25-11-15

MENSELIJK VOORSTELLINGSVERMOGEN IN HET GELOOF.

MENSELIJK VOORSTELLINGSVERMOGEN IN HET GELOOF.

geloof,vrede,harmonie,

Bij geloven is het ongeveer als volgt: Een mens stelt zich alles voor wat hij zelf denkt niet te zijn en hij noemt dit God. Vervolgens probeert hij aan zichzelf te verklaren op welke wijze hij desondanks met die God in contact kan treden. Dan begint hij zijn eigen gedrag, maar helaas niet zijn eigen wezen te herzien. Zo komt hij tot een discipline die naar hij denkt die God aangenaam is. Op grond hiervan meent hij dan recht te hebben op allerlei gunsten, eventueel zelfs op het eeuwige leven.

Nu is het duidelijk, dat mensen dat op heel verschillende manieren doen. Er zijn mensen die houden zich voornamelijk bezig met demonen. Die mensen leven in een wereld waarin de dreigingen veel zwaarder tellen dan al het andere. Om dan een tegen-invloed te scheppen zullen ze waarschijnlijk ook wel een beeld van een God maken. Maar die God ziet er meestal dan toch weer uit als een soort demon, want hun angsten zijn daarin mede vertegenwoordigd. En dan komen ze tot een gedrag waarmee ze niet de God proberen tevreden te stellen maar de demon. Ik vind dat op zichzelf nog niet zon gekke redenering. Als je vrede kunt sluiten met degenen die je bedreigen, zullen de goede jongens je toch wel geen kwaad doen. Dit is opvallend voor veel z.g. magisch geloof.

In het magisch geloof namelijk houd je vooral rekening niet de gevaarlijke entiteiten, de goden of demonen die rond je zijn en die stel je tevreden. En dan reken je er maar op dat de goede goden daarover niet zo boos worden dat zij op hun beurt in demonen veranderen.

Interessanter wordt het, wanneer wij te maken krijgen met animisme. Dat klinkt zeer geanimeerd, maar het wil alleen zeggen: alles is bezield. Een geloof overigens dat heel wat ouder is dan u zou veronderstellen. Het gaat zelfs terug tot de pre‑Atlantische periode.

Als alles bezield is, dan heeft alles ook een persoonlijkheid. Wanneer ik nu mijn persoonlijkheid in overeenstemming weet te brengen met alle andere persoonlijkheden rond mij, dan zullen ze goed en vriendelijk voor mij zijn. Het is alweer een kwestie van een zoeken naar een harmonie, als je die harmonie niet gewoon kunt krijgen, dan breng je een cadeautje mee.

Het is bekend, dat er een tijd is geweest dat men bepaalde stromen niet durfde over te steken en men daarom een offer bracht. Vaak was het een plengoffer in het water van de een of andere gegiste drank waarbij men zei: Nu hebben wij de nimf van deze beek tevreden gesteld en kunnen wij gevaarloos oversteken. Als je dat niet deed, dan was je bang dat je werd meegesleurd. Je was dus te voorzichtig en je werd meegesleurd.

Zo is er ook een geloof gekomen waarin de bomen, de aarde en later ook de primitieve elementen als water, vuur, aarde en lucht een grote rol zijn gaan spelen. Er zijn rijken, zegt men dan.

Mensen delen alles in, dus moet de kosmos ook ingedeeld zijn. En als je dan zo bezig bent, zul je de verschijnselen gaan toeschrijven aan allerlei zaken, die overeenkomen met de gemaakte indeling. Daarom is het helemaal niet vreemd meer dat een geneesheer zei: "Je hebt koorts, dat is het vuur. Als ik vuur wil blussen, dan heb ik water nodig. Dus, in het water met de patiënt!" Niet dat het altijd slaagde, maar men had toen dergelijke opvattingen.

Zo zal men ook zeggen; als ik bepaalde krachten nodig heb die tot het vuur behoren, dan moet ik het vuur aanbidden, want dat is de uiting van dat rijk en alle krachten, die daarin wonen, zullen mij dan helpen.

Hebben we daarentegen iets nodig van de aarde, laat ons dan de aarde vereren. Verlang ik iets van de lucht, laat mij de lucht vereren, de wind aanroepen. Op deze manier heeft de mens zijn geloof eigenlijk gemaakt tot een voorstelling waarbij een uitwisseling van waarden mogelijk is tussen hem en die onbekende wereld. Hij beseft helemaal niet, dat die onbekende we­reld niets anders is dan een voorstelling van zijn eigen persoonlijkheid, die vaak in het tegendeel is verkeerd. Maar ja, hoeveel lafaards denken niet dat ze helden zijn?

Als je het zo beschouwt, is het geloof in de mens een interessante kwestie. Want als iets mij beroert, dan moet dat ook die hogere krachten beroeren. Als ik blij ben met iets, dan zullen hogere krachten daar ook blij mee zijn, want het is een vergelijking tussen mij en een ander.

Wij moeten een offer brengen, hoor je dan. Zelfs in de christelijke lering waar het offertje op zich misschien zinloos is, maar toch is te vergelijken met de kleine, misschien niet eens zo gewenste dienst die kinderen hun ouders willen bewijzen en waardoor ze a.h.w. de ouderliefde versterken en er vaak iets voor terugkrijgen.

Als we het iets verder gaan uitbreiden, dan krijgen we de kwestie van de stoffelijke overdracht. Ik kwel mijzelf en daardoor zal God mij niet kwellen. Een van de punten die bij de Flagellanten een rol speelden; mensen die overigens heel vaak masochisten waren. Bovendien zeiden ze God beloont mij door een innerlijk gevoel voor mijn zelfkwelling, wat op zijn minst genomen overdreven was.

Wanneer wij verder teruggaan ‑ ofschoon ze ook in deze tijd nog wel voorkomen ‑ vinden wij de orgiastische erediensten waarbij de tegenstelling tussen de seksen langzaam maar zeker wordt tot een versmelting daarvan, wat dan een eenwording van hemel en aarde kan symboliseren of een versmelting van de goddelijke krachten met de materie. Het is een "zo boven zo beneden" denkbeeld, maar ondertussen betekent het toch wel dat de mens door deze voorstelling zich eigenlijk openstelt voor waarden, die voor een groot gedeelte in hemzelf wonen.

De man, die het plengoffer brengt, wanneer hij door een rivier moet gaan, vindt daarin een groter zelfvertrouwen. Daardoor kan hij dus zekerder en beter optreden dan zonder dat.

De mens, die op welke wijze dan ook, zichzelf duidelijk heeft gemaakt dat hij één is geworden met goddelijke krachten, voelt zich sterker en doet dus gemakkelijker een beroep op zijn reserves en op zijn geestelijke innerlijke krachten. Het geloven van de mens is een poging om de grenzen te overbruggen die liggen tussen het werkelijke "ik" en het stoffelijk aanvaardbare "ik”.

Als wij proberen leven en dood samen te smelten, dan gaat het ons niet alleen maar om het overwinnen van de dood, ook al doen wij alsof. Dan gaat het ons in de eerste plaats erom het leven intenser te ervaren. Maar die ervaring van het leven op zich betekent ook weer, dat wij daardoor intenser en bewuster zullen leven. En als wij ‑ hetzij door offers of op een andere wijze onze angst voor de dood uit de weg hebben geruimd, dan is het heel duidelijk dat wij daardoor veel gemakkelijker bewust zullen worden na de overgang.

Alles heeft wel degelijk zin en betekenis. Toch vraag je je af in hoeverre al die geloofsvormen aanspraak kunnen maken op juistheid. En dan moet ik tot mijn spijt zeggen: ik ken er geen. Elke geloofsvorm, die door mensen wordt beleden, is een poging om een contact of een mogelijkheid tot contact roet het hogere vast te stellen. Maar laten we eerlijk zijn, wanneer wij levens dan kunnen wij niet leven zonder die hogere krachten. Anders gezegd; of je naar de kerk gaat of niet, het is de goddelijke adem die je in leven houdt. Wees je daarvan bewust en je kunt God op een voetbalveld ook vinden en vaak veel interessanter en aangenamer dan in de kerk. Daarmee zal niet iedereen het eens zijn, dat begrijp ik wel, naar het is de essentie waar het om gaat, niet de aankleding.

Het geloof van de mensen is een poging om de essentie, die niet helemaal verwoord of misschien aanvaard kan worden, zo aan te kleden dat ze aanvaardbaar wordt. Maar als je naar de werkelijkheid kijkt, dan kun je zeggen: De hogere kracht is spreken in elke mens, leven in elke mens. Ze is rond elke mens aanwezig. De liefde van God, die je probeert te verdienen, is een feit alleen al door je bestaan, door je leven, door je verbondenheid met de gehele kosmos. Geen Schepper kan zijn schepping ontkennen zonder zichzelf gelijktijdig te verloochenen.

Wanneer wij bang zijn en wij geven onze angsten gestalte ‑ of dat nu een duivel is of dat we er iets anders van maken ‑ in feite doen we niets anders dan onze angsten aankleden en ze daardoor een beetje buiten onszelf zetten. Dan kunnen we denken, dat de strijd buiten ons plaatsvindt, maar waar is dat niet. De strijd tussen goed en kwaad speelt zich in onszelf af. De strijd, van Armageddon, de veldslag tussen God en Magod speelt zich voortdurend in elke mens af. Het Laatste Oordeel wordt elk ogenblik gesproken.

Wij kunnen de dingen wegschuiven. Wij kunnen ze buiten ons zetten dank zij het menselijk geloof dat ook in bepaalde geestelijke sferen nog lange tijd behouden kan blijven. Maar de werkelijkheid zijn wij zelf en de enige werkelijkheid die onveranderlijk blijkt te bestaan ‑ of wij geloven of niet ‑ is onze verbondenheid met de bron waaruit wij voortkomen.

17:43 Gepost door Stem van Gene Zijde in esoterie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geloof, vrede, harmonie |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.