12-10-15

Intellect of verstand.

Intellect of verstand.

Intellect of verstand, dom, ontdekken, opvattingen, intelligentiequotient,leesblindheid, woordblindheid,geslacht,stadsmens,denksporen,

Er wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de mensen op grond van hun intellect of hun verstand. Men vergeet hierbij over het algemeen, dat hun denkprestatie hier wordt beoordeeld volgens de gemeenschappelijk gel­dende normen, dus aan de hand van het gemiddeld erkende.

Iemand dus, die zeer intelligent is of zeer veel verstand heeft, maar op een terrein dat niet algemeen als verstandelijk wordt erkend, zal dom wor­den genoemd.

Hieruit volgt reeds, dat het menselijk oordeel omtrent het al of niet intelligent zijn zeker beperkt is. Ja, ik wil zelfs verdergaan; degenen, die een intelligentie‑quotient vaststellen, doen dit volgens hun eigen normen en deze normen maken het hun onmogelijk een werkelijk genie te ontdekken. Zij kunnen alleen diegenen ontdekken, die een zeer verrijkend begrip en een verrijkende kennis hebben omtrent de gangbare opvattingen en meningen. Elke afwijking wordt echter gestraft door het intelligentiequotient lager te stellen. Hieruit volgt dus in de eerste plaats, dat iemand, die dom wordt genoemd, het lang niet altijd behoeft te zijn. Daarnaast echter zien wij, dat men iemand dom noemt, omdat hij bv. steeds weer dezelfde fouten herhaalt; of omdat hij niet in staat blijkt bepaalde gegevens in zich op te nemen. Deze z.g. domheid ontstaat ook door zuiver psychologische invloeden als bv. woordblindheid of leesblindheid. Maar wij moeten wel beseffen, dat dit met het feitelijk verstandelijk vermogen weinig heeft uit te staan. Een ieder zal in zijn denken in de eerste plaats datgene kunnen opnemen en het snelst kunnen associëren, wat volledig in overeenstemming is met de erfelijk bestaande denksporen. Het gevolg is, dat een boer misschien volgens een stadsmens erg dom kan zijn, ofschoon hij omtrent de groei en bloei rond hem, het leven van de dieren en de mogelijkheden om gebruik te maken van de omstandigheden, zeer veel meer weet en zeer veel meer leert, dan ooit voor een stadsmens mogelijk zal zijn. Er is dus in feite sprake van een differente ontwikkeling.

Wanneer wij in een normale maatschappij iemand ontmoeten, die dom wordt genoemd, dan vergeten wij maar al te vaak, dat in het menselijk ge­slacht ‑ en vaak nog niet eens zo erg lang geleden ‑ totaal andere le­vensomstandigheden hebben gegolden dan heden en dat ook de maatschappe­lijke normen en verhoudingen geheel anders waren. Dat dus dientengevolge in de oudheid het genetisch denkspoor een andere richting had dan heden ten dage.

Wanneer wij nu door een terugval op een vroeger type genetisch deze denk­sporen of denkafwijkingen of besturing van eerste associatie zien optre­den, dan zal zo iemand in zijn eigen maatschappij dom worden genoemd.

Hij is het dus feitelijk niet, maar zijn associatievermogen verschilt van dat van de anderen.

Ten slotte blijkt, dat er mensen zijn, die in hun hersenen a.h.w. een grotere impulssterkte behoeven, dan door andere dan directe ervarin­gen kan worden gegeven. Deze mensen zullen dus een gedachte, die een an­der hun doet lezen bv., niet direct kunnen verwerken. De impuls is zo zwak, dat ze wel in het onderbewustzijn wordt opgenomen, maar niet het re­delijk denken en het bewustzijn bereikt. Men zegt dan, dat zo iemand leer­traag is. En wij weten, dat deze afwijkingen bv. ook voorkomen t.o.v. auditief of visueel leren. Er zijn mensen, die het gesproken woord onmid­dellijk en goed kunnen onthouden, maar die lezende niets kunnen begrijpen en ook niets kunnen onthouden; en omgekeerd.

Hieruit volgt m.i., dat er beperkingen kunnen bestaan. Wanneer deze be­perkingen zover gaan, dat een mens de huidige leermiddelen, leermoge­lijkheden en de voornaamste in de wereld optredende prikkels niet kan vatten, zal een deel van de hersenen dan niet bewust worden geactiveerd en deze mens daardoor eveneens dom of minder intelligent schijnen.

Wanneer echter elke mens ‑ en dat geldt, enkele ziekelijke afwijkin­gen uitgezonderd, voor iedereen ‑de mogelijkheid krijgt volgens zijn gene­tisch vastgelegde mogelijkheden te leren denken en associëren, zo zal hij een ongeveer gelijke top bereiken als vele anderen.

Het tegendeel van dom zijn, dus het wel intelligent, ja, zelfs ge­niaal zijn, ontstaat meestal doordat een zo grote reeks van denksporen aanwezig is, dat associaties kunnen optreden tussen verscheidene gebie­den. Eén impuls brengt zoveel associaties teweeg, dat daaruit een nieuwe impuls ‑ en nu wel een totaal beeld volgens alle ervaringen ‑ kan optre­den, dat een nieuwe visie mogelijk maakt.

De commentaren zijn gesloten.