18-04-16

EEUWIGHEID.

EEUWIGHEID.

EEUWIGHEID,voorstellingswereld, leviteren,zwaartekracht, onbegrendheid, verschijning,

Wie telt in tijd kan eeuwigheid niet kennen, want eeuwigheid kent niet de tijd. En wie omschrijven wil de onbeperktheid uit zijn beperking, omschrijft beperking, niet de onbeperktheid van een zijn, dat niet in tijd en ruimte meer is uit te drukken.

Eeuwigheid is het vage begrip, waarmee wij aanduiden een absolute onbegrensdheid in duur en mogelijk ook in plaats.

Wij zijn eeuwig. Dat wil zeggen wij zijn onbeperkt. Maar deze onbe­perktheid kan pas duidelijk worden, indien wij onze beperking verloren hebben.

Een mens, die leeft als mens, is gebonden aan zijn menselijk den­ken, zijn menselijke voorstellingswereld en aan de door hemzelf bepaal­de grenzen van zijn kunnen. Deze zullen hem inderdaad de eeuwigheid tot een verre droom maken. Maar soms vergeet hij al is het maar voor een korte wijl de beperktheid van zijn zijn en gaat hij op in iets wat hij het hoger Zijn of God noemt en zichzelf daarin verliezende, vindt hij eeuwigheid. Want hij kent niet de duur van zijn beleving, ofschoon de mens en deze tellen in seconden of in uren.

In deze beleving maak, hij zich los van de regels, die de mens, de wereld, bepalen. Hij leviteert, omdat de zwaartekracht niet iets is wat voor hem bestaat en slechts de relatie, vaak uitgedrukt tot een voorwerp, nog bepalend is voor de plaats, waarop hij zich bevindt en als zichtbaar wezen zich vertoont. En zo hij zich denkt op een an­dere plaats te zijn, hij is op die andere plaats en is daar kenbaar en verdwijnt op het punt, waar hij stoffelijk zou moeten vertoeven. Dit nu is eeuwigheid.

Eeuwigheid is de absolute ongebondenheid, waarin wij alleen nog onszelf zijn, en in dit zelf zijn in alle ruimte, in alle tijdsvoorstellingen tot uiting kunnen komen, zonder dat wij daarbij iets verliezen van hetgeen wij zijn.

Wie droomt van eeuwigheden, droomt in wezen van een tijd, die voortschrijdt zonder eind. Maar tijd juist is het denkbeeld, waardoor de eeuwigheid wordt beperkt. Zo denk niet in de tijd, maar in de onbe­grensdheid, waarin alle dingen in gelijktijdigheid mogelijk zijn, waarin gedachten niet elkaar verdringen, maar zich samen vermengen tot een totaalbeeld.

Denk aan bestaan, dat niet meer omschreven behoeft te worden en u zult voor een kort ogenblik iets van eeuwigheid ervaren.

Maar de ziel, die eeuwigheid ervaart, heeft eerst zichzelf te leren kennen. En wie zichzelf kent, volledig beseffende de veelheid van mogelijkheden en beperkingen, die hij "ik" heeft genoemd en de fei­telijke onbegrensdheid van, al deze dingen, hij zal eeuwig kunnen zijn.

Maar wie eeuwig is leeft niet een in de tijd. Wie eeuwigheid heeft gekozen als zijn deel, is geen verschijning meer in ruimte, die voor anderen kenbaar is. Slechts wie de eeuwigheid ook zelve betreedt, vindt daarin terug de werkelijkheid van hen, die voor de eeuwigheid de ruimte en de tijd verlaten hebben.

De commentaren zijn gesloten.