21-07-16

ZOMER.

ZOMER.

ZOMER, Shakespeare,geestelijke lente,

Buiten kondigt U de zon aan, dat de zomer komt. Het jonge groen, zo teer en zo pril en zo mooi schijnt de wereld in een sprookjesland te veranderen, waarin de rijpe, wonderlijke bloesemkleuren ijle en tere wolken over het land spreiden, terwijl de bloemen aarzelend piekend of reeds fel opschietend en kleurend uit Uw treurige winterwereld een feestzaal hebben gemaakt. Want het is werkelijk lente. Het is werkelijk reeds de tijd, dat de winter verdreven en verslagen heen vlucht en het leven opnieuw met steeds sterkere kracht pulseert, stuwend naar nieuwe bloei en groei.

De lente is een periode, die de mens een eigenaardig ver schijnsel bezorgt. De mens wordt wat loom, wat moe en wat lusteloos. En dan ineens, dan is het, of er ergens in hem iets de zon weerkaatst en hij wordt zelf zonnig. Hij lacht, omdat er buiten het licht is. Hij verheugt zich over de schoonheid, die hij overal ziet. Hij neemt een bloem een ogenblik teer tussen de handen, en droomt over de wonderen, die zo iets schoons geboren kunnen doen worden. Hij luistert naar de vogels en zegt: “Wat gaan ze te keer. O, wat is het toch een mooie tijd, de lente.”

De mens weerkaatst in zichzelf al datgene, wat in de wereld buiten hem ontstaat. En dan komt de grote vraag: “Waarom dan alleen zo lenteachtig en opgewekt, wanneer de zon schijnt? Waarom dan alleen met deze lichte, haast nog vermoeide verrukking de wereld ondergaan, wanneer daar buiten je schoonheid is? Is de mens dan niet geschapen om zelf te scheppen? Heeft de mens dan niet het vermogen om uit zijn gedachten werelden naar voren te brengen, schoner dan de natuur? Kan een droom niet alle schijnbare volmaaktheid uit de wereld perfectioneren, tot de droomwereld is geworden een paradijs zonder enkele smet, zonder enkele fout?”

In U ligt een wereld, die veel schoner kan zijn. In U ligt ook een wereld met lachende tuinen, met pril blozende bloesem. In U brandt een licht, sterker dan de zon. Want de goddelijke volmaaktheid en de goddelijke schoonheid leven in de mens. En dat is lentekracht.

Soms dan ken je zo’n ogenblik. Dan voel je je eventjes meegesleept door die innerlijke vreugde. Dan ben je in een stemming, dat je de hele wereld zou willen omhelzen. Dan zou je willen zingen en jubelen. En het is misschien met moeite, dat je je als vormgetrouwe mens onthoudt van deze uitingen, om niet al te belachelijk te worden. Maar dan is de tijd voorbij. Het trekt weg. En dan lijkt het, of het wereldje zo loom en zo stoffig wordt.

Wel, vrienden, we spreken van de lente. Kunt ge de lente genieten op het ogenblik? O, bollenvelden en bloesembomen, bossen vol van teer en pril ontwakend groen, ze overgieten het hele land. Tot zelfs tussen de straatstenen zal zo hier en daar een nieuwe grasspriet kieren. En op een paar veldjes bleek verlopen gras prijkt alweer een enkele paardenbloem, die met zijn gele, felle kleur a.h.w. verzet predikt tegen de dorheid van het verleden.

Maar daarna komt de zomer. Dan zijn er ook bloemen. Dan zijn er ook bladeren. Dan is er ook zon. Maar die zon, waarover ge nu U verheugt, waarover ge jubelt, die doet U dan puffen: “Wat is het warm” en in stil verzet komen. “Was het maar wat kouder.”

Het blad, dat in zijn pril groen, in zijn fijne, lichte vorm, toen het a.h.w. een pastel tekening was van de natuur U zozeer bekoorde, is in zijn voldragenheid en grootheid maar stoffig en vies. “Nou ja, het is wel aardig. Je hebt er scha duw aan.” Maar dat is de zomer, vrienden.

En in die zomer komt de vrucht. Die zomer is de voorbereiding voor alle voortplanting, voor alle groei, voor alle bloei. Als er alleen maar lente was en geen zomer, waar zoudt ge dan zijn met Uw koren, met Uw graan? Waar zoudt ge zijn met Uw aardappelen en Uw kool? Waar zoudt ge zijn met Uw appelen en peren? Waar zouden alle gulle gaven van de natuur blijven? En juist, nu het buiten zo lenteachtig kan zijn, zou ik U er graag aan willen herinneren, dat elke lente ook de lente in Uzelf altijd gevolgd wordt door een periode van sufheid en dofheid. Dat in de periode, dat de grootste vruchten kunnen worden geplukt Uw herfsttijd de stormen door je leven razen. Dan zit je met het probleem, met die gedachte. En je kunt er haast niet meer tegenop, denk je. En dan is het de kunst, om deze elementen niet te zien als het enige in het leven. Maar bewust en voorzichtig de vruchten te plukken, voordat ze verrot zijn.

Weet U, de lente genieten, dat doet elke mens wel. Maar oogsten in de herfst, dat vinden sommigen maar veel te moeizaam. O ja, ze zullen een enkele vrucht in het voorbij gaan plukken en een ogenblik een bete eruit nemen. Want het is toch wel aardig, het is toch wel prettig. Maar voorzorg oogsten dat is sommigen te moeilijk. En anderen levert het te weinig op.

En toch is dat hetgeen, waar het om gaat, vrienden. Want in je leven heb je een oogst nodig. Eerlijk. Je moet alle vruchten van je leven durven plukken. Je moet a.h.w. alle geestelijke rijkdommen, die maar te bereiken zijn in die zomer wereld van binnen, steeds verzamelen, totdat je een grote voorraad hebt. Want dat is je enig bezit, dat je kunt meenemen.

Het nog niet opgeloste raadsel Shakespeare heeft eens geschreven: “Je kunt het niet met je meenemen.” you can ‘t take it with you. Laat me U één ding zeggen: “U kunt van alles op deze wereld niets meenemen. Geen straaltje zon, geen enkel jong gevormd blad, geen enkele bloesem. Maar wat ge in Uzelf geoogst hebt uit het leven, dat is bezit. Dat neem je mee. Dat is onvervreemdbaar eigendom.”

En zoals bij een volgende lente men het zaad neemt in een vorige herfst gewonnen zo is het ook Uw taak, wanneer ge wilt, dat een nieuwe geestelijke lente komt, vol van zon, vol van bloesem, vol van vreugde, dat ge zorgt uit de ervaringen van het verleden, uit de bereikingen van het verleden, datgene te puren en te bewaren, dat noodzakelijk is om U ook in een andere wereld te doen leven in licht en zon en vreugde.

11:18 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: zomer, shakespeare, geestelijke lente |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.