk het beste zijn. Maar wie beschikt in deze dagen over een zuiver, natuurlijk verblijf, waarin slechts de beste invloeden meespreken? Jezelf isoleren voor deze invloeden is dan ook in deze meditatieprocessen zeer belangrijk. Ik wil trachten u deze methode kort weer te geven.

In de eerste plaats: Ontspan uzelve. Laat uw denken dwalen. Telkenmale wanneer u in uzelve storing ontdekt en uw gedachten kanten uitgaan, die u niet prettig vindt, moet u trachten ze te vervangen door zo positief mogelijke zijden van hetzelfde waaraan u denkt naar voren te brengen. Bouw rond uzelf een steeds groeiende positiviteit op door alles wat ge maar denken kunt in positieve zin rond u te verzamelen. U verzadigt zo uzelf en de sfeer die rond u is (de aura o.m. en de uitstraling daarbuiten) met een rust en zekerheid, waardoor invloeden uit de omgeving voor een groot gedeelte worden afgeremd of afgestoten. Wanneer ge in deze rust zijt gekomen (het is vaak bijna een sluimertoestand), kan de werkelijke meditatie beginnen.

Tracht nooit krampachtig te zijn. Een mens die bij zijn meditatie tracht te bewust zijn gedachten in een bepaald spoor te houden, zal in 9 van de 10 gevallen zijn eigen afweer vernietigen en staat bloot aan alle beïnvloedingen van buitenaf. Het is beter ook bij deze gedachten rustig het spoor der ge­dachten te volgen; daarbij echter, wanneer het noodzakelijk schijnt, in deze gedachten – ook wanneer geen samenhang aanwezig is – het onderwerp der meditatie (een kort woord bij voorkeur of een klein beeld) neer te leggen. Zo ontstaat een meditatie, waarbij de ongestoordheid, het niet meer vatbaar zijn voor schokken en invloeden van buitenaf, sterk bevorderlijk is voor een intens bereiken.

Wanneer u echter moet nadenken – dus niet mediteren – hebt u te maken met een gespannen actie. Denken moet een logisch en redelijk proces zijn. Daarom, ontspan uzelve daarvoor niet. Neem daarentegen een houding aan, die a.h.w. een zekere activiteit weergeeft. Probeer u te concentreren, maar sluit niet door positief denken u van de wereld af. Laat die wereld tot u doordringen. Laat de invloeden van buiten opgaan in uw eigen denken en leid bewust en met vaste hand steeds weer de gedachtegang in het spoor, dat ge u gesteld hebt en toets voortdurend de redelijkheid van elk beeld, dat u ontwikkelt.

Het deze aanwijzingen hebt u voor de eerste fase – althans naar ik meen – een behoorlijke inhoud gekregen. De procedure zal u duidelijk zijn en ik mag dus – naar ik meen – mijn inleiding onder het hoofd "innerlijk pad, innerlijke weg" hier afsluiten. Ik neem aan dat men het hiermede eens is en ik kan overgaan tot een tweede punt.

In de mens schuilen begeerten. Deze begeerten zijn niet altijd direct als zodanig kenbaar. Ik kan b.v. zeggen, dat ik het goede voor anderen be­geer, terwijl ik in feite iets voor mijzelve nastreef, b.v. macht of bezit. Ik vermom altijd weer, als ik mens ben, mijn eigen bestrevingen in een vorm, die voor mij aanvaardbaar is. Het gevolg is, dat ik voor mijzelve een wereld teken, waarin ik mooier ben dan ik ooit in feite zal kunnen zijn, zeker in geestelijk opzicht. Deze begeerten worden vaak vergeleken met verscheurende dieren. In andere gelijkenissen zoals in de Openbaringen worden zij met be­paalde voorstellingen geassocieerd. Deze strijdigheid noemt men wel zonde of hoofdzonde of zware zonde.

Nu moet u goed begrijpen, dat het begrip zonde in deze zin niet bestaat. Er bestaat geen misdaad tegenover God. Wij kunnen die niet begaan. Er be­staat alleen een misdaad tegenover onszelf, waardoor wij ons van de Godheid verwijderen. (Godheid gebruikt in dezelfde zin als in het eerste deel.) Wij moeten trachten om dus deze fouten uit de weg te ruimen.

De theorie is dat men dus zoveel mogelijk alle zonden a.h.w. moet onderdrukken, alle onevenwichtigheden en aanvallen op eigen integriteit en harmonie moet verdrijven. Dit is niet mogelijk. Waar echter geen van deze fouten beslissend of verscheurend is als een wild dier dat doodt, kunnen wij ons wenden tot de fouten in ons wezen, die voor ons op het ogenblik het gemakkelijkst te overwinnen zijn. Er bestaat een deel van ons, dat harmonisch is en beheerst. Er bestaat een deel dat wij slecht beheersen of geheel niet. Indien wij met het weinige, dat wij aan kracht en beheersing bezitten, begin­nen onze grootste fouten aan te vallen, dan zullen wij altijd het slachtoffer daarvan worden. Deze strijd put uit en laat ons geen mogelijkheid tot verder werkzaam zijn. Vallen wij echter de kleinste fouten aan, dan blijkt dat deze onbelangrijke fout – ofschoon misschien tijdelijk door andere fouten gecom­penseerd – overwonnen kan worden. Hebben wij deze overwinning echter behaald, dan is het gebied waarop wij moeten strijden kleiner geworden. De kracht waarover wij beschikken is in verhouding groter, o.m. door de oefening van beheersing en de poging tot het verkrijgen van zelfkennis. Zo gaan wij steeds de kleinste fouten, die wij kennen, zowel in ons gedachteleven als in ons stoffelijk bestaan indien wij mens zijn, dus te lijf. Eerst daarna grijpen wij verder.

Door achtereenvolgens bepaalde fouten in het ik te herstellen bij een redelijke evenwichtigheid, vergroten wij onze mogelijkheid om evenwichtig in de wereld te leven en uit die wereld weinig vertekende of zelfs geheel ware beelden te ontvangen. Hierdoor vinden wij een weg, die ons door de dualiteit, de gespletenheid van de mens, voert tot een begrip van het ware wezen.

Het ware wezen van de mens zal altijd moeten worden voorgesteld in gedachten. En gedachten zijn nu eenmaal gebonden aan beelden plus woorden. De voorstelling, die u zich maakt, kan nimmer een juiste zijn, maar zij kan een redelijke vervanging van het juiste beeld zijn. U werkt met de stof en met de gedachten. Dus weet u ook op te bouwen een stoffelijk aanvaardbaar beeld van uzelve, waarbij voortdurende correcties dit beeld steeds sterker in overeenstemming brengen met uw voorstelling van het Goddelijke.

Spreek daarbij echter nimmer van de wil Gods. Spreek hoogstens van eenheid met God, of zo ge wilt Alkracht, het Onbekende. Door op deze wijze te handelen zal niet alleen de zelfkennis stijgen en de beheersing van het ik, zowel op geestelijk als op materieel terrein. Neen, wij vinden de moge­lijkheid om in onszelven een steeds juister beeld te construeren.

Het is goed om te zeggen, dat wij de eeuwigheid willen aanschouwen. En het is misschien wonderlijk als ge kunt zeggen, dat ge de Christusgeest in al zijn glorie hebt gezien. Maar deze dingen zijn imaginair. Hoe reëel ze ook zijn, voor u hebben ze geen werkelijkheidszin en geen werkelijke be­tekenis. Ze zijn voorbijgaand. Ze worden niet in uw wezen opgenomen en ge­absorbeerd. Het kleine dat ge doet, het weinige dat ge bereikt van uw eigen wereld en dat ge in waarheid leert zien, is het beste hulpmiddel om uw beeld van de grote kosmos op te bouwen. Een derde punt en tevens het laatste voor hedenavond: Menige mens zegt dat hij sterk is in zijn wil. Indien wij echter nagaan in hoeverre dit op waarheid berust, komen wij tot de conclusie, dat de mens zijn wil over het algemeen alleen uit in het bevestigen van datgene, wat ook zonder hem en zijn wil geschied zou zijn of in een zwak en meestal niet effectief verzet tegen dingen, die toch gebeuren. Het is slechts zelden dat de menselijke wilskracht volledig gebruikt kan worden. De wilskracht bestaat, maar zij kan alleen gebruikt worden vrij van alle condities en omstandigheden, die buiten u zijn. U kunt dus realiseren dat veel van uw willen en uw streven het gevolg is van omstandigheden. Accepteer het als zodanig. Maar wen u aan om ongeacht condities of omstandigheden – al is het maar eenmaal in zeven dagen – gedurende één uur de tijd te besteden geheel volgens uw eigen wil. Maak u dan vrij van elke belemmering en aanvaard ook de consequenties daaraan verbonden.

Hierdoor staalt ge het werkelijk willen. Ge schakelt n.l. condities en beïnvloedingen van buiten in zeer grote mate uit. Doordat ge uw angst voor consequenties, uw overweging van andere mogelijkheden, eveneens terzijde stelt, komt ge tot een bewust stuwen van gedachten en daden in één vaste richting.

Wanneer ge esoterisch streeft zal het heel vaak noodzakelijk zijn uw gedachten zowel als uw daden in een bepaalde richting te stuwen, ongeacht de verhoudingen op de wereld, de wil van de wereld of de gedachten van de wereld. Gij zult in dit willen heel vaak volledig alleen staan en geen steun elders kunnen vinden. Iets wat bij het normale z.g. willen meestal wel het geval is. De wil is n.l. over het algemeen de uiting van een gemeenschappe­lijke angst of begeerte, dan wel van een gemeenschappelijk beredeneerd en goedgekeurd doel. Door de wil te sterken zult ge in staat zijn uzelve te dwingen met uitsluiting van wereldlijke condities en beïnvloedingen uzelf eerder waar te zien. Gij spiegelt u d.m.v. de wil gemakkelijker dan alleen aan de hand van de verschijnselen.

Ontplooiing van de wilskracht geschiedt dus het eenvoudigst door op bepaalde ogenblikken uzelf te dwingen. Ga daarbij nooit zover dat ge aan uw wil een zeer zware belasting oplegt. B.v.: Ik zal deze dag niet eten, niet drinken, niet roken, niet lezen of iets anders. Een dergelijke poging tot onthouding is over het algemeen eerder schadelijk dan goed. En ofschoon de wilskracht gestimuleerd wordt, wordt zij vervangen door een rationali­satie van de ontbering, die vals is en u verder verwijdert van de kennis van het ik en eenheid met het hogere. Zeg voor uzelf echter wel: Ik zal een bepaalde korte tijd dit of dat doen. Leg uzelf b.v. op om gedurende een bepaald uur, ongeacht de conversatie die al of niet zou optreden – stel dit van tevoren vast – geen enkel strijdig woord te uiten, geen enkel ogen­blik ongeacht uw meningen en inzichten u te verweren tegen de inzichten van anderen. Leg uzelf op om één uur, ongeacht wie of wat ge ontmoet, waarheid te spreken zo goed als gij kunt. Door deze oefeningen wordt ge vrijer.

Hebt ge eenmaal een zekere bekwaamheid in het hanteren van de wil verkregen door deze op zichzelf dus onbelangrijke proefnemingen, dan wordt het tijd uzelf een taak op te leggen die buiten uw eigen leven en levensbereik ligt – ook buiten uw normale gedachtegangen, uw verlangens en bestrevingen – en deze taak gedurende enkele uren volledig te vervullen. Wanneer ge u b.v. bijzonder interesseert voor klassieke muziek, is hierbij een zeer goede test: leg uzelf op eenvoudige vermaaksmuziek aan te horen, te ontleden en niet negatief maar positief te bekritiseren. Dat is maar een voorbeeld. Er zijn vele soortgelijke te vinden. Indien ge meent, dat ge vrij moet zijn van elke predicatie, leg uzelve op om een predicatie aan te horen en alle positieve punten daarin uit te werken aan de hand van de bedoeling van de prediker en de werkelijke betekenis, zoals u die aanvoelt. Hierdoor zal de wil niet alleen gestaald worden en ook in het innerlijk leven gemakkelijker bruikbaar zijn, maar het maakt ons tevens mogelijk op den duur in het lichaam werkingen tot stand te brengen, die een aanmerkelijke bevordering zijn van het geestelijk kennen en de weergave van de geestelijke wereld door de geest in de stof te vergroten.

Begrijp wel, dat een esotericus iemand is, die – ongeacht de toestand waarin hij nu leeft – moet trachten alle grenzen tussen alle werelden, waar­aan hij deel heeft of zal kunnen hebben, te doen vervagen en tenslotte te doen vervallen en het geheel van de schepping te beschouwen in plaats van het kleine deel, waarin hij zich nu en op dit ogenblik waakbewust ophoudt.

 

 

 

 

 

 

11:42 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Tags: paden, geest, denken, entiteit, medium, dieptrance, incarnatie, esoterie, magie, karma |  Facebook |

27-08-10

GEBRUIK VAN MEDITATIE.

GEBRUIK VAN MEDITATIE.

Mediteren, Een vorm van. overwegen, waarbij men tracht bepaalde gevoelens in zichzelf te wekken en daardoor over het algemeen althans een zeker gevoel van verbondenheid te wekken met hetgeen men beschouwt. Meditatie is dus in feite een vorm van gericht denken, waarbij emotionele factoren een rol spelen.

Wie aan het occultisme zijn aandacht wijdt, zal zeker niet ontkomen aan de moeilijkheden, die meditatie, contemplatie en dergelijke methoden bieden. De grote vraag is echter: in hoeverre men daarvan een practisch gebruik kan maken en op welke wijze men in staat zou zijn door deze meditatie eigen gevoe­ligheid opeen of meer terreinen te verhogen,

Dan moeten wij allereerst uitgaan van de standaardtechniek, die voor alle meditatie belangrijk is.

Neem een houding aan, waaraan u  gewend bent. Zorg, dat u volledig ontspannen bent. Sluit desnoods de ogen, tenzij u bang bent in te sluimeren. Zorg ervoor, dat niets u kan afleiden. Neem een denkbeeld, waarmee u zich gewoonlijk ook bezighoudt. Dat kan zijn het lijden van de mensheid, de betekenis van naastenliefde, kortom, elk willekeurig onderwerp, maar bij voorkeur wel van meer abstracte aard. Tracht met deze grondgedachte te werken door steeds alle mogelijkheden te beseffen, die voor u daarmee verbonden zijn, maar keer altijd weer tot deze grondformule of grondgedachte terug.

Als u op deze wijze mediteert, breidt u uw besef t.a.v. het gehanteerde begrip uit. Daarnaast krijgt u meestal een gevoel van verbondenheid met of begrip voor datgene, wat met de meditatie in verband staat.

Wil men deze techniek nu gaan richten op het occulte, dan moeten wij ons niet, zoals menigeen zal veronderstellen, richten op de geest. De geest is een deel van het occulte. gebeuren, dat is waar. Maar hij zal zeker niet de directe oorzaak zijn. De oorzaak van het occulte gebeuren ligt altijd mede in onszelf. Wij moeten dus uitgaan van onszelf.

Een groot gevaar hierbij is, dat we een dagdroom kiezen. Menigeen heeft de neiging ‑ vooral indien hij in het leven op bepaalde punten niet geslaagd meent te zijn ‑ om allerhande dagdromen naar voren te brengen, waarin hij zelf centraal staat en waaruit hij zijn eigen grootheid tracht te beleven. Daar hebben wij niets aan, want dit is gebaseerd op de ressentimenten, die men heeft ‑tegen de wereld ‑ en mogelijk tegen zichzelf. Wat we nodig hebben is een denkbeeld, dat tamelijk reëel is; iets wat in verband staat met ons eigen wezen en door ons wordt aanvaard en goedgekeurd. Verder zullen wij moeten uitgaan van een doel.

Meditatie behoeft normalerwijze niet doelgericht te zijn. Zij kan alles omvatten wat maar enigszins denkbaar is. Maar op een gegeven ogenblik wil ik mijn occulte mogelijkheden vergroten, Dan zal ik dus een doel moeten stellen in mijn meditatie. Ik ga dan niet slechts uit van een grondbegrip ‑ gekozen zoals ik beschreven heb ‑ maar ik richt mij uit dit grondbegrip op elke associatie met het occulte.

Als ik denk over naastenliefde, dan moet ik dus nadenken over begrip voor de naaste, harmonie met de naaste, maar ook ontvangst van krachten en gedachten van de naaste, overdracht daarvan aan de naaste. Door. op deze wijze te werk te gaan, wek ik in mij een sfeer (een gevoelswaarde), waarin voor mij het contact met de ander op niet‑menselijk‑normale wijze ineens aanvaardbaar wordt. En daarmee heb ik een van de eerste remmingen overwonnen, aangezien door deze meditatie‑techniek nu de‑ normale verstandelijke afwijzing van of angst voor het z.g. occulte wegvalt. Ik zal dan mijn meditatie niet‑moeten beperken tot alleen het. bereiken van deze gevoelswaarde, maar ik zal moeten trachten mij een voorstelling te maken van contact, van harmonie. Hier is wederom het gevaar, dat men gaat dagdromen; dat men dus egocentrisch denkt. Nu zal de doorsnee‑mens in deze fase egomorf denken en dus aan alles een menselijke, aan hem verwante voorstelling verbinden. Hiertegen bestaat geen bezwaar.

Heeft men het gevoel van verbondenheid of contact, dan mag onder geen voorwaarde worden getracht daaraan een vorm. in woorden of in visualisering te geven. Het gevoel van contact gaat tijdens de meditatie gepaard met een stil‑zijn, waarin alleen het grondbeeld en het doel nog worden overdachten herhaald. Voor de rest is het een afwachten t.a.v. de spanning, die men in zichzelf gevoelt.

Ik moet hier tussenvoegen, dat deze fase vaak betrekkelijk snel kan worden bereikt, maar dat het gevolg vaak lang op zich laat wachten. Men moet hier n.l. over een drempel heen: de drempel van het gevoel, dat er iets kan gebeuren en het besef dat er iets gebeurt. Daarom zullen wij de meditatie, indien er na enige tijd van spanning geen verdere manifestatie of een verder besef of denkbeeld is ontstaan, eenvoudig besluiten om haar te gelegener tijd te herhalen, Blijkt echter, dat zich in ons denkbeelden gaan vormen‑ of dat er in ons gevoelens opstijgen, die wij niet redelijk kunnen verklaren op dat moment, dan zullen wij zonder naar een verklaring hiervoor te zoeken deze ondergaan en trachten ze met het grondbegrip in verband te brengen. Dus elk denkbeeld, dat spontaan in mij ontstaat, moet ergens een verband hebben met de grondgedachte, waarvan ik ben uitgegaan. Hierdoor krijgt de grondgedachte in het associatief denken, dat in de meditatie sterk overheerst, een bijzondere nadruk in de richting van gevoeligheid en eventueel ook bereiking. Omdat u het doel regelmatig stipuleert, zal ook dit doel kenbaarder worden en gemakkelijker worden omschreven. Ik geef hier een voorbeeld:

Indien u b.v. helderziendheid als doel hebt gesteld, dan zult u zich niet moeten voorstellen dat u iets ziet, maar de mogelijkheid: aanvaarden dat iets wordt gezien en een voorstelling of gedachtebeeld, dat in u ontstaat, tijdelijk moeten beschouwen als reëel: als een waarneming. Hierdoor krijgt u een gevoeligheid voor vormen, die met het normale gezichtsvermogen niet waarneembaar zijn.

Een ander voorbeeld:

Als het hier gaat om een contact met een bepaalde entiteit, dan moet ik mij niet gaan voorstellen, dat deze aanwezig is. Maar ik ken het doel. Ik ben van een grondgedachte uitgegaan. Onwillekeurig zal ik die grondgedachte interpreteren volgens mijn besef of mijn voorstelling van de entiteit, waarmee ik harmonie zoek; Dan komt er een ogenblik, dat het gedachteproces wordt overgenomen, zodat men het eigenlijk niet meer beheerst. Men droomt weg. Maar in dit wegdromen komen ‑ meestal in symboolvorm ‑ een aantal gegevens naar voren, die behoren tot de gedachtewereld of sfeer van de entiteit, waartoe men zich heeft gericht. U ziet dus, dat de spiegeling gaat plaats maken voor receptiviteit.

Dit alles is echter enigszins passief van aard. Ik zou daarom ook enkele voorbeelden willen geven van werkwijzen, waarmee meer positieve resultaten te behalen zijn.

U gaat normaal te werk tot aan de door mij genoemde drempel. Nu gaat u echter de grondgedachte opbouwen in directe samenhang met hetgeen u wilt bereiken. Om een eenvoudig en in Nederland niet gemakkelijk waar te maken voorbeeld te geven:

Morgen moet de zon schijnen. Alle associaties daarmee verwerkt u normaal. Kunt u over de drempel heen komen en is er een gevoel van geladenheid, dan verandert u van de vragende of bepalende vorm in de stellende vorm: Morgen zal het mooi weer zijn. U zult ontdekken, dat dan zeer eigenaardige spanningen rond het "ik" optreden; vaak wervelingen, die een gevoel van koude, van prikkeling in de huid en daarbij ook enige trekkingen ‑ soms zelfs steken in het hoofd ten gevolge hebben. Laat u hierdoor niet afleiden. Dit is een bewijs, dat er krachten werkzaam zijn. Omschrijf nu nadrukkelijk hetgeen u wilt en de redenen waarom u het wilt. Wees hierin voor alles eerlijk. U zult ontdekken, dat u in het begin t.a.v. kleine wensen in de nabije toekomst mogelijkheden creëert‑ en dat u bij een regelmatig gebruik zelfs zover kunt komen, dat u meeromvattende projecten tot stand kunt brengen: b.v. het karakter van een samenkomst van een aantal mensen, het vinden van een voorwerp, het zoeken naar een bepaald product dat anders moeilijk te krijgen is. Door u op deze wijze daarop in te stellen. krijgt u resultaten.

Typerend bij deze manier van werken is verder, dat door de voortdurende herhaling tijdens de meditatie het geheel in het onderbewustzijn is verankerd en de eigen reactie ‑ en daarmee ook de uitstraling van gedachtekracht en eventueel de ontvankelijkheid voor hetgeen er rond u is ‑ mede bepaald is: Dus als u een product zoekt dat u nergens hebt kunnen vinden en dat u graag wilt hebben (een voorbeeld dat al heel eenvoudig is), dan zult u gaan opmerken waar dit product te vinden zou kunnen zijn. U ziet dan alle mogelijkheden en loopt daaraan niet voorbij, zoals gewoonlijk. U brengt daarmee de vervulling vanzelf al dichterbij.

De meditatie kunnen wij verder gebruiken voor het doen ontstaan van mentale communicaties. Dat is dus een vorm van telepathie, gedeelde dromen en dergelijke dingen. Hierbij gaan wij uit van het standpunt, dat de persoon tot wie wij ons richten ‑ hetzij in de geest of in de stof ‑ op tenminste een punt een gelijke belangstelling met ons moet hebben, Dit punt moeten wij overdenken. En als wij zeker zijn dat de belangstelling voor dit punt wederkerig is, verbinden wij hieraan de voorstelling van de persoon in kwestie.

Door op deze manier te mediteren hebben een psychisch contactpunt met de persoon, die wij zoeken. Is die persoon in roste, dan zal een onmiddellijke communicatie plaatshebben. Wij vinden dan de uitgezonden gedachte weerkaatst. met wijzigingen.

Typerend voor de resultaten is vaak de vraag: Wie bent u eigenlijk? Zorg ervoor, dat u in dergelijke gevallen uw communicatie zo eenvoudig mogelijk houdt. U kunt geen normaal gesprek voeren, zeker niet met iemand op aarde. U kunt echter wel. door woorden nadrukkelijk te denken korte communicaties tot ongeveer 20 woorden overbrengen. Gaat u verder dart dit, dan zal de boodschap niet in het bewustzijn van de persoon in kwestie verankerd zijn na het beëindigen der communicatie, Korte boodschappen; herhalen; nadrukkelijk en langzaam denken.

U zult in het begin veel moeilijkheden hebben, omdat de ander deze impuls natuurlijk niet vertrouwt. Maar in heel veel gevallen zult u dan toch een zekere overeenkomst zien tussen de overgebrachte boodschap en de reacties van de persoon. Als u dat enkele malen hebt gedaan, kunt u zelfs een betrekkelijk regelmatig contact met zo'n persoon tot stand brengen (dit geldt ook voor entiteiten in de geest), met dien verstande, dat wij ons op de persoon en op de relatie met de persoon moeten richten, echter nooit op bepaalde handelingen, daden of de omgeving. Stoffelijk kan men dit wel doen. Elke zo ontstane harmonie wordt dus een gesprek. Een gesprek onder bepaalde voorwaarden, maar een gesprek.

Wen u aan om vanaf het ogenblik, dat de communicatie een echo krijgt, u te concentreren op de boodschap en steeds rustig af te wachten. Dit laatste kan belangrijk rijn. Ü 'zult geneigd zijn die boodschap steeds te herhalen. Hierdoor maakt u het de ander onmogelijk tot u door te dringen. En het gaat. toch om een wederkerig contact.

Zend uw boodschap scherp uit. Wacht, totdat u een reactie hebt; desnoods 5 minuten. Heeft u na die tijd geen antwoord ontvangen, zend hernieuwd uit.

Kies voor personen in de stof bij voorkeur die periode, waarop zij niet druk bezig zijn. Heeft u langs deze weg een communicatie uitgezonden, zonder dat er antwoord kwam, ga na of u een tijd hebt gebruikt, die misschien voor de ander niet gunstig is. Indien dat het geval is, herhaal de proef nu op een tijdstip, dat u van de ander aanneemt dat hij ontspannen is, bij voorkeur alleen, desnoods slapend. Herhaal uw boodschap dan slechts een keer en zonder verdere voorbereiding zeer intens en stel u daarbij de persoon tot wie u zich richt voor. Wacht op antwoord. In vele gevallen is het, of u een sleutel omdraait en krijgt u een conversatie teruggespeeld, waarbij ook uw eigen aandeel daarin a.h.w. van buitenaf op u wordt afgedrukt. Dit zijn dan onbewuste reacties van de persoon in kwestie. Corrigeer alleen in de conversatie, indien het strikt noodzakelijk is en bij voorkeur nadat de ander zwijgt. Onderbreek dus de ander niet.

Dit zijn enkele kleine mogelijkheden, die er in meditatie schuilen. U zult begrijpen, dat dit alleen maar beginnelingenwerk is. Wie zich in meditatie zover kan brengen, dat hij zijn. eigen wereld en persoonlijkheid in deze vorm vergeet, kan zich een andere wereld of werkelijk voorstellen (mits deze voldoende analoog is met een bestaande werkelijkheid) en daarin als persoon in verschijning treden en handelen. Datgene, wat daar geschiedt, wordt in de herinnering (de hersens) vastgelegd en kan na afloop van de procedure a.h.w. worden afgelezen, zodat men dan precies weet vaat er aan de gang was.

Dit zijn natuurlijk eenvoudige voorbeelden. Maar ik kan mij voorstellen, dat u ook nog behoefte heeft aan het werken met een geest of een geestelijke geleider. In dergelijke gevallen echter kunt u zelf niet bepalen wie uw geestelijke geleider of helper zal zijn. Dit is nl. niet afhankelijk van vroegere persoonlijke relaties, maar van nu bestaande harmonieën en mogelijkheden. Tracht in een dergelijk geval dus niet een gestalte op te bouwen. Indien u antwoord krijgt (u gaat weer te werk als bij een normale communicatie met de geest), dan zult u ook niet moeten trachten daaraan een nam te verbinden. Zodra u namen verbindt aan een dergelijke entiteit of leider, ontstaat er nl, een misleiding. Uw eigen associaties gaan een zeer grote rol spelen en de ontvangen boodschappen worden onzin, geprojecteerd door het eigen onderbewustzijn of wensleven. Door de kracht niet te benoemen en daaraan geen eigenschappen toe te schrijven, doch slechts harmonie daarmee te zoeken, laat u de geestelijke leider of helper de grootste mogelijkheid zijn persoonlijkheid.uit te drukken.

Op den duur kunt u dan misschien iets van een naam of vaker nog van een gestalte waarnemen. Dit echter is nimmer bepalend, daar het uw eigen interpretatie is. De harmonie moet worden opgebouwd door meditatie, waarbij de gevoelservaringen van vorige contacten na meditatie als eerste punt van overweging worden gebruikt.

Uittreding naar de sferen zou op een soortgelijke wijze mogelijk zijn. Maar hierbij is het gevaar voor dagdromen zo groot, dat ik dit alleen voor zeer gevorderden zou aanbevelen via meditatieve weg en gerichtheid.

Ik hoop hiermede een ‑ zij het onvolledig dan toch bruikbaar ‑ beeld te hebben gegeven van wat met meditatie kan worden. gedaan. Meer dus dan alleen maar overwegingen of innerlijke wijsheid verwerven. Men kan uit de meditatie door een geschapen harmonie en sfeer zeer vaak belangrijke resultaten naar buiten toe bereiken. Ook voor hen:, die met geestelijke genezing op afstand willen werken, zou ik de raad willen geven:

Mediteer. Maar doe het dan regelmatig en ga steeds uit van Jen en hetzelfde grondidee. U zult ontdekken, dat u door als doel verschillende personen of ziekten te kiezen langs deze weg ook betere resultaten krijgt.

Hiermede hoop ik deze kleine bijdrage te mogen besluiten.

 

Informatie aangaande de bronnen van de  teksten kan je vinden op volgende website's: 

 

http://users.skynet.be/rabdomantie.center/

     

http://www.saint-pierre-les-bregines.org/

 

http://www.scribd.com/people/view/31429-rober

 

 MEDITATIE TEKSTBOEK. 

 Met trots melden wij u dat half oktober de eerste exemplaren van

Meditatie Tekstboek, geschreven door Noëlla van Duyse, zullen verschijnen.

In een tijd waarin steeds meer mensen zich verdiepen in hun persoonlijke geestelijke ontwikkeling stijgt de vraag naar meditatie. Dit boek is een handleiding voor individuele meditaties alsmede voor mediteren in een groep.
In tal van filosofische strekkingen wordt gemediteerd om te komen tot de kern van de eigen beleving. In menige opleiding, en in steeds meer scholen, is meditatie een middel om rust en evenwicht te vinden. 
Met deze handleiding kan dieper worden doorgedrongen tot de essentie van het eigen zijn en het kosmisch geheel

 

 

75847.jpg

 

Noëlla Van Duyse werd in 1953 geboren in Beveren (België). Zij woont en werkt in Zwijndrecht. Na een handels- en bibliotheekopleiding specialiseerde ze zich in de esoterie. In het spiritueel centrum waar zij nu actief is als geestelijk consulente, begeleidt ze mensen bij hun levensvragen en persoonlijke ontwikkeling.

Bestellen
Wij kunnen u het circa 140 pagina's tellende Meditatie Tekstboek aanbieden voor de prijs van  €17,95  (exclusief verzendkosten).  Wilt u het boek bestellen? Dat kan via het Rabdomantie Center,   via de boekhandel of internetboekhandel.  

http://www.freemusketeers.nl/index.php/pagina/boeken/akti...

 

Meditatie Tekstboek, Noëlla van Duyse
ISBN 978-90-484-1455-0

 

Rabdomantie Center    J.B. Tassynsstraat  20    2070  Zwijndrecht

 

Tel. 03 252 74 70                   e-mail: rabdomantie.center@skynet.be

Website :   http://users.skynet.be/rabdomantie.center/ 

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende